← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:4402

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.320.072 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 257501) arrest van 2 juli 2024 in de zaak van 1 [appellant1] ,

  1. [appellant2],
  2. [appellant3], die allen wonen in [woonplaats1] , die hoger beroep hebben ingesteld, en bij de rechtbank optraden als eisers, hierna: [appellanten] . (voor
  3. t/m 3.), [appellant1] (voor
  4. en 2.) en [appellant3] (voor 3.), advocaat: aanvankelijk mr. J. van der Vinne, daarna mr. H.N. ‘s Jacob die zich heeft onttrokken voor [appellant3] tegen 1VvE Appartementencomplex [adres1] te [woonplaats1] , die is gevestigd in [woonplaats1] ,
  5. [geintimeerde2],
  6. [geintimeerde3],
  7. [geintimeerde4], die allen wonen in [woonplaats1] , en bij de rechtbank optraden als gedaagden, hierna: VvE, [geintimeerde2] , [geintimeerden 3 en 4] (voor [geintimeerde3] en [geintimeerde4] samen) en [geintimeerden 2,3 en 4] (voor [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] samen) advocaat: mr. M.J. Drijftholt (voor 1.) en mr. M.D. Ubbink (voor
  8. t/m 4.). 1Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 24 januari 2023 heeft op 17 april 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de memorie van grieven de memorie van antwoord zijdens de VvE de memorie van antwoord zijdens [geintimeerden 2,3 en 4] Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2De kern van de zaak 2.
  9. [appellant1] , [appellant3] , [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] zijn allen appartementseigenaars in het appartementencomplex ‘ [adres1] ’ in [woonplaats1] . De appartementen van [geintimeerde2] (nr. [nummer1] ) en Remijn c.s.(nr. [nummer2] ) liggen naast elkaar op de begane grond. Het appartement van [appellant1] ( [nummer3] ) ligt boven dat van [geintimeerden 3 en 4] en het appartement van [appellant3] (nr. [nummer4] ) ligt, met een verdieping daartussen, boven dat van [geintimeerde2] . [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] hebben ieder een terrasoverkapping geplaatst. Volgens [appellanten] hebben [geintimeerden 2,3 en 4] daarmee het reglement van de VvE geschonden, omdat de vereiste toestemming van de VvE en de publiekrechtelijke vergunning of toestemming voor het plaatsen van hun terrasoverkappingen ontbraken. Ook is volgens hen sprake van onrechtmatige hinder omdat de terrasoverkappingen het zicht op de gemeenschappelijke tuin ontnemen en een hinderlijke reflectie van zonlicht veroorzaken. 2.
  10. [appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd dat de VvE op straffe van een dwangsom wordt bevolen [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] schriftelijk te waarschuwen en te wijzen op de overtreding van het reglement en als zij niet binnen een maand tot verwijdering van hun terrasoverkappingen zijn overgegaan hen ieder een boete op te leggen van € 750,- per dag totdat de eigen terrasoverkapping geheel is verwijderd. Daarnaast hebben [appellanten] gevorderd dat [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] ieder op straffe van een dwangsom worden veroordeeld om hun respectievelijke terrasoverkappingen te verwijderen. 2.
  11. De rechtbank heeft bij vonnis van 16 juni 2021 de vorderingen van [appellanten] . afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 3Het oordeel van het hof De beslissing 3.
  12. Het hof zal nog geen eindarrest wijzen, maar [appellanten] zullen worden toegelaten tot het leveren van bewijs dat – kort gezegd - aan [geintimeerde2] slechts voorwaardelijke toestemming is gegeven voor de door haar gerealiseerde terrasoverkapping en dat niet door alle eigenaars van de VvE aan [geintimeerden 3 en 4] toestemming is gegeven voor de door hen gerealiseerde terrasoverkapping. Na bewijslevering kan aan de orde komen of de VvE is gehouden op te treden tegen [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] en of de door [geintimeerden 3 en 4] en [geintimeerde2] geplaatste terrasoverkappingen onrechtmatige hinder jegens [appellanten] opleveren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Het hof legt hierna uit hoe het tot zijn beslissing komt. Inleiding 3.
  13. Het hof gaat uit van de door de rechtbank in 2.
  14. tot en met 2.
