GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.332.928 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 537827 arrest van 16 januari 2024 in het incident in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats1] (Frankrijk) die hoger beroep heeft ingesteld en een incidentele vordering heeft ingediend en die bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie hierna: [appellant] , advocaat: mr. J. de Wrede tegen: 1 [geïntimeerde1] die woont in [woonplaats2] 2. [geïntimeerde2] B.V. die gevestigd is in [vestigingsplaats] en bij de rechtbank optraden als eisers in conventie en gedaagden in reconventie hierna: gezamenlijk [geïntimeerde1] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] B.V. advocaat: mr. A.W. Hooijen 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden- Nederland, locatie Utrecht, op 21 juni 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: dagvaarding in hoger beroep / appeldagvaarding inclusief incidentele vordering inclusief memorie van grieven met producties, antwoordconclusie in het incident met producties. 1.2. Hierna hebben partijen een kopie van het volledige procesdossier in de procedure gebracht en heeft het hof arrest in het incident bepaald. 2De kern van de zaak 2.1. [appellant] heeft een vaststellingsovereenkomst gesloten met onder andere Van Slooten Beheer B.V. (hierna: Van Slooten). In de vaststellingsovereenkomst zijn, onder meer, afspraken gemaakt over: het aflossen van leningen en bijkomende kosten door [appellant] aan Van Slooten door middel van het verkopen van / verstrekken van een recht van hypotheek op aan [appellant] toebehorende onroerende zaken aan/ten gunste van Van Slooten, het verstrekken van een boedelkrediet ter hoogte van € 50.000,- door Van Slooten aan [appellant] . 2.2. [geïntimeerde1] is bij de rechtbank een procedure tegen [appellant] gestart in verband met de aflossing door [geïntimeerde1] aan Van Slooten van het door Van Slooten aan [appellant] verstrekte boedelkrediet van € 50.000,-. Volgens [geïntimeerde1] : heeft [geïntimeerde1] zich borg gesteld voor het bedrag van € 50.000,- aan boedelkrediet dat door Van Slooten aan [appellant] is verstrekt, heeft [geïntimeerde1] het bedrag van € 50.000,- aan Van Slooten moeten betalen, omdat [appellant] zijn verplichtingen ten opzichte van Van Slooten niet (tijdig) is nagekomen, heeft [geïntimeerde2] B.V. het bedrag van € 50.000,- namens [geïntimeerde1] aan Van Slooten betaald, heeft [appellant] het bedrag van € 50.000,- niet aan [geïntimeerde1] terugbetaald. 2.3. In de procedure bij de rechtbank heeft [geïntimeerde1] (in conventie) betaling van het bedrag van € 50.000,- met wettelijke rente door [appellant] gevorderd. 2.4. [appellant] heeft verweer gevoerd en zelf ook (in reconventie) twee vorderingen ingesteld. 2.5. De rechtbank heeft [geïntimeerde2] B.V. niet-ontvankelijk verklaard, de vordering (in conventie) van [geïntimeerde1] toegewezen en de vorderingen van [appellant] (in reconventie) afgewezen. De rechtbank heeft de veroordeling tot betaling door [appellant] aan [geïntimeerde1] van het bedrag van € 50.000,- met wettelijke rente uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.6. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. 2.7. In het incident vordert [appellant] schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 21 juni 2023 op grond van artikel 351 in samenhang met artikel 438 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 3De motivering van de beslissing in het incident 3.1. [appellant] woont in Frankrijk, zodat de zaak een internationaal karakter heeft. Het hof moet daarom ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is. Dat is het geval, alleen al omdat [appellant] voor de rechtbank is verschenen zonder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten en geen sprake is van een ander gerecht dat bij uitsluiting bevoegd is (zie artikel 26 Brussel I bis-verordening). Verder staat niet ter discussie dat Nederlands recht van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen. 3.2. Het hof beoordeelt de vordering aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). Een veroordeling is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden. 3.3. [appellant] baseert zijn vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis op zijn stelling dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.