GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.338.686/01 CJIB-nummer : 242081101 Uitspraak d.d. : 13 augustus 2024 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 8 september 2023, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 277,
- Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 418,
- Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden (feitcode A902)”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 10 mei 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 277,50, omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
- De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie de inleidende beschikking niet in stand had mogen laten. In dit verband verwijst de gemachtigde naar de bijgevoegde interne werkinstructie van het Parket CVOM waarin is aangegeven dat een termijn geldt van maximaal vijf maanden tussen de beschikking en de pleegdatum. Daarbij stelt de gemachtigde dat de betrokkene door de late ontvangst van de inleidende beschikking extra in de problemen is gekomen, omdat er (zo begrijpt het hof) intussen nog een sanctie is opgelegd. Verder voert de gemachtigde aan dat toen de betrokkene de eerste boete binnen kreeg zij deze direct heeft betaald, de scooter op dat moment niet meer heeft gebruikt en meteen een verzekering heeft afgesloten (met ingang van 17 mei 2021). Het afsluiten van de nieuwe verzekering en de ontvangst van deze sanctie heeft elkaar waarschijnlijk net gekruist en daarom bestaat er aanleiding de sanctie verder te matigen dan de kantonrechter heeft gedaan.
- Uit het dossier blijkt dat de inleidende beschikking voor de eerste keer naar de betrokkene is verstuurd op 30 juni
- Omdat geen betaling is ontvangen, is op 13 september 2021 een eerste aanmaning verzonden. Nadat wederom geen betaling is ontvangen, is op 31 oktober 2021 een tweede aanmaning verzonden. Vervolgens is door het CJIB een GBA (het hof begrijpt: BRP)-verificatie uitgevoerd. De initiële beschikking is op 22 december 2021 nogmaals verstuurd en de verhogingen zijn ongedaan gemaakt. Namens de betrokkene is op 10 januari 2022 beroep ingesteld.
- Met betrekking tot het verweer van de gemachtigde dat, gelet op de interne werkinstructie, de officier van justitie de inleidende beschikking had moeten vernietigen, wordt overwogen dat een burger aan dergelijke interne werkinstructies geen rechten kan ontlenen. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene ook niet zodanig in haar belangen geschaad door de omstandigheid dat zij pas na 6,5 maand een inleidende beschikking heeft ontvangen, dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de in artikel 4, tweede lid, van de Wahv genoemde termijn een termijn van orde is en dat niet gebleken is dat het voor de betrokkene niet mogelijk is geweest om adequaat verweer te voeren tegen deze sanctie.
- Wat de gemachtigde verder heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding het bedrag van de sanctie (verdergaand) te matigen. Het hof merkt hierbij op dat - zo blijkt uit informatie van de advocaat-generaal - het voertuig sinds 9 juni 2020 op naam van de betrokkene in het kentekenregister stond geregistreerd en het voertuig geruime tijd niet verzekerd is geweest, namelijk vanaf 2 oktober 2020 tot 17 mei
- Daar komt bij dat uit navraag van de advocaat-generaal bij het Centraal Justitieel Incassobureau is gebleken dat aan de betrokkene in 2021 - anders dan de gemachtigde stelt - geen andere sanctie is opgelegd voor een gedraging met feitcode A
- Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Aanleiding voor een proceskostenveroordeling is er daarom niet. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.