GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.327.650/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 516853 arrest van 23 juli 2024 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. W.H.J. Luijer te Loosdrecht, tegen 1 [geïntimeerde1] , die woont in [woonplaats1] ,
(3)weken na betekening van dit vonnis de opdracht te geven de gebreken aan zijn riolering volledig te doen herstellen en na afronding van dat werk, schriftelijk bewijs van herstel aan [geïntimeerden] te doen toekomen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [appellant] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,00 (…)’ 3.20 Op 20 januari 2021 hebben [geïntimeerden] na daartoe verkregen verlof van de rechtbank, beslag gelegd op de woning van [appellant] ter zekerheid van voldoening van de vordering van [geïntimeerden] op [appellant] , die is begroot op € 44.480,80. 3.21 Op 27 januari 2021 heeft Rioolservice Peer een brief gestuurd aan [geïntimeerden] waarin staat dat de herstelwerkzaamheden aan de riolering zijn voltooid. [appellant] heeft het deel van de door hem gebruikte riolering waar het gebrek is geconstateerd laten afsluiten en een nieuwe riolering laten maken met een eigen aansluiting op de riolering van de gemeente Hilversum. 3.22 Op 29 januari 2021 heeft Seppitex, in de persoon van de heer [naam3] , een advies/contra expertise uitgebracht aan [appellant] . Hij schijft naar aanleiding daarvan: ‘Bij het bezoeken van de bovenstaande adressen op 29 januari 2021 heb het volgende geconstateerd: * Er zijn geen knaagdieren of knaagdiersporen aangetroffen. * Er is door bewoners geen activiteit van knaagdieren waargenomen de laatste weken * Bewoners geven aan geen overlast meer te ervaren. Conclusie: Na inspectie en gesprekken met de bewoners ben ik ervan overtuigt dat er momenteel geen overlast is van knaagdieren. Verdere actie of bestrijding is dan ook niet wenselijk.’ 3.23 Op 11 februari 2021 heeft een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport een e-mail gestuurd aan [geïntimeerden] met de volgende inhoud: ‘Zojuist hebben wij elkaar telefonisch gesproken over de geldigheid van het vakbekwaamheidsbewijs ‘plaagdierbestrijding en houtaantastende organismen’ (zo heet het vakbekwaamheidsbewijs inmiddels) van de heer [naam3] . Verificatie bij de exameninstituten (‘PMV en EVM heeft opgeleverd dat de heer [naam3] sinds 2016 niet over een geldig vakbekwaamheidsbewijs meer beschikt. Dit betekent dat hij niet meer gerechtigd is om chemische middelen (Rodenticiden) in te zetten of voorhanden te hebben. Tevens is hij niet gecertificeerd bij het KPMB. Deze certificering is pas sinds 2017 van kracht. Hiervoor is een geldig vakbekwaamheidsbewijs nodig en daar beschikte de heer [naam3] niet over.’ 3.24 Op 14 juni 2021 heeft het Bureau voor Bouwpathologie (hierna: Bouwpathologie) een rapport uitgebracht in opdracht van [geïntimeerden] over onderzoek naar schade in het plafond van de woning van [geïntimeerden] door ongedierte. In het rapport staat: ‘ ANALYSE & CONCLUSIE De langdurige aanwezigheid van ratten rondom het perceel is feitelijk vastgesteld. (…) Afgaande op de mededelingen van de heer [naam4] is het zeer aannemelijk dat de ratten op het plafond van de benedenetage hebben gezeten. Ondanks het feit dat de ratten knaagdieren zijn en de kans zeer aanwezig is dat er beschadigingen zijn ontstaan boven het plafond, zijn er door ondergetekende via de aanwezige openingen in het plafond geen directe schades waargenomen. Op het plafond zijn echter wel mogelijke aanwijzingen naar ongedierte waargenomen, zoals de bevuilde elektrakabels, een uitwerpsel en het vergif wat verspreid ligt over het plafond. DESTRUCTIEF ONDERZOEK & HERSTEL Om een duidelijker schadebeeld te krijgen van de mogelijke aanwezige schade op het plafond wordt geadviseerd om het plafond in de eetkamer op meerdere plaatsen te openen. (...) Om de schades vooralsnog te beperken adviseert ondergetekende dan ook het plafond plaatselijk op diverse plekken te openen. (...) Daaropvolgend kan er een schadeherstelbegroting worden opgemaakt en kan er worden beoordeeld of het gehele plafond van de beneden etage gesloopt dient te worden. (...) Ook dient er rekening gehouden te worden met brandgevaar voor de elektraleidingen. Indien de elektraleidingen zijn beschadigd is er sprake van brandgevaar. Ondergetekende adviseert dan ook om op