GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 22/614 uitspraakdatum: 9 juli 2024 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] h.o.d.n. [naam1] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 februari 2022, nummer AWB 21/82320/3557, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft op aangifte belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, een vergoeding voor immateriële schade toegekend en beslissingen genomen over de proceskosten en het griffierecht. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingediend. Zowel belanghebbende als de Inspecteur hebben een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft, op digitale wijze, plaatsgevonden op 20 maart 2024. Namens belanghebbende is verschenen A.F.M.J. Verhoeven. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat naar partijen is verzonden. Deze zaak is gelijktijdig en gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van belanghebbende met nummer BK-ARN 22/613. 1.6. Bij beslissing van 29 mei 2024 heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken beslist dat geen gerechtvaardigde grond bestaat voor mr. J.M.W. van de Sande om zich in deze procedure te verschonen. 2. Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 26 augustus 2019 op aangifte een bedrag van € 5.829 aan BPM voldaan voor een Bürstner 5030 (VIN-nr: [nummer1] ). Dit betreft een uit een andere lidstaat geïmporteerde gebruikte kampeerauto. Belanghebbende heeft de verschuldigde belasting berekend door de vermindering te bepalen op basis van het percentage van de forfaitaire afschrijvingstabel. 2.2. Het hiertegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur ontvangen op 25 september 2019. Het bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2021 ongegrond verklaard. 2.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende heeft gekozen voor toepassing van het afschrijvingspercentage van de forfaitaire tabel om de verschuldigde BPM te berekenen en dat op de Inspecteur niet de bewijslast rust om te bewijzen dat belanghebbende met deze keuze niet méér belasting heeft betaald dan nog rust op een reeds op de Nederlandse markt geregistreerde kampeerauto. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat geen rentevergoeding is verschuldigd en dat vooraf griffierecht mag worden geheven. Tot slot heeft de Rechtbank vanwege overschrijding van de redelijke termijn een vergoeding voor immateriële schade toegekend. De Rechtbank heeft bij de bepaling van de redelijke termijn aanleiding gezien de termijn te verlengen met vier maanden vanwege de coronapandemie. De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien de termijn te verlengen vanwege afspraken die belanghebbendes gemachtigde en de Inspecteur hebben gemaakt over de periode november 2019 tot en met februari 2020. De Rechtbank heeft de overschrijding van de redelijke termijn bepaald op 3 maanden en de schadevergoeding vastgesteld op € 500 en die volledig toegerekend aan de Inspecteur. De Rechtbank heeft in de toekenning van de schadevergoeding aanleiding gezien de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten voor de beroepsfase tot een bedrag van € 541 en daarbij een factor 0,5 wegens het gewicht van de zaak toegepast. Ook heeft de Rechtbank bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden. 3Geschil 3.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd: De Rechtbank heeft in strijd met het Unierecht uitleg gegeven aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: het Handvest) door te oordelen over de vergoeding voor immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn, de proceskostenvergoeding en het vooraf heffen van griffierecht. De Rechtbank heeft in strijd met het Unierecht uitleg gegeven aan artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) door te oordelen dat geen rentevergoeding is verschuldigd en dat de verschuldigde belasting voor de onderhavige kampeerauto niet te hoog is vastgesteld. Ook het Hof mag het Unierecht niet uitleggen zonder prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De Rechtbank heeft ten onrechte de redelijke termijn verlengd met vier maanden vanwege de coronapandemie. De Rechtbank heeft in strijd met het discriminatieverbod de proceskostenvergoeding te laag vastgesteld. In hoger beroep is de redelijke termijn overschreden hetgeen moet leiden tot een vergoeding van immateriële schade. 