Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000667-23 Uitspraak d.d.: 24 juni 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank MiddenNederland, zittingsplaats Utrecht , van 7 februari 2023 met parketnummer 16-261736-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977, wonende te [adres] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis, en dan speciaal tegen de door de rechtbank opgelegde straf, hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juni 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, naar voren is gebracht. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door het slachtoffer naar voren is gebracht en namens de benadeelde partij door haar advocaat mr. T.C. Cooman. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft de verdachte voor verkrachting veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden, en tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij in de nacht van [pleegdatum 1] 2019 op [pleegdatum 2] 2019 te [plaats] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het vast- en/of beetpakken van de polsen/armen en/of (daarmee) overwicht houden en/of - het opzij duwen en vasthouden van het (linker) been en/of - het bij de keel vast pakken en/of (dicht) knijpen van/in de keel [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die van [slachtoffer] , te weten onder meer - het duwen/brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die van [slachtoffer] - die van [slachtoffer] bij haar polsen/armen vast houden en/of daarmee overwicht op haar houden en/of - het bij de keel vast pakken en/of (dicht) knijpen van/in de keel en/of - ( terwijl die van [slachtoffer] te kennen gaf te willen stoppen met de seks en/of onder meer vocht en/of bewoog en/of sloeg) voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die van [slachtoffer] . Overweging met betrekking tot het bewijs De verdachte heeft het hem tenlastegelegde niet ondubbelzinnig bekend. Hij heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren wat zich de bewuste nacht precies heeft afgespeeld doordat hij toen vergaand onder invloed van drank en drugs was. Hij en zijn raadsman hebben ter zitting van het hof echter geen verweer gevoerd tegen de bewijsvoering en de bewezenverklaring van de rechtbank. De raadsman is slechts ingegaan op de strafmaat, die voor het Openbaar Ministerie de reden voor het hoger beroep heeft gevormd. Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen zoals die door de rechtbank zijn opgesomd en zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof heeft daarbij gelet op de verklaringen van verdachte die hij heeft afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de nacht van [pleegdatum 1] 2019 op [pleegdatum 2] 2019 te [plaats] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het vast- en/of beetpakken van de polsen/armen en/of (daarmee) overwicht houden en/of - het opzij duwen en vasthouden van het (linker) been en/of - het bij de keel vast pakken en/of (dicht) knijpen van/in de keel [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die van [slachtoffer] , te weten onder meer - het duwen/brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die van [slachtoffer] - die van [slachtoffer] bij haar polsen/armen vast houden en/of daarmee overwicht op haar houden en/of - het bij de keel vast pakken en/of (dicht) knijpen van/in de keel en/of - ( terwijl die van [slachtoffer] te kennen gaf te willen stoppen met de seks en/of onder meer vocht en/of bewoog en/of sloeg) voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die van [slachtoffer] . Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: verkrachting. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden, en daarbij tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. De raadsman heeft verzocht verdachte diezelfde straffen op te leggen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en heeft daarbij gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting. Dat is een ernstig feit, waardoor de verdachte op zeer grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar belangen ondergeschikt heeft gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften van dat moment. Het hof rekent het de verdachte ook zwaar aan dat de verkrachting plaats vond in de woning van het slachtoffer, een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan zeer langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. Ook in dit geval ondervindt het slachtoffer nog steeds klachten. De stukken in het dossier en de door het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen en aan het hof overgelegde slachtofferverklaring geven daarvan ook blijk. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS. Voor verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Het hof houdt in het voordeel van de verdachte echter rekening met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals deze ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep door de hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. In het reclasseringsrapport van 29 mei 2024 valt te lezen dat het leven van verdachte na het onderhavige feit een drastische wending heeft genomen. Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde verslaafd aan crack en cocaïne maar is sinds 2019 abstinent van middelen. Verdachte geeft inmiddels als ervaringsdeskundige voorlichting aan derden en zijn psychosociaal functioneren wordt als stabiel gezien, nu hij is ingesteld op medicatie tegen schizofrenie en sprake is van ziektebesef en acceptatie ten aanzien van die diagnose. Verdachte heeft benadrukt dat hij ten tijde van het ten laste gelegde feit verslaafd was, maar nu zijn in positieve zin veranderde leven wil voortzetten. Daarbij is de angst uitgesproken dat detentie de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte zou kunnen doorkruisen. Naar het zich laat aanzien heeft het leven van verdachte sinds het onderhavige feit een positieve wending genomen, hetgeen steun vindt in het reclasseringsrapport van 29 mei 2024 en het bericht van de ambulant begeleider van verdachte. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze positief te waarderen lijn wordt doorgetrokken. Het hof is echter alleen al gelet op de ernst van het feit maar ook gelet op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet echter op de hiervoor genoemde positieve ontwikkeling van verdachte, zal het hof de verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijk kortere duur dan in beginsel passend en geboden wordt geacht, de maximale taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Deze strafmodaliteit brengt niet alleen de ernst van het feit tot uitdrukking, maar daarmee wordt ook tegemoet gekomen aan de positieve ontwikkelingen van verdachte. Het is de verwachting van het hof dat het ondergaan van deze relatief korte gevangenisstraf verdachtes woon- en werkomstandigheden niet blijvend zal beschadigen. Het voorwaardelijk strafdeel heeft daarbij ook als doel om verdachte te ondersteunen in zijn voornemen definitief af te rekenen met zijn verslaving en niet opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof betrekt in zijn oordeel ook, dat het bewezenverklaarde feit inmiddels ruim vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden. De opsporing heeft na de aangifte tot verdriet van aangeefster tweeëneenhalf jaar stil gelegen. De vervolging heeft daarna met voortvarendheid plaatsgevonden. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en de maximale taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Inleiding De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 17.120,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.