GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummers gerechtshof 200.309.565/01 en 200.309.566/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 114009 en 126152 arrest van 11 juni 2024 in de zaak met nummer 200.309.565/01 van 1 [appellante1] , die woont in [woonplaats1] , en
(21)schadegroepen zijn, vermeldt RDHDV bij enkele schadegroepen slechts dat de schade is veroorzaakt door zettingen “waarbij opvriezen niet is uit te sluiten als medeoorzaak”. 4.45 Een andere belangrijke oorzaak van de schade aan de boerderij is volgens RHDHV dat de kapconstructie van de schuren is verzwakt en vervormd. Daardoor worden de krachten die inwerken op de kapconstructie afgedragen op andere constructie-onderdelen van de schuren, die niet op die belasting zijn berekend. De kapconstructie is daardoor gaan ‘hangen’. De horizontale ‘spatkrachten’ die door het hangen van de daken zijn ontstaan, drukken de gevels van de schuren naar buiten. De verzwakking van de kapconstructie is het gevolg van de verminderde stijfheid van de constructie door aantasting vanwege houtworm, houtrot en/of veroudering. Bovendien is een kolom weggehaald, waardoor de oorspronkelijke werking van de spanten is verstoord, aldus RHDHV. 4.46 Strackee doet in haar rapport verslag van een inspectie van de opbouw van de dakconstructie. In dat verband heeft zij een meting uitgevoerd naar de hardheid van de houtconstructie van de rechterschuur. Bij een meting op 12 meetpunten (3 per gebintstijl) is de zogenaamde indringing gemeten. Daaruit is gebleken dat de indringing 5 tot 9 mm was (bij een diameter van 270 tot 310 mm). Een indringing van minder dan 5 mm kwalificeert als nihil, van 5 - 20 mm als klein, van 20-35 mm als matig en boven 35 mm als groot. Er is volgens Strackee dan ook sprake van een kleine indringing. Voor de enkele steekproeven die Strackee in de linkerschuur heeft gedaan (”waar dit veilig mogelijk was”) is maximaal 10 mm aantasting gemeten. Dat is anders voor één kolom in de linkerschuur, die voor de helft in doorsnee is gereduceerd. Strackee merkt hierover verder op (p. 19 van haar rapport):“Vervorming van de kapconstructie, met spatkrachten op de gevels als gevolg kan slechts optreden indien de verbinding van alle individuele sporen los komt van de zware houten vierkantsportalen. Ten gevolge van achterstallig onderhoud zijn slechts enkele verbindingen bezweken. Plotselinge kruipvervorming in het hout in de periode 2013-2020 kan uitgesloten worden bij eeuwenoud hout. Omdat de sporen zijn onderbroken op de hoogte van het houten gebint kan zakking van de nok niet leiden tot spatkrachten op de muren. Ten gevolge van de lichte doorbuiging van de sporen zou de horizontale verplaatsing op goothoogte juist naar binnen gericht zijn in plaats van naar buiten. Opmerkelijk is dat de scheefstand in de gevels, naar buiten gericht, ook voorkomt bij het woonhuis, waar een andere dakconstructie is toegepast, die überhaupt geen spatkracht veroorzaakt door de toegepaste zoldervloer. De conclusie van RHDHV met betrekking tot de spatkrachten vanuit de kapconstructie is aantoonbaar onjuist. Ons inziens is de scheefstand van de gevels geïnitieerd of ten minste versterkt door de opgetreden aardbevingen. In 2015 was er in het rapport van KBE nog sprake van een strak dakvlak zoals daar ook sprake van was bij de aankoop in 2010, en wordt geen melding gemaakt van grote scheefstanden in de gevels.” Over het weghalen van de houten kolom in de rechterschuur merkt Strackee op (p. 30):Het weghalen van de houten kolom is uitgevoerd voor 2010, en heeft tot 2010 niet tot aantoonbare schade geleid. Het platte dak tussen de linker en rechter schuur zorgt voor een herverdeling van krachten waardoor er evenwicht is in de dakconstructie. Alle verbouwingen van de schuur zijn uitgevoerd voor 2010, en de schade was bij de verkoop in 2010 niet aanwezig, terwijl in die periode ook windbelastingen vergelijkbaar met na 2010 zijn opgetreden. Op basis van het knikje in de trekstang valt af te leiden dat de optredende krachten zeer gering zijn. Bij belasting strekt een trekstaaf zich. Dit toont aan dat de constructie voldoende in staat is tot herverdeling van krachten, en niet heeft geleid tot de schade in de gevels. In de controleberekening van RHDHV is geen rekening gehouden met schijfwerking in de dakvloer en ververdeling van krachten over de overige spanten.” Strackee heeft ook kritiek op de controleberekeningen van RHDHV waarin volgens haar wordt uitgegaan van de nieuwbouwvoorschriften, waardoor onder meer de berekende wind- en sneeuwbelasting te hoog zijn aangenomen. 