Zaaksnummer: P24/0076 Beschikking van 27 mei 2024 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het bezwaarschrift in de zin van artikel 2:27, derde lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETVVS) van: [veroordeelde] , geboren op [datum] te [plaats 1] ( [land] ), thans verblijvende in [forensisch psychiatrische instelling] in [plaats 2] , hierna te noemen: de veroordeelde. Procesverloop De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 november 2020 in de strafzaak met parketnummer 01/879540-19 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. De straf is opgelegd ter zake van doodslag. De minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) heeft het voornemen kenbaar gemaakt om het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant aan de autoriteiten van Polen te zenden met het oog op de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aldaar. De veroordeelde heeft op 17 december 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen dit voornemen van de Minister. Het bezwaarschrift is op 13 mei 2024 behandeld door de raadkamer van het hof. Daarbij zijn gehoord: ‒ de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.R. den Toonder, advocaat in Amsterdam, en ‒ de advocaat-generaal, mr. V.G. Smink. Vreemdelingenrechtelijke procedure Bij beschikking van 23 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) beslist tot beëindiging van het verblijfsrecht en tot ongewenstverklaring van de veroordeelde. Het standpunt van de veroordeelde De veroordeelde heeft zich verzet tegen zijn (door de Minister voorgenomen) overbrenging naar Polen. Alle familieleden van de veroordeelde met wie hij contact heeft, wonen in Nederland. Zij bezoeken hem in [forensisch psychiatrische instelling] . Voordat de veroordeelde in [forensisch psychiatrische instelling] werd geplaatst, verbleef hij in een penitentiair psychiatrisch centrum (PPC). De veroordeelde lijdt aan schizofrenie en krijgt in [forensisch psychiatrische instelling] een behandeling. Die behandeling gaat gepaard met het gebruik van zware medicatie, waaronder antipsychotica. De veroordeelde is bang dat hem in een Poolse penitentiaire inrichting niet de benodigde behandeling zal worden geboden. Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift. De veroordeelde is in Nederland ongewenst verklaard en mag dus niet in Nederland blijven. De resocialisatie van de veroordeelde zal moeten plaatsvinden in Polen. De detentieomstandigheden in Polen zijn niet optimaal, maar niet zo slecht dat dit een beletsel vormt voor de overbrenging van een gedetineerde om de straf daar voort te zetten. Daarbij kan de Minister garanties bedingen met betrekking tot de toepasselijke detentieomstandigheden. Het oordeel van het hof Het hof verklaart het bezwaar ongegrond en onderbouwt deze beslissing als volgt. Conform artikel 2:27, vierde lid, WETVVS heeft het hof beoordeeld of de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voorgenomen beslissing om het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant aan de Poolse autoriteiten te zenden met het oog op de overbrenging van de veroordeelde naar Polen en de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in dat land. Resocialisatieperspectief De veroordeelde is in Nederland ongewenst verklaard. Dit brengt mee dat van re-integratie in de Nederlandse maatschappij geen sprake zal zijn, aangezien de veroordeelde na zijn invrijheidstelling geen verblijfsrecht heeft in Nederland. Hij kan dan worden uitgezet naar Polen, van welke staat hij de nationaliteit heeft. In Polen bestaat voor de veroordeelde dus wel een resocialisatiemogelijkheid en met dat land heeft de veroordeelde ook meer binding wat betreft taalkundige, culturele en sociale aspecten. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, wat betreft het resocialisatieperspectief van de veroordeelde, de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voorgenomen beslissing om het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant aan de Poolse autoriteiten te zenden. Detentieomstandigheden in Polen Het hof heeft daarnaast beoordeeld of, indien de veroordeelde naar Polen wordt overgebracht voor de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aldaar, een reëel gevaar bestaat dat de veroordeelde in Polen zal worden onderworpen aan zodanig gebrekkige detentieomstandigheden dat sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Het hof stelt in dit verband voorop dat de onderhavige vorm van samenwerking in strafzaken tussen lidstaten van de Europese Unie gebaseerd is op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dit beginsel veronderstelt dat de lidstaten erop vertrouwen dat de andere lidstaten de door het Unierecht erkende grondrechten in acht nemen. Hieruit volgt dat het de lidstaten in beginsel niet is toegestaan om te beoordelen of een andere lidstaat in een concreet geval die grondrechten daadwerkelijk eerbiedigt. Dit vertrouwen in andere lidstaten is echter niet absoluut en kan in uitzonderlijke omstandigheden worden beperkt (vgl. HvJ EU 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857). Het hof heeft kennisgenomen van het CPT-rapport van 22 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.