  15. van het vonnis van 16 juni 2021 vastgestelde feiten. In de kern komen die neer op het volgende. 3.
  16. Op 4 april 2013 is in de vergadering van eigenaars van de VvE een besluit genomen over de door [geintimeerde2] en haar echtgenoot gevraagde toestemming voor het plaatsen van een zonnescherm (hierna: het besluit van 4 april 2013). Die toestemming werd gevraagd in verband met artikel 22 van het reglement van de VvE waarin staat dat het zichtbaar aanbrengen van zonweringen in of aan het gebouw slechts mag geschieden met toestemming van de vergadering of volgens regels te bepalen in het huishoudelijk reglement. 3.
  17. In de op 6 juni 2013 aan de eigenaars verstuurde notulen van die vergadering staat: “De heer en mevrouw [geintimeerde2] vragen toestemming voor het plaatsen van een zonnescherm over de volle breedte en diepte van hun terras. Zie de bijlage. Tijdens de vergadering ontstaat een discussie, afgesproken wordt dat eerst de architect kijkt naar het definitieve voorstel van de heer en mevrouw [geintimeerde2] voordat door de vergadering toestemming wordt verleend. Alle leden kunnen zich in dit voorstel vinden.” 3.
  18. De voorzitter van de vergadering heeft een dag later, bij e-mail van 7 juni 2013 aan alle eigenaren de notulen als volgt verbeterd: “Gister hebben jullie per mail van mij de notulen van de laatste vergadering gekregen. Echter ik heb daarin niet goed verwoord, bij agendapunt 9, dat er wel degelijk toestemming is verleend voor het aanbrengen van zonwering, zoals verzocht door de fam. [geintimeerde2] . Hiervoor dan ook onze excuses. Tijdens de laatste vergadering is hier ook over gestemd en dus toestemming verleend.” Op deze e-mail is door de eigenaars niet gereageerd. 3.
  19. In de vergadering van eigenaars van de VvE van 22 juli 2014 is gesproken over een door een andere eigenaar (de heer [naam1] ) gevraagde toestemming voor het plaatsen van glazen panelen op zijn balkon. In de notulen van die vergadering staat: “De heer en mevrouw [geintimeerde2] verwerpen elke aanpassing van het uiterlijk van het gebouw. In een vorige vergadering hebben zij een verzoek neergelegd voor het plaatsen van een terrasoverkapping. Dit is destijds door de vergadering goedgekeurd echter met een opmerking dat de architect hierop bezwaar zou kunnen hebben. De heer [geintimeerde2] geeft aan dat na consultering van een architect zij afgezien hebben tot plaatsing hiervan. Om de zelfde reden vindt de heer [geintimeerde2] dat de familie [naam1] van hun voornemen moet afzien van hun verzoek.” 3.
  20. De eigenaars van de VvE hebben door plaatsing van hun handtekeningen op een document gedateerd 12 november 2019 toestemming gegeven aan [geintimeerden 3 en 4] voor het plaatsen van een zonwering (hierna: het besluit van 12 november 2019). Artikel 50 lid 3 van het reglement bepaalt dat met een besluit van de vergadering van eigenaars gelijk staat een voorstel, waarmee alle eigenaars schriftelijk hun instemming hebben betuigd, fax en e-mail daaronder begrepen. 3.
  21. Op 31 maart en 1 april 2020 hebben [geintimeerden 3 en 4] en [geintimeerde2] ieder een terrasoverkapping (zonwering) aangebracht over de gehele lengte en breedte van hun terrassen. 3.
  22. Het hof voegt aan deze feiten toe dat artikel 7 van het reglement van de VvE bepaalt dat een krachtens (huishoudelijk) reglement of besluit van de vergadering toegestane inwendige of uitwendige wijziging van het gebouw eerst mag worden aangebracht nadat daarvoor de eventueel vereiste publiekrechtelijke vergunning of toestemming is verkregen. Het college van B&W van de gemeente [woonplaats1] heeft bij besluit van 21 april 2022 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van de overkappingen. Een daartegen door [appellanten] ingediend bezwaar is door het college ongegrond verklaard. [appellanten] . hebben hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Het geschil tussen [appellanten] en de VvE . 3.