korte termijn de (ingrijpende) inspectie uit te voeren. De inspectie kan worden aangevuld (indien noodzakelijk) middels het opnieuw aanleggen van het elektrawerk. Door middel van de openingen in het plafond kunnen de elektraleidingen worden verwijderd en eventueel worden hersteld. TOELICHTING HERSTELKOSTENRAMING De totale kosten voor het realiseren van 6 inspectieopeningen en het herstellen van het gehele plafond zoals omschreven in onderhavige rapportage exclusief het vervangen van het elektrawerk worden geraamd op € 6.580,- all-in.’ 3.25 In het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 23 februari 2022 is mevrouw ingenieur [naam5] , bouwkundig schade-expert NIVRE-re, LRGD werkzaam bij de firma Kakeswaal, als deskundige benoemd (hierna: de deskundige). In haar deskundigenbericht opgemaakt op 15 juni 2022 schrijft zij naar aanleiding van het door haar uitgevoerde onderzoek en in antwoord op de door de rechter gestelde vragen: ‘ 6.1 Waarvan de deskundige uitgaat (…) Helaas kon alleen gebruik worden gemaakt van bestaande gaten en sparingen in de plafonds (ter plaatse van verlichting) omdat eiser vreesde voor nevenschade aan het plafond. Demontage/verwijdering van grotere delen van de plafonds zou niet direct hersteld kunnen worden, en eiser wilde niet met een open plafond blijven zitten, zeker niet gezien het vermoeden van uitwerpselen en eventueel kadavers door/van ratten. Hierdoor is de voorzijde van de woonkamer en het gat in de spouw van de achtergevel (uitbouw) niet onderzocht (…) 7Onderzoek en eigen beschouwing(…) Tijdens het onderzoek op 30 mei 2022 is gestart met een warmtebeeldcamera, waarbij zogenaamde hotspots zichtbaar worden. Op 2 plaatsen achter de plafonds van de woonkamer, nabij de aansluiting met de entree en eetkamer, waren 2 hotspots zichtbaar. Na het verwijderen van 3 inbouwspots is met een camera de ruimte achter de plafonds nader onderzocht. Bij de eerste sparing (voor situatie zie onderstaande plattegrond, nr. I) zijn uitwerpselen aangetroffen die zonder meer van ratten afkomstig zijn. Tevens is aangevreten isolatie aangetroffen. De elektraleidingen en overige opstalcomponenten lijken hier geheel in tact. Via de twee andere sparingen (II en III op onderstaande plattegrond) in de plafonds werd niets aangetroffen. Rattengif, wat via een inbouwspot achter het plafond was gestopt, bleek niet aangetast, aldus eiser. Via de ensuite kast (tussen woonkamer en eetkamer) is getracht met de camera achter de plafonds en in de spouwmuur (ruimte tussen de woningscheidende muren, zie IV) te kijken. Door eiser is enige tijd geleden de achterwand van een deel van de kast geopend en vervolgens volgespoten met PURschuim en opnieuw voorzien van een achterwand. Na het verwijderen van de achterwand kon de ruimte hierachter en hiernaast niet worden beoordeeld in verband met de aanwezigheid van PURschuim. Vervolgens is in deze ruimte via een gaatje in het plafond (zie V) het plafond beoordeeld. Achter dit plafond zijn zeer veel uitwerpselen aangetroffen. Deze ruimte heeft als toilet voor de ratten gefungeerd. Na demontage van de hanglamp is getracht een tweede poging te doen om achter het plafond te komen en de staat hier te beoordelen. Het gat bleek echter te klein voor de camera. De medewerker van Belfor wilde, na het demonteren van het schakelmateriaal, een gaatje boren in de muur, achter de elektraleiding, om vanaf hier de spouw te beoordelen, echter werd dit door eiser verboden in verband met tocht via de muur. De toegang vanaf de spouw tot het plafond kon daardoor niet worden bekeken en onderzocht. Elektraleidingen en materiële schade aan plafond of balklaag kon in dit deel van de woning niet worden aangetroffen. In de keuken zijn twee inbouwspots (VI en VII) verwijderd en ook hier is de ruimte achter het plafond beoordeeld. Via één van deze spots is enige tijd geleden rattengif gelegd en deze zou, aldus eiser, toch zijn aangevreten. Achter deze plafonds is ontlasting aangetroffen, echter in mindere mate dan achter het plafond van de eetkamer. Verder is geen materiële schade waarneembaar. Als laatste is de lamp van de entree, ter plaatse van de inpandige doorgang naar de garage, gedemonteerd en is hier een extra gaatje in het plafond geboord (VIII). Eiser verklaarde ons dat er op de muur enige tijd geleden een bloedspoor had gezeten, maar dat dit inmiddels is weggewerkt met