4.47 In haar notitie is RHDHV uitvoerig ingegaan op de kritiek van Strackee. Haar conclusie is dat zij van mening blijft dat veroudering, aantasting en beschadigingen van de houtconstructie gevolgen hebben voor de stabiliteit en vervormingen van de dakconstructie en dat de schades aan de houtconstructie niet zijn veroorzaakt door aardbevingen. Ook de door vervormingen van de houtconstructie veroorzaakte scheefstand van de gevels van de schuren en de daarbij horende schades aan het metselwerk van de gevels, worden volgens RHDHV niet veroorzaakt door aardbevingen. 4.48 Naar het oordeel van het hof heeft NAM met de notitie van RHDHV onvoldoende weersproken dat de hardheid van de houtconstructie van beide schuren niet is aangetast. NAM heeft geen resultaten van metingen overgelegd, waarmee de uitkomst van de metingen van Strackee wordt weerlegd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de houtconstructie niet in relevante mate is aangetast, met uitzondering van één kolom in de linkerschuur.Het hof is niet in staat om te beoordelen of, afgezien van de kwestie van de hardheid van de constructie, schade aan de gevels van de muren is ontstaan vanwege het weghalen van de houten kolom en spatkrachten vanuit de kapconstructie. RHDHV heeft haar conclusies op dit punt wel onderbouwd met uitvoerige berekeningen. Die worden weliswaar op onderdelen door Strackee bekritiseerd, maar het hof kan op basis van de stukken niet beoordelen of die kritiek terecht is en, zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn voor de uitkomst van de berekeningen. De derde tussenconclusie van het hof is dat op dit punt een nader onderzoek door één of meer deskundigen noodzakelijk is. 4.49 Volgens RHDHV is een deel van de schade (het betreft scheuren) aan de rechterschuur veroorzaakt door stootbelastingen van de grote schuifdeuren. Strackee heeft die conclusie bestreden. De schuifdeuren worden vanaf 2010 nauwelijks gebruikt, bovendien worden rubberen stootblokken toegepast en vormen schuifdeuren in zijn algemeenheid geen schademechanisme voor steens gemetselde muren, aldus Strackee. In haar notitie geeft RHDHV aan bij haar conclusie te blijven. 4.50 Naar het oordeel van het hof heeft NAM met het rapport en de notitie van RHDHV het vermoeden dat ook deze schade is veroorzaakt door aardbevingen onvoldoende weerlegd. Daarbij is allereerst van belang dat NAM niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schade al vóór 2010 aanwezig was. Ervan uitgaande dat de schuifdeuren sindsdien weinig zijn gebruikt, een stelling die door NAM onvoldoende is betwist, kan het gebruik daarvan het ontstaan van de scheuren niet verklaren, nog daargelaten of het gebruik van schuifdeuren deze schade wel kan veroorzaken. De vierde tussenconclusie van het hof is dan ook dat NAM het vermoeden van causaal verband tussen deze schadegroep en de aardbevingen niet heeft weerlegd. 4.51 RHDHV geeft in haar rapport aan dat de wanden van de beide schuren, maar vooral van de linkerschuur, op veel plaatsen zijn aangetast door veroudering. Vooral het voegwerk is in slechte staat. Op een aantal plaatsen is beplanting tegen en in de muren en het dak gegroeid, waardoor ook schade is ontstaan. Er is sprake van achterstallig onderhoud. Volgens Strackee is het onderhoud uitgesteld, maar is dat het gevolg van het uitblijven van overeenstemming tussen NAM en [appellanten] in de periode 2013-2020. 