  23. [appellanten] leggen aan hun vordering jegens de VvE ten grondslag dat [geintimeerde2] en [geintimeerden 3 en 4] met het plaatsen van hun overkappingen het reglement van de VvE hebben overtreden en dat het bestuur van de VvE op grond van het reglement (artikel 41) en het huishoudelijk reglement (artikel 19) van de VvE verplicht is hen schriftelijk te waarschuwen en als daaraan geen gevolg wordt gegeven een boete van € 750,- op te leggen. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een overtreding van het reglement rusten op [appellanten] 3.
  24. Het hof zal voor de bespreking van dat geschil tussen [appellanten] en de VvE en eerst ingaan op het centrale twistpunt tussen deze partijen, te weten of met het besluit van 4 april 2013 aan [geintimeerde2] en met het besluit van 12 november 2019 aan [geintimeerden 3 en 4] toestemming is gegeven voor het plaatsen van de overkappingen (hierna samen: de besluiten). Als uitgangspunt geldt daarbij dat een besluit van een rechtspersoon, waaronder de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex, volgens de CAO-norm moet worden uitgelegd, wat betekent dat het voor de uitleg van een besluit bepalend zijn de bewoordingen van het besluit, gelezen in het licht van de gehele tekst van het besluit, waarbij de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende interpretaties en de aard en strekking van het besluit ook relevant zijn. Niettemin is er ook ruimte voor subjectieve uitlegfactoren, waarvan het hof hier noemt de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan het besluit. De aan [geintimeerde2] gegeven toestemming 3.
  25. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan [geintimeerde2] tijdens de vergadering van 4 april 2013 onvoorwaardelijke toestemming is verleend voor het plaatsen van de terrasoverkapping. [appellanten] zijn het daar niet mee eens. Zij vinden dat aan de toestemming de voorwaarde was verbonden dat de architect van het appartementencomplex ‘ [adres1] ’ zijn goedkeuring zou geven aan de terrasoverkapping en die voorwaarde is niet vervuld. Dat blijkt volgens [appellanten] uit de in 3.4 en 3.6 aangehaalde passages uit de notulen van de vergaderingen van 4 april 2013 en 22 juli 2014 en ook uit een verklaring van [appellant3] van 23 juni 2023 (productie 19 bij memorie van grieven) die bij die vergaderingen aanwezig was. 3.
  26. Het hof overweegt dat de door [appellanten] aangehaalde notulen taalkundig de door [appellanten] geven uitleg niet zonder meer steunen maar ook niet uitsluiten. Uit de hiervoor in 3.4 geciteerde passage uit de notulen van 6 juni 2013 blijkt dat de eigenaars voor de door [geintimeerde2] gevraagde toestemming in ieder geval van belang vonden dat eerst ‘de architect’ naar de plannen van [geintimeerde2] zou kijken. Daarop wijst ook de in 3.6 aangehaalde passage uit de notulen van 22 juli 2014, waaruit valt op te maken dat [geintimeerde2] na raadpleging van een architect aanleiding zag van de bouw van de terrasoverkapping af te zien. Uit de in 3.5 geciteerde passage uit de e-mail van de voorzitter van 7 juni 2013 blijkt dat de eigenaars weliswaar toestemming aan [geintimeerde2] hebben gegeven, maar dat laat ruimte voor de mogelijkheid dat met het besluit is bedoeld toestemming voor de terrasoverkapping te geven onder de voorwaarde dat ook de architect van het appartementencomplex daarmee zou instemmen. Deze uitleg wordt gesteund door de verklaring van [appellant3] , waarin staat dat zij zich herinnert dat de vergadering op 4 april 2013 - na een in felle bewoordingen gevoerd debat tussen voor- en tegenstanders - besloot in te stemmen onder de voorwaarde dat de architect met het ontwerp akkoord kon gaan. Deze uitleg wordt echter weersproken door de door [geintimeerden 2,3 en 4] overgelegde verklaring van eigenaars [naam2] van 1 september 2023 (productie 3 bij memorie van antwoord van [geintimeerden 2,3 en 4] ), waarin staat dat over de consultatie van een architect niet is gestemd. 3.