latex. Achter dit plafond zijn muizenkeutels aangetroffen. De doorgang tussen keuken en entree is in beeld gebracht, omdat er gedacht werd dat de ratten hier een doorgang hadden gemaakt/geknaagd. Hiervan is echter geen sprake. De houten balklaag, tussen woonkamer en entree, is tijdens de bouw niet volledig ingemetseld, waardoor er rondom de balklaag openingen zijn. (…) 8Antwoorden op de vragen 1) Welke, naar uw oordeel en waarneming thans concreet en feitelijk aanwezige beschadiging van de woning en de tuin van [geïntimeerden] is door ratten veroorzaakt ? Ten tijde van mijn bezoek heb ik de volgende beschadigingen aan de woning en tuin aangetroffen: > Aangetast isolatiemateriaal achter het plafond van de woonkamer. > Gat onder fundering van de aanbouw (eetkamer). > Enkele gaten die leiden naar deels verzakte gangen. > Gat in windbreekgaas. > Verzakking van het gazon en de bestrating. (…) 2) Acht u het waarschijnlijk dat de schade in antwoord op vraag 1 niet alleen door ratten is veroorzaakt ? En zo ja voor welke schade acht u dat waarschijnlijk, waarom en in welke (bij voorkeur met een percentage aan te geven) mate heeft die andere oorzaak aan de betreffende schade bijgedragen en waarom? Met betrekking tot de schade in de woning kan ik melden dat dit volledig is ontstaan door de ratten. Met betrekking tot de tuin zal zeker 75% van de verzakkingsschade te wijten zijn aan de ratten. De overige 25% heeft te maken met natuurlijke verzakking door invloeden van (overmatige) regenval en door menselijke activiteiten (lopen, zitten, spelen) en opslag van tuinmeubels. 3) Welke werkzaamheden zijn noodzakelijk om de schade in antwoord op vraag 1 aan de woning en tuin te herstellen? > Aangetaste Isolatie: om deze te vervangen, zal het plafond van de woonkamer verwijderd moeten worden en nadien opnieuw worden aangebracht en afgewerkt met stuc- en sauswerk. De wanden kunnen bij het demonteren van het plafond beschadigd raken, waardoor deze plaatselijk hersteld moeten worden. De woonkamer dient hierbij leeg te zijn. (…) 4) Welke, naar uw oordeel en waarneming thans concreet en feitelijk aanwezige vervuiling van de woning en tuin van [geïntimeerden] is door ratten veroorzaakt ? Ten tijde van de inspectie is middels een camera-onderzoek de volgende vervuiling aangetroffen: > Ontlasting achter de plafonds van woonkamer, eetkamer en keuken. (…) 5) Is de vervuiling in antwoord op vraag 4 van dien aard dat het opruimen daarvan redelijkerwijs noodzakelijk is? Uit navraag bij Attack plaagdierenbestrijding blijkt dat opgedroogde uitwerpselen van ratten of kadavers van meer dan een maand oud geen geur meer kunnen verspreiden. Het aantrekken van ratten door oude, opgedroogde uitwerpselen of kadavers is daardoor nihil. (…) Ondanks dat het niet hygiënisch is dat er rattenuitwerpselen achter de plafonds en mogelijk in de kruipruimte liggen, is de noodzaak voor het opruimen hiervan niet aanwezig, omdat a.
- a)De ontlasting achter de plafonds en in kruipruimte meer dan een jaar oud is.
- b)De kruipruimte ten tijde van onze inspectie droog was. (…) 7) Kunt u- bij benadering maar zo gespecificeerd met arbeidsuren en actuele tarieven en prijzen- aangeven wat de kosten zijn voor het noodzakelijke herstel en opruimen, hoeveel tijd dat in beslag zal nemen en welke voorzieningen [geïntimeerden] zal dienen te nemen om dat herstel en opruimen mogelijk te maken ? Opstal (…) Totaal opstal inclusief btw € 6.900,57 Tuinaanleg (…) Totaal tuinaanleg inclusief btw € 16.533,74 Extra kosten/voorzieningen (…) Totaal extra kosten/voorzieningen € 1.472,76 Totaal schadebedrag € 24.907,07 8) Kunt u- bij benadering- aangeven of en zo ja welk voordeel (financieel, in levensduur en/of anderszins) [geïntimeerden] krijgt indien door het herstel (oudere) zaken worden vervangen door nieuwe zaken ? Het financiële voordeel in de woning van [geïntimeerde1] omvat het sausen van het plafond. Dit dient normaliter elke 10 jaar plaats te vinden. Gelet op de huidige staat van de wanden en plafonds zou dit financiële voordeel 2 jaar / 20% zijn. Met betrekking tot de tuin bedraagt het financiële voordeel 25% (niet in levensduur uit te drukken). Dit heeft te maken met eventuele natuurlijke aantasting en verzakking en menselijk gebruik en met de huidige staat van het gazon (onderhoud). In geld betekent dit een correctie van € 150,00 op het schilder-/sauswerk en € 4130,00 op de tuinaanleg. (…) 11Reactie van deskundigen op opmerkingen en verzoeken (…) Inhoudelijk (…) 6.