GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.327.428 (zaaknummer rechtbank Overijssel 279080) beschikking van 20 augustus 2024 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.N. Sahebdien, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader, zonder advocaat. 1Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 16 november 2023 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Na de tussenbeschikking heeft het hof een journaalbericht van mr. Sahebdien van 15 mei 2024 met een brief en een productie ontvangen. 1.3 Op 12 augustus 2024 is de mondelinge behandeling voortgezet. Hierbij waren aanwezig: - de moeder met mr. Sahebdien; - de vader; - een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). 2De motivering van de beslissing 2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 16 november 2023, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. 2.2 In de tussenbeschikking is, gelet op de afspraak van de ouders om zich (weer) aan te melden voor het BRAM-traject met als doel hun onderlinge communicatie te verbeteren, besloten om af te wachten wat dit oplevert. 2.5 De ouders hebben op de mondelinge behandeling van 12 augustus 2024 aan het hof verteld dat het BRAM-traject (weer) niet van de grond is gekomen. Er is maar één gezamenlijk gesprek geweest, dat na vijf minuten werd afgebroken. Daarna hebben er geen gesprekken meer plaatsgevonden. De moeder heeft verteld dat de hulpverleners van het BRAM-traject hebben gezegd dat verder gaan met dit traject ook geen zin meer heeft. Er is volgens de moeder teveel gebeurd tussen haar en de vader om normaal met elkaar te communiceren; zij ziet het verbeteren van het contact tussen haar en de vader somber in. De vader heeft het hof verteld dat een verbeteringstraject niet kan slagen omdat alles wat hij zegt, door de moeder tegen hem wordt gebruikt zodat van een zinvolle communicatie geen sprake kan zijn. Naast het mislukken van het BRAM-traject is het partijen ook nog niet gelukt om de eerder afgesproken zorgregeling – waarbij de kinderen om de week het weekend bij de vader zijn – goed uit te voeren. Tijdens de vorige zitting was sprake van een door de moeder ingestelde ‘pauze’ die toen al een maand duurde. Tijdens de laatste zitting vertelden beide ouders dat de kinderen de vader al zes tot acht weken niet hadden gezien, al waren zij het oneens over de reden (waarbij zij elkaar de schuld gaven). Uit wat zij over en weer naar voren brachten, blijkt dat de afgesproken regeling in de praktijk steeds haperend verloopt, tot grote ergernis over en weer (en verwarring en spanning bij de kinderen). De ouders blokkeren elkaar regelmatig op de telefoon. 2.6 Op zichzelf is te begrijpen dat in een situatie waarin de ouders er niet voldoende in slagen om informatie uit te wisselen, afspraken te maken en beslissingen af te stemmen, de vraag rijst of aan gezamenlijk gezag wel op een zinnige manier uitvoering te geven is. Ondanks de tijdens de vorige mondelinge behandeling uitgesproken intentie van partijen om aan hun onderlinge communicatie te werken, constateert het hof dat hierin geen verbetering is gekomen. Anders dan de moeder in haar beroepschrift heeft betoogd, is het hof toch van oordeel dat de moeizame communicatie tussen de ouders in dit geval op zich geen reden is om de moeder alleen met het gezag te belasten. Het hof zal dit hierna uitleggen. 2.7 Het uitgangspunt van de wet is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind wordt geacht. Het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezamenlijk gezag te worden belast, wordt alleen afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is (artikel 1:253c lid 2 Burgerlijk Wetboek). 2.8 De moeder heeft aangevoerd dat zij de vader onlangs heeft gevraagd om toestemming te geven voor de inzet van traumatherapie voor [de minderjarige1] , maar dat hij daarop te laat heeft geantwoord waardoor [de minderjarige1] de therapie niet kon starten. De moeder voorziet dat het in de toekomst weer zal voorkomen dat het niet lukt om samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. Hierdoor raken de kinderen klem of verloren, aldus de moeder. 2.9 De vader vreest dat hij nog meer buiten spel zal worden gezet als hij geen gezag meer heeft. Hij zou kunnen leven met eenhoofdig gezag van de moeder als de zorgregeling goed zou lopen, maar juist op dat vlak ervaart hij dat de moeder eenzijdig bepaalt of hij de kinderen ziet. De vader voelt zich nu al onmachtig om dit te doorbreken. Hij wil als vader met gezag bij de kinderen betrokken blijven. 2.10 Volgens de raad ligt het probleem hier in de moeizame onderlinge communicatie tussen de ouders en dienen zij hun communicatie verbeteren, omdat de manier waarop zij nu communiceren een slechte basis is om samen beslissingen te kunnen nemen. Maar het is niet zo dat de kinderen nu al klem en verloren raken bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De kinderen hebben last van het gedoe tussen de ouders over de (uitvoering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.