  27. Omdat partijen erover van mening verschillen of destijds is besloten de toestemming tot het aanleggen van een terrasoverkapping afhankelijk te maken van de voorwaarde van toestemming van de architect van het appartementencomplex, en de hierboven weergegeven voor de uitleg relevante elementen daarover geen uitsluitsel geven over het antwoord op deze vraag, zullen [appellanten] overeenkomstig hun aanbod worden toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat tijdens de vergadering van 4 april 2013 aan [geintimeerde2] verleende toestemming voor het plaatsen van de overkapping is gegeven onder de voorwaarde dat de architect van het appartementencomplex daarmee zou instemmen. Het hof acht het aanvaardbaar dat het de verklaringen van de bij de vergadering aanwezige eigenaars en eventueel de voorzitter bij de uitleg van het besluit betrekt. Het gaat hier immers om het geval van een intern besluit dat op dat moment alleen de toenmalige eigenaars raakte, waarbij de objectieve factoren geen uitsluitsel geven over de inhoud van het besluit. De aan [geintimeerden 3 en 4] gegeven toestemming 3.
  28. [appellanten] bestrijden het oordeel van de rechtbank dat de door de VvE aan [geintimeerden 3 en 4] gegeven toestemming ziet op de door [geintimeerden 3 en 4] geplaatste overkapping. Die toestemming blijkt volgens de VvE en [geintimeerden 3 en 4] uit het buiten vergadering met algemene stemmen genomen besluit (zie 3.7 van dit arrest) van 12 november 2019 zoals overgelegd als productie 7 bij dagvaarding (hierna: het document), waarop alle eigenaars hun handtekening hebben geplaatst. Aan de bovenzijde van het document staat: “Hierbij geven de onderstaande bewoners toestemming aan [geintimeerden 3 en 4] voor het plaatsen van een zonnewering aan/op hun terras. Uitvoering gelijk aan [nummer1] (besluit vve vergadering 4 april 2013)” 3.
  29. [appellanten] betwisten niet dat alle eigenaars het document hebben ondertekend. Zij stellen dat er twee redenen zijn op grond waarvan de vergadering van de VvE aan [geintimeerden 3 en 4] niet schriftelijk toestemming hebben verleend voor het plaatsen van hun terrasoverkapping. 3.
  30. In de eerste plaats stellen zij dat de zin “Uitvoering gelijk aan [nummer1] (besluit vve vergadering 4 april 2013)” niet voorkwam op het geschrift dat zij hebben ondertekend. Zij verwijzen ter ondersteuning van hun stelling dat het geschrift is vervalst naar het rapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) van 21 oktober 2021 (productie 17 van [appellanten] ). Het NFO schrijft dat de door haar onderzochte kopie van het document sporen van montage bevat bestaande uit een afvlakking van de lus van de bovenste handtekening op het document en een streep onder de woorden “ [nummer1] (besluit vve vergadering 4 april 2013)”. Het NFO concludeert dat “de resultaten op basis van het huidige onderzoeksmateriaal veel waarschijnlijker zijn wanneer het betwiste document een middels listige kunstgrepen valselijk opgemaakt document betreft dan wanneer het om een authentiek document gaat”. In de tweede plaats stellen [appellanten] dat [geintimeerde2] , toen zij hen verzocht het document te ondertekenen, hen heeft verteld dat de gevraagde toestemming zag op een zonnescherm gelijk aan de zonneschermen van het nabijgelegen gebouw C, die schuin aflopen en het zicht van de bovengelegen appartementen niet aantasten. Zij stellen dus dat niet alle eigenaars van de VvE toestemming hebben gegeven voor de terrasoverkapping zoals die is geplaatst door [geintimeerden 3 en 4] De VvE en [geintimeerden 2,3 en 4] weerspreken dat het document is gemanipuleerd en beroepen zich op verklaringen van eigenaars [naam3] , die de bovenste handtekening heeft geplaatst, en [naam2] (productie A-6 bij conclusie van antwoord van de VvE), waarin staat dat de in 3.15 geciteerde tekst reeds op het op document stond toen zij dat ondertekenden. Ook betwisten zij gemotiveerd dat [geintimeerde2] bij het ondertekenen van het document de door [appellanten] gestelde uitlatingen heeft gedaan. [appellanten] zullen daarom overeenkomstig hun aanbod tot bewijs van hun stellingen worden toegelaten. 3.