(…) Antwoord: het rattentoilet is aangetroffen ter plaatse van de eetkamer, niet ter plaatse van de keuken. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de ontlasting uitgedroogd is. Tevens is er geen geur/stank vrijgekomen tijdens het verwijderen van de inbouwspots en/of het maken van gaten in het plafond. Na research is gebleken dat dit niet tot gezondheidsrisico’s kan leiden, ook niet in een later stadium. Verder is er geen materiële schade ontdekt boven de plafonds van keuken, eetkamer en entree. 7 (…) Antwoord: elektraleidingen liggen in pvc-buizen. Uit het onderzoek ter plaatse zijn nergens restanten van pvc-buizen aangetroffen. Verder heeft zich tot op heden geen stroomstoring voorgedaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen schade aan de leidingen aanwezig is. (…) 12 (…) Antwoord: aantasting van het isolatiemateriaal is alleen vastgesteld ter plaatse van de woonkamer. In de schadeopstelling is rekening gehouden met het vervangen van de isolatie achter dit plafond.’ 3.26 Bij eindvonnis van 14 december 2022 heeft de rechtbank de deskundige in haar schadeberekening gevolgd. Na een vermeerdering van € 627,55 in verband met een marge aangaande prijsstijgingen en een correctie ‘nieuw voor oud’ bij de herstelkosten voor de tuin en het schilderwerk in de woning, heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling van € 21.254,62 aan schadevergoeding. Onrechtmatig handelen 3.27 [geïntimeerden] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat ongeacht de oorzaak van de rattenplaag [appellant] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en onrechtmatige hinder heeft veroorzaakt. [appellant] heeft aanvankelijk geen rooktest in zijn riool laten uitvoeren en heeft nagelaten zijn tuin te ruimen terwijl hij bekend was met de rattenplaag waardoor deze in stand werd gehouden, aldus [geïntimeerden] 3.28 [appellant] heeft hier onder meer tegen ingebracht dat de riolering waar hij aanvankelijk nog gebruik van maakte, mandelig was en dat [geïntimeerden] en hij dus mede-eigenaar waren van de defecte riolering. Tot het moment dat de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] bij de uitbouw van de woning een eigen riolering en een eigen rioolaansluiting op het riool van de gemeente heeft gerealiseerd, waren beide woningen op het riool aangesloten door middel van deze gemeenschappelijke rioolleiding. Onder het oude recht zijn dergelijke rioolleidingen mandelig op grond van artikel 704 BW (oud). De mandeligheid was door de aanleg van de nieuwe riolering van [geïntimeerden] niet geëindigd, omdat het hemelwater van de beide woningen nog steeds via het gezamenlijke riool werd afgevoerd, aldus [appellant] . Op grond van artikel 5:61 lid 1 sub c BW geldt dat mandeligheid eindigt zodra het nut van de zaak voor elk van de erven is geëindigd. Daarvan was geen sprake, omdat de gemeenschappelijke rioolleiding ook het hemelwater van de woning [geïntimeerden] afvoerde en in ieder geval nog tot nut van [appellant] diende. De verantwoordelijkheid voor een rooktest en het herstel van de defecte riolering rustte, volgens [appellant] daarom zowel op [geïntimeerden] als op hem en dus is er voor [geïntimeerden] geen grond om [appellant] voor onrechtmatig handelen aansprakelijk te houden. 3.29 Het hof over weegt als volgt. Niet in geschil is dat de riolering van nummer 33 en nummer 35 aanvankelijk gemeenschappelijk was. Evenmin in geschil is dat een rechtsvoorganger van [geïntimeerden] op enig moment een eigen riolering met een eigen rioolaansluiting op het riool van de gemeente heeft aangelegd en dat [geïntimeerden] deze rioolleiding in gebruik hebben. Dit riool staat sinds de aanleg ervan niet in verbinding met het riool dat [appellant] in gebruik heeft. [appellant] maakt gebruik van een riool dat in 2021 uiteindelijk in zijn geheel is vernieuwd (vergelijk rechtsoverweging 3.21). Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is namens [appellant] verklaard dat de afvoer van het hemelwater nog gezamenlijk gaat en via een goot op het dak van [appellant] terecht komt. Vervolgens gaat dit hemelwater vanaf het dak van [appellant] via een regenbuis van [appellant] , naar het riool dat bij hem in gebruik is. Anders dan [appellant] meent, rechtvaardigt deze omstandigheid niet de conclusie dat het voorheen gemeenschappelijke riool nog door [geïntimeerden] wordt gebruikt. Van een rechtstreekse aansluiting op het riool is immers geen sprake. Dat [geïntimeerden] het riool dat bij [appellant] in gebruik is, ook anderszins nog gebruiken, blijkt verder nergens uit. Het hof verwijst ter onderbouwing in dit verband naar de brief van 2 november 2020 van Rioolservice Peer aan [appellant] waarin staat beschreven dat tijdens de rooktest een lek of gebrek is geconstateerd van dan wel aan de rioolleiding van [appellant] en dat deze leiding niet bij [geïntimeerden] in gebruik is. Omdat de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] het riool behorend bij nummer 33 zodanig hebben aangelegd, dat het niet meer fysiek in verbinding staat met het riool dat door [appellant] wordt gebruikt, is daarmee destijds aan de mandeligheid een einde gekomen. Het beroep van [appellant] op artikel 5:61 lid 1 sub c BW gaat hier niet op omdat gesteld noch gebleken is dat het hier om een mandeligheid gaat die is ontstaan op grond van een rechtshandeling die is neergelegd in een, in de openbare registers ingeschreven, notariële akte. De conclusie is dan ook dat [appellant] en [geïntimeerden] ieder een eigen riolering gebruiken en dat beide rioleringen zijn aangesloten op één gezamenlijk aansluitpunt van de riolering van de gemeente. Dit aansluitpunt bevindt zich onder de oprit van [geïntimeerden] De door [appellant] gebruikte riolering bevindt zich daarom deels onder het perceel [geïntimeerden] Het is echter [appellant] die als eigenaar de verantwoordelijkheid draagt voor zijn riolering en het gebrek dat daarin is geconstateerd en niemand anders. 3.30 De vraag die zich vervolgens opdringt is of [appellant] door aanvankelijk geen rooktest in zijn riool te laten uitvoeren en door na te laten zijn tuin te ruimen, onrechtmatig heeft gehandeld, namelijk in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betamelijk is. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. 3.31 Dat ratten schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid is algemeen bekend. Dat in dit geval vanaf tenminste medio 2019 sprak was van een rattenplaag staat ook voldoende vast. Hetzelfde geldt voor het feit dat ratten in de tuin en de woning van [geïntimeerden] zaten, maar ook in die van [appellant] . Een en ander volgt uit de verschillende rapporten en is met foto’s en videomateriaal verder geïllustreerd. [appellant] heeft gesteld dat hij eind 2019 op de hoogte is geraakt met het rattenprobleem bij [geïntimeerden] Desondanks heeft hij pas op 29 oktober 2020 een rooktest op zijn riolering laten uitvoeren waarbij ook daadwerkelijk een gebrek in zijn riolering is vastgesteld. Dit klemt omdat [appellant] zelf jarenlang werkzaam is geweest als professioneel ongediertebestrijder. In eerste aanleg, onder randnummer 29 van zijn conclusie van antwoord, heeft [appellant] met zoveel woorden gesteld en erkend dat in het riool zich veel ratten (kunnen) bevinden en dat die naar buiten komen juist op de plekken in het riool waar zich scheuren/gebreken bevinden. Van [appellant] , als professioneel ongediertebestrijder, mag dan ook worden verwacht dat hij weet dat bij een rattenplaag een spoedig onderzoek naar mogelijke gebreken van de riolering in de rede ligt en dat hij weet dat er geen rooktest op zijn riolering wordt uitgevoerd, als hij daartoe geen opdracht of toestemming heeft gegeven. Ook Jonker heeft in het rapport van 5 februari 2020 aangegeven dat alle rioolaansluitingen gecontroleerd moesten worden. Dat [appellant] dit pas op 29 oktober 2020 heeft laten doen waarbij het gebrek direct werd ontdekt, is dan ook maatschappelijk onzorgvuldig jegens zijn directe buren, [geïntimeerden] 3.32 Van [appellant] mocht als buurman verder worden verwacht dat hij direct na de constatering van de ratten voortvarend nadere actie ter bestrijding daarvan ondernam. Hieronder valt niet alleen het plaatsen van klemmen en gif in de tuin of het meewerken aan de onderzoeken die in opdracht van de gemeente en [geïntimeerden] zijn uitgevoerd, wat [appellant] tot op zekere hoogte ook heeft gedaan, maar ook het op orde brengen van zijn tuin door het verwijderen van de voedselvoorzieningen en schuilplaatsen van de ratten. [appellant] heeft gedurende relatief lange tijd nagelaten adequate maatregelen te treffen, zo blijkt uit onder