3.2. De Inspecteur heeft in zijn incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte de redelijke termijn niet heeft verlengd met drie maanden vanwege de afspraken die zijn gemaakt tussen de Inspecteur en de gemachtigde en vier maanden vanwege de non-coöperatieve houding van de gemachtigde. In de tweede plaats heeft de Rechtbank ten onrechte een proceskostenvergoeding ten laste van de Inspecteur uitgesproken, omdat vanwege de no cure no pay-afspraken geen sprake is van daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand die belanghebbende heeft gemaakt. 3.3. De Inspecteur heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht omdat belanghebbende, althans zijn gemachtigde, procedeert tegen beter weten in. Om die reden verzoekt de Inspecteur om belanghebbende, naar het Hof begrijpt voor zowel de behandeling van het beroep als het hoger beroep, te veroordelen in de proceskosten van de Inspecteur. 4Beoordeling van het geschil Bevoegdheid uitleggen van het Unierecht 4.1. De gemachtigde voert aan dat de nationale rechters, waaronder de Rechtbank, het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft. 4.2. De nationale rechters zijn volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie verplicht het Unierecht toe te passen. Slechts als bij die toepassing vragen rijzen over de uitleg van het Unierecht bestaat aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie om het Unierecht uit te leggen. Hierbij geldt dat, waar het gaat om de toepassing van Unierecht, alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld, op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht heeft om om uitleg te vragen. Dit is slechts anders als het gaat om de vraag of een handeling van een instelling van de Unie geldig is, maar daarvan is in dit geval geen sprake. 4.3. In onderhavige procedure bestaat naar het oordeel van het Hof geen onduidelijkheid over de toepassing van het Unierecht, omdat het Hof van Justitie het in deze procedure relevante Unierecht al heeft uitgelegd in bestendige rechtspraak. Daarom is uitleg van het Unierecht, zoals bedoeld in artikel 267 van het VWEU, niet aan de orde. Vooraf heffen van griffierecht 4.4. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling over het (vooraf) heffen van griffierecht niet een onoverkomelijk obstakel vormt voor de toegang tot de rechter. Van strijdigheid met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid is dan ook geen sprake. 4.5. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien de heffing van griffierecht het voor hem uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een rechtsgang. Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Hoogte verschuldigde BPM kampeerauto 4.6. In hoger beroep heeft de gemachtigde zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald, namelijk dat de afschrijving bepaald moet worden door uit te gaan van de inkoopwaarde van een op de Nederlandse markt aanwezige gesloten bestelauto, omdat voor vergelijkbare nieuw op de Nederlandse markt geregistreerde kampeerauto's de belasting is vastgesteld op basis van de gesloten bestelauto waarop de kampeerauto is gebouwd. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat de Rechtbank ten onrechte de uitspraak van de Hoge Raad van 12 mei 2017 heeft gevolgd, omdat de Hoge Raad in die uitspraak het Unierecht heeft uitgelegd zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Bovendien volgt uit artikel 110 van het VWEU dat op de Inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat niet teveel belasting is betaald, aldus de gemachtigde. De gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de in de aangifte opgenomen berekening van de verschuldigde belasting verder niet in geschil is. 4.7. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof terecht en op goede gronden geoordeeld dat het wettelijke systeem voldoet aan de eisen van artikel 110 van het VWEU, omdat belanghebbende de mogelijkheid heeft om de werkelijke waardevermindering in aanmerking te nemen in geval de waardevermindering van de forfaitaire tabel die onvoldoende benadert. Door in de aangifte uit te gaan van het afschrijvingspercentage van de forfaitaire tabel heeft belanghebbende zich kennelijk neergelegd bij de juistheid van de als gevolg daarvan in aanmerking te nemen waardevermindering. Het standpunt van de gemachtigde, dat het op de weg zou liggen van de Inspecteur om in dit geval aannemelijk te maken dat op die manier een reële waardedaling in aanmerking is genomen waardoor niet teveel belasting is betaald, vindt op geen enkele wijze steun in de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Hoogte vergoeding voor immateriële schade in de beroepsfase 4.8. De Rechtbank heeft de redelijke termijn voor berechting in de beroepsfase verlengd met vier maanden in verband met de coronapandemie. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 mei 2022 is dit ten onrechte. 4.9. Het Hof ziet echter aanleiding om het oordeel van de Rechtbank ten aanzien van de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade in stand te laten omdat er in deze zaak reden bestond om de redelijke termijn met drie maanden te verlengen, zoals de Inspecteur heeft betoogd. Het Hof overweegt daartoe als volgt. 4.10. De Inspecteur heeft onder verwijzing naar de stukken bij zijn incidentele hoger beroep erop gewezen dat hij en de gemachtigde in 2019 afspraken hebben gemaakt in het kader van compromisbesprekingen bij de rechtbank Gelderland. Die afspraken hielden volgens de Inspecteur in, kort weergegeven, dat de gemachtigde gedurende die besprekingen geen beroep zou doen op de redelijke termijn. Die besprekingen hebben drie maanden geduurd. De gemachtigde heeft betwist dat die afspraken ook gelden voor de onderhavige zaken waarvan de beroepen zijn behandeld door de rechtbank Noord-Nederland. 4.11. Tot de stukken waarnaar de Inspecteur heeft verwezen behoort een proces-verbaal van de rechtbank Gelderland van een zitting van 19 november 2019 waaraan de Inspecteur en de gemachtigde hebben deelgenomen. In dat proces-verbaal staat onder meer vermeld: "Tijdens deze regiezitting hebben partijen de volgende werkafspraken gemaakt: 1. Partijen gaan elk een inventarisatie maken om te bezien of en in hoeverre er ruimte is om een compromis te sluiten. Deze inventarisatie bevat alle zaken waarin de gemachtigde als gemachtigde optreedt in bezwaar en alle zaken waarin de gemachtigde als gemachtigde (landelijk) optreedt in beroep, hoger beroep en cassatie. Aan de hand van deze zaken zullen partijen elk een a-selecte steekproef van 100 zaken (verdeeld over bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie en met verschillende aangiftemethoden) uitvoeren ter beoordeling van de in die zaken spelende geschilpunten. 2. (…) 4. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat tot het einde van het jaar 2019 geen hoorzittingen in bezwaar zullen worden gehouden. 5. (…) 6. De gemachtigde heeft toegezegd zich (voorlopig) niet te zullen beroepen op overschrijding van de redelijke termijn gedurende de periode van de onderhandelingen voor zover zaken in verband daarmee worden aangehouden/uitgesteld. (…)" 4.12. Het Hof stelt vast dat het bezwaarschrift in deze zaak is ontvangen op 25 september 2019 en dat op 10 februari 2021 uitspraak op het bezwaar is gedaan. Deze zaak bevond zich dus in de bezwaarfase op het moment dat de Inspecteur en de gemachtigde de hier geciteerde werkafspraken maakten. Naar het oordeel van het Hof laten de onder 1, 4 en 6 gemaakte werkafspraken, in onderling verband gelezen, geen andere uitleg toe dan dat zij ook gaan over de zaken die op dat moment in behandeling waren als bezwaar. Dat deze zaak niet is genoemd in de kop van het proces-verbaal, zoals de gemachtigde heeft betoogd, doet hieraan niet af, reeds omdat ten tijde van het maken van de werkafspraken deze zaak nog geen beroepsnummer kon hebben. De conclusie moet zijn dat de gemachtigde zich eraan heeft verbonden om voor deze zaak geen beroep te doen op de redelijke termijn gedurende de periode van de compromisbesprekingen die, zo is niet in geschil, drie maanden bedraagt. 4.13. In het incidenteel hoger beroep heeft de Inspecteur bovendien betoogd dat de redelijke termijn moet worden verlengd met de periode van 30 september 2020 tot en met 19 januari 2021 vanwege de non-coöperatieve houding van de gemachtigde bij het maken van een afspraak voor een hoorzitting in bezwaar. Daarbij heeft de Inspecteur erop gewezen dat de gemachtigde de voorgestelde data afwees met een beroep op de geldende coronamaatregelen en vanwege de beweerdelijk te grote aantallen te behandelen bezwaren op een hoorzitting. Volgens de Inspecteur zijn dit geen redelijke gronden en dient daarom de daardoor opgelopen vertraging voor rekening van belanghebbende te komen. 4.14. De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 november 2022 het toetsingskader uiteengezet ten aanzien van de vraag wanneer een bestuursorgaan voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord over een bezwaar. Uitgangspunt daarbij is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.