  31. Na levering van het in 3.14 en 3.17 bedoelde bewijs kan aan de orde komen of de VvE moet optreden tegen [geintimeerden 2,3 en 4] zoals door [appellanten] wordt verlangd en of de door [geintimeerden 3 en 4] en [geintimeerde2] gerealiseerde overkappingen onrechtmatige hinder jegens [appellanten] opleveren. Voor die laatste beoordeling kan immers ook van belang zijn of de VvE toestemming voor het realiseren van die overkappingen heeft gegeven. 3.
  32. Het hof overweegt verder dat het voorbij gaat aan de stelling van de VvE en [geintimeerden 2,3 en 4] dat op grond van artikel 8 van het huishoudelijk reglement [geintimeerde2] als enige bestuurder van de VvE ook de bevoegdheid heeft om schriftelijk toestemming te geven aan [geintimeerden 3 en 4] voor het plaatsen van de overkapping. De VvE en [geintimeerden 2,3 en 4] voeren immers aan dat de vereiste toestemming door de eigenaars buiten vergadering aan [geintimeerden 3 en 4] is gegeven en beroepen zich niet op een door [geintimeerde2] als bestuurder van de VvE aan [geintimeerden 3 en 4] gegeven toestemming. Het hof verwerpt ook het betoog van de VvE en [geintimeerden 2,3 en 4] dat [appellanten] geen belang hebben bij hun vordering omdat als de besluiten gebrekkig zouden zijn, de vergadering alsnog de vereiste toestemming zal geven voor de overkappingen en [geintimeerden 3 en 4] ook niet anders behandeld kan worden dan [geintimeerde2] . Ook als dat juist zou zijn, verandert dat niet dat [geintimeerden 2,3 en 4] voor het realiseren van hun overkappingen nog steeds daadwerkelijk de door het reglement vereiste – met de daaraan door wet en reglement verbonden waarborgen - toestemming nodig hebben. Een verwachte toestemming van de vergadering is niet voldoende. Tot slot verwerpt het hof de stelling van de VvE en [geintimeerden 2,3 en 4] dat [appellanten] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen omdat zij de besluiten niet overeenkomstig art. 5:130 lid 2 BW binnen een maand na kennisneming daarvan ter vernietiging aan de kantonrechter hebben voorgelegd. [appellanten] betogen immers niet dat de besluiten niet rechtsgeldig zijn, maar voeren aan dat met die besluiten [geintimeerden 2,3 en 4] geen toestemming is gegeven voor de door hen gerealiseerde overkappingen. 3.
  33. Verder verwerpt het hof ook de stelling van [appellanten] dat de VvE moet optreden tegen [geintimeerden 2,3 en 4] omdat de overkappingen zijn gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste publiekrechtelijke vergunningen. Inmiddels staat vast dat het college van B&W van [woonplaats1] voor het plaatsen van de overkappingen een tijdelijke omgevingsvergunning heeft verleend. Zonder toelichting van [appellanten] , die ontbreekt, valt niet in te zien dat de VvE van [geintimeerden 2,3 en 4] kan verlangen dat zij hun overkappingen verwijderen op de enkele grond dat de omgevingsvergunning pas na plaatsing is verstrekt en welk te respecteren belang de VvE daarbij zou hebben. Van de VvE kan daarom niet worden gevergd dat zij op deze grond handhavend tegen [geintimeerden 2,3 en 4] optreedt. 3.
  34. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: 4.
  35. Laat [appellanten] toe tot het leveren van het bewijs dat tijdens de vergadering van 4 april 2013 aan [geintimeerde2] verleende toestemming voor het plaatsen van de terrasoverkapping is gegeven onder de voorwaarde dat de architect van het appartementencomplex daarmee zou instemmen. 4.
  36. Laat [appellanten] toe tot het leveren van bewijs dat niet door alle eigenaars van de VvE toestemming is gegeven voor de door [geintimeerden 3 en 4] geplaatste overkapping. 4.
  37. Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. M. Wallart de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn. 4.
  38. [appellanten] moeten op dinsdag 30 juli 2024 (roldatum) laten weten hoeveel getuigen zij willen laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is. 4.
  39. [appellanten] moeten de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartijen en de griffier van het hof opgeven. 4.
  40. Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartijen daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen. 4.
  41. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, A.J.J. van Rijen en M. Wallart, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.