meer de e-mail van Anticimex van 9 september 2020 waarin wordt geconstateerd dat zich in de tuin van [appellant] nog voldoende schuilplaatsen bevinden (vijver, vogelhokken, schuren, beplating, hopen stenen etc.) en voedselvoorziening (vogelvoer) voor ratten aanwezig is. Anticimex adviseert dat ‘om het probleem structureel op te lossen’ het belangrijk is dat deze schuilplaatsen en voedselvoorzieningen worden weggenomen, voordat een effectieve bestrijding wordt opgestart. In het rapport van Jonker van 1 oktober 2020 wordt geconstateerd dat naar aanleiding van het eerdere onderzoek van 11 december 2019 er in 2020 weliswaar kleine aanpassingen/opschoningen zijn geweest, maar dat dit ‘bij lange na niet voldoende’ is. Jonker geeft aan dat er nog steeds open water en open voervoorziening is en dat ‘er door bewoner geen gevolg (
- is)gegeven op het opgestelde plan van aanpak en de voorgestelde bestrijding.’ Jonker constateert dat daardoor een rattenplaag heeft kunnen ontstaan en dat deze in ieder geval door [appellant] in stand wordt gehouden. Jonker komt vervolgens met een duidelijk omschreven advies. De gemeente Hilversum heeft, zoals blijkt uit het bericht van 19 oktober 2020, zich nog genoodzaakt gevoeld om een last onder dwangsom op te leggen om actie van [appellant] af te dwingen en ook de kantonrechter heeft een voorlopige voorziening getroffen, zoals blijkt uit het vonnis van 24 november 2020. Dat [appellant] , al helemaal gezien zijn achtergrond als professioneel ongediertebestrijder, in weerwil van alle adviezen die er van professionele partijen lagen, aanvankelijk niet tot het adequaat opruimen van zijn terrein is overgegaan, acht het hof maatschappelijk ook onzorgvuldig jegens zijn directe buren. 3.33 Het hof concludeert dan ook dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door niet direct nadat hij ermee bekend werd dat sprake was van een rattenplaag bij [geïntimeerden] zijn riolering te laten controleren en zijn tuin op te ruimen. Hij heeft nagelaten over te gaan tot een adequate bestrijding van de ratten en heeft daardoor een voor de gezondheid onveilige en voor de woning schadelijke situatie in stand gehouden. Uit de verschillende rapporten, foto’s en videomateriaal blijkt afdoende dat ratten van het perceel van [appellant] zich vrijelijk bewogen van en naar dat van [geïntimeerden] [appellant] heeft aldus gehandeld in strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is jegens zijn buren [geïntimeerden] Dit handelen is verwijtbaar en is in beginsel aan [appellant] toe te rekenen. Eigen schuld 3.34 [appellant] heeft een beroep gedaan op de eigen schuld van [geïntimeerden] Hij heeft gesteld dat als [geïntimeerden] schade hebben geleden, die schade vooral is toe te schrijven aan het nalaten van [geïntimeerden] zelf om adequate maatregelen te nemen waarmee ratten uit hun huis en tuin konden worden geweerd. Dat [geïntimeerden] hebben nagelaten om te voorkomen dat de ratten die zich in hun woning manifesteerden zich via de spouw door het gehele huis verplaatsten, waardoor veel schade is ontstaan, is een omstandigheid die [geïntimeerden] zich ook mogen aanrekenen, aldus [appellant] . [geïntimeerden] hebben verder niet toegestaan dat [appellant] of de door [appellant] ingeschakelde personen het gebrek aan de mandelige riolering zou herstellen. Indien er tussen het handelen van [appellant] en de door [geïntimeerden] geleden schade al enig verband zou bestaan dan is aan [geïntimeerden] een zodanige mate van eigen schuld toe te rekenen dat de aansprakelijkheid van [appellant] daardoor aanzienlijk gematigd moet worden. 3.35 Het hof gaat hier niet in mee. Gelet op het verweer van [geïntimeerden] heeft [appellant] onvoldoende gesteld dat zij hem of de door [appellant] ingeschakelde persoon niet hebben toegestaan de riolering van [appellant] te herstellen. Daarnaast heeft te gelden dat [appellant] het zelf in de hand heeft gehad de schade door de rattenplaag te beperken. In plaats daarvan liet hij aanvankelijk na een rooktest in zijn riool te laten uitvoeren (waardoor het gebrek van zijn riool waar ratten gebruik van konden maken, lange tijd voort bleef bestaan) en liet hij na adequaat zijn tuin te ruimen. Hij heeft daarmee willens en wetens de rattenplaag laten voortduren. In die situatie kan [appellant] zich ter vermindering van zijn vergoedingsplicht er niet met succes op beroepen dat de schade mede het gevolg is van de omstandigheid dat [geïntimeerden] zelf hebben nagelaten om maatregelen te treffen ter bestrijding van de rattenplaag. Overigens hebben Hellemond c.s. gemotiveerd betwist geen maatregelen te hebben getroffen, maar bleken die maatregelen niet afdoende. Het beroep op eigen schuld wordt dan ook afgewezen. Schade 3.36 [appellant] is tegen de achtergrond van het voorgaande aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerden] lijden als gevolg van zijn onrechtmatig handelen. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat geen enkel causaal verband bestaat tussen de door [geïntimeerden] geleden schade en enig aan [appellant] verweten onrechtmatig handelen, maar het hof passeert die stelling. Tegen de achtergrond van de e-mail van Anticimex van 9 september 2020, het rapport van Jonker van 1 oktober 2020, het rapport van Bouwpathologie van 14 juni 2021 en het deskundigenrapport van ingenieur [naam5] van 15 juni 2022, hebben [geïntimeerden] voldoende aannemelijk gemaakt dat de rattenplaag heeft voortgeduurd door het niet handelen van [appellant] en gelet op de aard van de door [geïntimeerden] geleden schade is aannemelijk dat die het gevolg is van de rattenplaag. Daartegenover heeft [appellant] het gebrek aan causaliteit onvoldoende onderbouwd. 3.37 Het uitgangspunt is daarmee dat [geïntimeerden] aanspraak kunnen maken op vergoeding van de volledige schade die het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [appellant] . 3.38 De rechtbank heeft om de exacte schade, het noodzakelijke herstel en de hiermee gemoeide kosten vast te stellen een deskundigenbericht gelast. De deskundige heeft rapport uitgebracht en de schade begroot. De schade aan de opstal inclusief het verwijderen van plafond en isolatie van de woonkamer bedroeg inclusief btw € 6.900,57. De totale schade bedroeg volgens het rapport € 24.907,07. Na een kleine aanpassing in verband met een marge voor prijsstijgingen en na de correcties ‘nieuw voor oud’ bij de tuin en bij het schilderwerk in de woning, heeft de rechtbank [appellant] op basis van het deskundigenrapport veroordeeld tot betaling van € 21.254,62 aan schadevergoeding. 3.39 [geïntimeerden] hebben in hoger beroep deze schadeberekening niet betwist. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep echter gesteld dat inmiddels alle plafonds zijn verwijderd en zichtbaar is geworden dat niet alleen in de woonkamer maar ook in de eetkamer en keuken sporen zijn aangetroffen van ratten. Zij stellen, onder verwijzing naar foto’s die als productie 27 bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel en akte wijziging van eis zijn overgelegd, dat indien de deskundige wel de plafonds open had laten breken in de keuken en de eetkamer, hetgeen in de rede lag door hetgeen zij in de woonkamer middels de camera al aantrof, direct duidelijk was geworden dat ook daar sprake was van schade aangericht door de ratten. [geïntimeerden] hebben om die reden voor de schade boven de plafonds in de keuken en eetkamer aanvullend schadevergoeding gevorderd. Zij stellen dat de deskundige de kosten van herstel van enkel de woonkamer begroot op € 6.900,57 (inclusief btw), maar dat de daadwerkelijke kosten van herstel van woonkamer, eetkamer en keuken € 22.178,55 (inclusief btw) bedragen. Het verschil voor eetkamer en keuken (te weten € 15.277,98) vorderen zij op basis van door de aannemer opgestelde offertes. Daar tellen zij in hoger beroep bij op het totaal dat door de deskundige is berekend voor de opstal, tuin en voor extra kosten/voorzieningen, zonder een aftrek voor de correctie ‘nieuw voor oud’. 3.40 Het hof wijst het meer gevorderde af. Als uitgangspunt heeft het deskundigenrapport te gelden op basis waarvan de schade in kaart is gebracht. Dit rapport kan met kracht van argumenten weliswaar worden weerlegd, maar daarin schieten [geïntimeerden] tekort. Zij stellen dat nu de plafonds zijn verwijderd, zichtbaar is geworden dat niet alleen in de woonkamer maar ook in de eetkamer/keuken sporen van ratten zijn gevonden. Dat wil echter nog niet zeggen dat sprake is van schade boven de eetkamer en keuken. Uit het deskundige rapport volgt dat voor opgedroogde uitwerpselen van ratten of kadavers van meer dan een maand oud geen noodzaak bestaat voor het opruimen ervan en dus de aanwezigheid ervan als zodanig geen schade vormt. Op de als