4.52 De door partijen ingeschakelde deskundigen zijn het er, gezien het bovenstaande, over eens dat sprake is van schade door achterstallig onderhoud. Daarmee heeft NAM het vermoeden weerlegd dat deze schade is veroorzaakt door aardbevingen. Het hof volgt [appellanten] niet in het betoog dat zij geen onderhoud hebben verricht en kennelijk ook niet hoefden te verrichten vanwege het ontbreken van overeenstemming over de schade tussen hen en NAM. [appellanten] hebben er klaarblijkelijk voor gekozen om de schuren in het geheel niet te onderhouden vanwege hun discussie met NAM. Dat staat hun uiteraard vrij, maar de gevolgen daarvan kunnen zij in redelijkheid niet op NAM afwentelen. Niet valt in te zien waarom zij nadeel zouden ondervinden, indien zij het normale onderhoud aan de boerderij zouden hebben verricht en ondertussen zouden hebben geprobeerd om vergoeding te krijgen voor de schade vanwege de aardbevingen. De vijfde tussenconclusie van het hof is daarom dat NAM het vermoeden van een causaal verband tussen deze schadegroep en de aardbevingen heeft weerlegd en dus niet aansprakelijk is voor de kosten van herstel van deze schade. 4.53 Dat geldt ook voor de schade aan de rollaag op de top van de achtergevel van de linkerschuur, schade 19. Volgens RHDHV is de rollaag niet afgedekt en worden de stenen ervan door regen doornat. Bij vorst bevriest dit vocht, zet dan uit en beschadigt de stenen, die ook los komen te liggen op het onderliggende lood. Strackee heeft deze stelling weersproken. Volgens haar zou de rollaag bij vorstschade verticaal vervormen. Daar is in dit geval geen sprake van. 4.54 In haar notitie heeft RHDHV uiteengezet dat vorstschade alleen leidt tot een verticale vervorming. De schade is echter ontstaan door uitzetting van bevroren water en dat werkt in alle richtingen. [appellanten] hebben deze navolgbare redenering, die ook overeenkomt met het schadebeeld, niet weersproken. De zesde tussenconclusie van het hof is dan ook dat NAM het vermoeden van causaal verband tussen deze schade en de aardbevingen in voldoende mate heeft weerlegd. 4.55 Schade 23 betreft een verticale schade in de buitenwand van de linker schuur, naast de deur van de stallen. RHDHV heeft uiteengezet dat deze schade, gelet op de vorm en de positie, typerend is voor mechanische schade. Een zettings-, krimp- of aardbevingsscheur zou zich zo nooit manifesteren, aldus RHDHV. Strackee heeft deze bevinding van RHDHV niet besproken in haar rapport, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Dat geldt ook voor de toelichting van RHDHV in haar rapport op schade 26, een schade in de buitenwand van de linkerschuur. Het gaat om een verticale scheur in het metselwerk van de rollaag tussen een stalraam en de dakrand. Op deze locatie kunnen gemakkelijk trekspanningen ontstaan in het metselwerk onder invloed van temperatuurverschillen. Strackee is in haar rapport niet inhoudelijk ingegaan op deze verklaring voor het ontstaan van de schade. De zevende tussenconclusie van het hof is daarom dat het vermoeden van causaal verband tussen deze schades en aardbevingen is weerlegd. 4.56 In het woonhuis van de boerderij zijn diverse schades ontstaan aan de buitenwanden. Volgens RHDHV zijn deze schades het gevolg van overbelasting door onvoldoende draagvermogen van de rollagen. Rollagen hebben volgens RHDHV een beperkt draagvermogen. Ze zijn slechts geschikt als latei bij kleine overspanningen van 80 - 100 cm. In de woning zijn ze over een grotere breedte (1,2 m en 1,7
- m)toegepast. Bovendien wordt het draagvermogen in de loop der tijd minder. De driehoeksvorm van de scheuren is ook karakteristiek voor het type schade dat daardoor ontstaat, aldus RHDHV. Strackee wijst er in haar rapport op dat in de periode van de bouw nog geen lateien werden toegepast, maar dragende kozijnen in combinatie met een rollaag. RHDHV heeft niet met berekeningen aangetoond dat er sprake is van onvoldoende draagvermogen. RHDHV heeft daar in haar notitie op gereageerd met de opmerking dat in de boerderij wel degelijk lateien zijn gebruikt (weliswaar niet altijd op deugdelijke wijze) en waar dat niet is gebeurd de constructie niet voldoet. 