producties 27 overgelegde foto’s betreffende de plafonds boven de eetkamer en keuken gaat het enkel om uitgedroogde uitwerpselen en kadavers. Dat sprake is van fysieke schade aan isolatiemateriaal of elektriciteitskabels boven het plafond van de eetkamer of keuken blijkt niet. Aantasting van het isolatiemateriaal is vastgesteld ter plaatse van de woonkamer. In de schadeopstelling is rekening gehouden met het vervangen van de isolatie achter dit plafond. [geïntimeerden] stellen weliswaar dat achter de plafonds van de eetkamer en keuken geen dan wel onvoldoende onderzoek zou zijn verricht, maar hoe deze stelling zich verhoudt tot het deskundigenbericht waarin wordt beschreven dat tijdens de inspectie middels een camera-onderzoek, vervuiling is aangetroffen in de vorm van ontlasting achter de plafonds van woonkamer, eetkamer en keuken, maken zij niet duidelijk. Dat achter het plafond van de eetkamer en de keuken geen dan wel onvoldoende onderzoek is verricht, blijkt niet uit het deskundigenrapport. Het hof verwijst ook naar de toelichting die op het onderzoek is gegeven met de nummering van de openingen die zijn gebruikt om het onderzoek te verrichten en die zijn weergegeven op de tekening. Zo staat in het deskundigenrapport dat in de keuken twee inbouwspots (VI en VII) zijn verwijderd en ook hier de ruimte achter het plafond is beoordeeld, ontlasting is aangetroffen, echter in mindere mate dan achter het plafond van de eetkamer terwijl er geen materiële schade waarneembaar is. Ook hebben [geïntimeerden] niet duidelijk gemaakt hoe de overgelegde offertes zich verhouden tot de schadevaststelling door de deskundige in haar rapport van 15 juni 2022. 3.41 Het hof is aldus van oordeel dat [geïntimeerden] onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat zij schade hebben geleden achter de plafonds van de eetkamer en keuken als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellant] . Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Verder hebben zij niet toegelicht waarom geen correctie van nieuw voor oud zou moeten worden toegepast. Omdat tegen de toegewezen schadevergoeding van € 21.254,62 verder niet is gegriefd, anders dan hiervoor reeds is besproken, blijft de veroordeling van [appellant] tot vergoeding van deze schade in stand. Het in hoger beroep meer of anders gevorderde, wordt afgewezen. De conclusie 3.42 De grieven van [appellant] in principaal hoger beroep slagen niet, de grief van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep evenmin. Omdat [appellant] in principaal hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in principaal hoger beroep veroordelen. Omdat [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in incidenteel hoger beroep veroordelen. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 3.43 De proceskostenveroordeling van [appellant] in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4De beslissing Het hof: 4.1 bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 15 december 2021 en van 14 december 2022 (dat is hersteld bij vonnis van 22 februari 2023); 4.2 veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] in principaal hoger beroep: € 783,- aan griffierecht € 3.142,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x appeltarief III) 4.3 veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in incidenteel hoger beroep: € 2.213,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (0,5 x (2 procespunten x appeltarief IV)) 4.4 verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad; 4.5 wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, H. de Hek en O.E. Mulder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024. Zie rechtsoverweging 3.18. Zie rechtsoverweging 3.6. Vergelijk de brief van de gemeente Hilversum van 17 juli 2020 rechtsoverweging 3.12. Zie rechtsoverweging 3.15. Zie rechtsoverweging 3.17 en 3.19. De grief II, III en VI van [appellant] in principaal hoger beroep slagen niet. Vergelijk onder meer reeds HR 9 mei 1986, ECLI: NL:HR:1986:AC0867, HR 24 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2260. Grief IV van [appellant] in principaal hoger beroep slaagt niet. Grief V van [appellant] in principaal hoger beroep slaagt niet. Zie rechtsoverweging 3.25 onder ‘7 Onderzoek en eigen beschouwing’. Grief 1 in incidenteel hoger beroep slaagt niet. HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.