4.57 Het hof stelt vast dat RHDHV weliswaar geen berekeningen heeft gemaakt waaruit volgt dat de rollagen in dit geval onvoldoende draagvermogen hebben, maar dat laat onverlet dat Strackee in haar rapport niet heeft weersproken dat de vorm van de scheuren typisch is voor schade ten gevolge van een verminderd draagvermogen. Van de juistheid daarvan kan naar het oordeel van het hof dan ook worden uitgegaan. Bovendien is niet weersproken dat de overspanning niet voldoet aan de huidige voorschriften en dat dit gevolgen heeft voor het draagvermogen. Dat is voldoende voor het bewijs dat deze schade niet is veroorzaakt door aardbevingen. De achtste tussenconclusie van het hof is daarom dat NAM het vermoeden van causaal verband tussen deze schades en de aardbevingen heeft weerlegd. 4.58 Wat voor de schades bij de rollagen in het woonhuis geldt, geldt ook voor de schades in de linkerschuur boven de deuropeningen. Daar zijn geen lateien toegepast. Volgens RHDHV is het metselwerk boven de deuren gescheurd omdat het zonder latei de belasting niet kan opnemen. In het rapport van Strackee wordt deze conclusie niet besproken en dus ook niet gemotiveerd weersproken. Het hof zal dan ook uitgaan van de juistheid ervan. De negende tussenconclusie van het hof is dan ook dat NAM het vermoeden van het bestaan van een causaal verband tussen deze schade en de aardbevingen heeft weerlegd. Conclusies en hoe verder 4.59 Het hof kan, gelet op het voorgaande, nog niet beslissen op de vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van de boerderij. Daarvoor zal eerst een nader deskundigenonderzoek moeten plaatsvinden naar de gevolgen van het verwijderen van een houten kolom voor de toestand van de kapconstructie en mogelijke spatkrachten die daardoor zouden hebben kunnen ontstaan. Als dat onderzoek is afgerond, kan het hof beoordelen of NAM ten aanzien van de schades die NAM relateert aan de spatkrachten het vermoeden van een causaal verband met de aardbevingen in voldoende mate heeft weerlegd. Vervolgens zal in een volgende fase van de procedure een deskundigenonderzoek moeten worden verricht naar de mogelijkheid en de kosten van herstel van de schades ten aanzien waarvan NAM het vermoeden van een causaal verband niet heeft kunnen weerleggen. In de laatste fase van de procedure kan het hof, met inachtneming van de resultaten van het laatste onderzoek, de schade begroten. In dat verband zal het hof ook beslissen op het beroep van NAM op voordeelsverrekening. [appellanten] zullen in dat kader meer duidelijkheid moeten verstrekken over het precieze bedrag dat zij uit het versterkingsbudget hebben ontvangen en nog zullen ontvangen. Afhankelijk van de omvang van de herstelkosten, zal het hof mogelijk ook moeten oordelen over de stelling van NAM dat de kosten van herstel niet in verhouding staan tot de waarde van de boerderij. 4.60 Partijen mogen zich in een akte uitlaten over het aantal en de persoon van de deskundige(
- n)en de aan de deskundige(
- n)te stellen vragen. Indien partijen er de voorkeur aan geven het onderzoek naar het causaal verband te combineren met een onderzoek naar de omvang van de schade en zij daarvoor, anders dan het hof, wel mogelijkheden zien, kunnen zij daarover in hun akte ook suggesties doen, zowel wat betreft de vraagstelling als de te benoemen deskundige(n). De zaak wordt voor het nemen van die akte verwezen naar de rol. Het hof gaat ervan uit dat partijen een serieuze poging zullen doen om met een gezamenlijke voordracht te komen. NAM zal de kosten van het deskundigenonderzoek moeten voorschieten. 4.61 Uit het voorgaande volgt dat een eindbeslissing over de vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van de boerderij nog enige tijd op zich kan laten wachten. Voor de vorderingen van [appellanten] tot schadevergoeding wegens waardevermindering en de vorderingen van [appellante3] tot schadevergoeding wegens winstderving ligt dat anders. Het staat vast dat die vorderingen niet toewijsbaar zijn. Het hof zal daarom in dit arrest op die vorderingen beslissen. 4.62 Het hof zal in de zaak met rolnummer 200.309.565/01 (de kwestie van de waardevermindering) het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigen en de vorderingen van [appellanten] alsnog afwijzen. [appellanten] zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure bij de rechtbank (waaronder de kosten van de deskundige) en bij het hof (waarbij het hof voor wat betreft de advocaatkosten in het principaal appel de inspanningen van de advocaten van NAM voor de helft toerekent aan deze kwestie). Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf 14 dagen na die betekening. [appellanten] zullen ook worden veroordeeld tot terugbetaling aan NAM van wat NAM op grond van het vonnis aan hen heeft betaald (de toegewezen hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente en verminderd met de proceskostenveroordeling). 4.63 In de zaak met rolnummer 200.309.566/01 zal het hof het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland bekrachtigen voor wat betreft de vordering van [appellante3] . In het eindarrest zal het hof beslissen over de proceskosten bij de rechtbank en het hof. 4.64 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als één van partijen de beslissingen van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 5De beslissing Het hof: in de zaak met rolnummer 200.309.565/01 5.1 vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 8 september 2021 voor wat betreft de beslissing in de zaak 16-63 (dictum 3.1 tot en met 3.5)en beslist als volgt; 5.2 wijst de vorderingen van [appellanten] betreffende de waardevermindering van de woning en de boerderij af; 5.3 veroordeelt [appellanten] tot terugbetaling aan NAM van € 23.877,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2023; 5.4 veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van NAM tot aan de uitspraak van de rechtbank: € 3.903,- aan griffierecht; € 2.152,35 aan kosten van de deskundige; € 12.856,- aan salaris van de advocaat van NAM (4 procespunten x € 3.214,-); en tot betaling van de volgende proceskosten van NAM in hoger beroep: € 5.610,- aan griffierecht; € 7.929,- aan salaris van de advocaat van NAM (1,5 procespunten x appeltarief € 5.286,-); 5.5 bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na de datum van deze uitspraak. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 5.6 verklaart de veroordelingen onder 5.3 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad; in de zaak met rolnummer 200.309.566/01 5.7 bekrachtigt, onder aanvulling van gronden, het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 8 september 2021 voor zover in de zaak 19-49 de vordering van [appellante3] is afgewezen; 5.8 verwijst de zaak naar de rol van 16 juli 2024 voor akte uitlating deskundigen door beide partijen; 5.9 houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M. Willemse en D.J. Keur, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2024. ECLI:NL:GHARL:2023:3921. ECLI:NL:GHARL:2018:618. ECLI:NL:HR:2019:1278. ECLI:NL:PHR:2019:496, nrs. 4.7.3 - 4.7.5. Grief 1 van [appellanten] faalt. Grief 1 van NAM slaagt, de voorwaarde voor de bespreking van grief 2 van NAM is niet vervuld. De grief 2 en 4 van [appellanten] falen bij gebrek aan belang. Grief 3 van [appellanten] faalt bij gebrek aan belang. Dat is abusievelijk niet in het proces-verbaal vermeld, maar wel verklaard. De oudste raadsheer heeft dat ook in haar eigen aantekeningen vermeld. Zie de vorige noot. Vaste rechtspraak sinds HR 2 december 1994, ECLI:NL:1994:ZC1564 (Poot/ABP), zie ook HR 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2443 en recenter HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1899. Grief 7 van [appellanten] faalt. Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 rov. 2.9.7. Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 rov. 2.10.11. Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6101 rov. 4.17. Het verschil in betekenis tussen voorspellende en verklarende kansen is een gangbaar wetenschappelijk inzicht, zie bijvoorbeeld [naam3] en [naam4] , Van aardbeving tot zoönose, Zutphen 2023, p. 81-87 en 89-99. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.