GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.331.313 zaaknummer rechtbank Gelderland: 9799795 arrest van 20 augustus 2024 in de zaak van Walburg B.V. die is gevestigd in Nijmegen enASR Schadeverzekering N.V. die is gevestigd in Utrecht die samen hoger beroep hebben ingesteld bij de kantonrechter optraden als gedaagden hierna Walburg en ASR zullen worden genoemd en voor wie als advocaat optreedt: mr. M.M. Klunder tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats1] die bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna [de gelaedeerde] zal worden genoemd en voor wie als advocaat optreedt: mr. C. van der Roest. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Walburg en ASR hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 mei 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen (hierna: de kantonrechter). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep het anticipatie-exploot de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling op 23 juli 2024. 2De kern van de zaak vaststaande feiten 2.1. Vast staat dat [de gelaedeerde] op 1 april 2014 is gevallen in de door haar en haar partner van Walburg gehuurde woonruimte en daarbij ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Hulpdiensten troffen haar ’s nachts aan, bebloed, zittend op de grond van de kamer die zij en haar partner van Walburg hadden gehuurd en met een dekbed om zich heen gewikkeld. Boven die kamer lag de verdieping die als slaapzolder was mee-verhuurd en die bereikbaar was over een (opvouwbare) vlizotrap. Op de zolder stond er geen hek om het trapgat en langs de vlizotrap was geen (vaste) leuning op hoogte. 2.2. ASR is als aansprakelijkheidsverzekeraar van Walburg aangeschreven door Achmea, de rechtsbijstandsverzekeraar van [de gelaedeerde] . Na eerst aansprakelijkheid te hebben ontkend heeft ASR in een mailbericht van 3 mei 2018 erkend voor 50% van de schade aansprakelijk te zijn. Hierbij heeft ASR onder meer geschreven: ‘Uit de informatie van de politie en van de medisch adviseur leid ik af dat uw cliënte uit bed moet zijn gevallen en daardoor door het onafgeschermde trapgat is gevallen.’ 2.3. Verder staat vast dat de door Walburg verhuurde ruimte niet voldoet aan de veiligheidseisen die daaraan gesteld mogen worden. De zolderruimte is als slaapruimte verhuurd en de kantonrechter heeft expliciet overwogen dat en op welke punten de slaapzolder niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit, kort gezegd omdat deze geen vaste trap van de juiste breedte en met de juiste afscheidingen en leuningen had. Tegen dit oordeel is door Walburg en ASR geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. de procedure in eerste aanleg 2.4. [de gelaedeerde] heeft Walburg en ASR voor de kantonrechter gedaagd. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld (voor recht verklaard) dat Walburg en ASR hoofdelijk voor 100% van de schade aansprakelijk zijn. Walburg en ASR zijn ook hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. 2.5. Walburg en ASR hebben hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Zij willen dat het hof de vorderingen van [de gelaedeerde] alsnog afwijst en [de gelaedeerde] in de proceskosten veroordeelt. Het hof ziet dit anders, bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt Walburg en ASR in de kosten van het hoger beroep. Hieronder legt het uit hoe het tot deze beslissingen komt. 3Het oordeel van het hof aansprakelijkheid is voor 50% erkend 3.1. Walburg en ASR herhalen in hoger beroep dat de erkenning van 3 mei 2018 op dwaling berust. Volgens hen is het veel waarschijnlijker dat [de gelaedeerde] omhuld door het dekbed de trap is gaan afdalen, daarbij over het dekbed is gestruikeld en vervolgens op de vloer van de kamer is gevallen. 3.2. De kantonrechter heeft het beroep op dwaling verworpen. In het vonnis staat in essentie dat Walburg en ASR zich niet op een verkeerde voorstelling van zaken hebben beroepen, maar op een veranderd inzicht in wat uit de (later verkregen) informatie valt op te maken. Dit laatste is geen grond voor dwaling, aldus het eindvonnis. 3.3. In hoger beroep hebben Walburg en ASR als eerste bezwaar (grief) tegen het vonnis aangevoerd dat [de gelaedeerde] hen op het verkeerde been heeft gezet door van het begin af aan het meer aannemelijke scenario te ontkrachten en pas op de zitting van de kantonrechter aan te geven dat ze zich van de ongevalstoedracht niets herinnert. Dit bezwaar is naar het oordeel van het hof ongefundeerd. [de gelaedeerde] heeft namelijk van begin af aan gemeld zich niets van de toedracht te herinneren en ASR wist dat ook: in haar mailbericht van 23 maart 2017 heeft zij aan Achmea geschreven dat onduidelijk is gebleven hoe [de gelaedeerde] ten val is gekomen en dat [de gelaedeerde] ‘gezien de aard van het letsel …. helaas niets meer over de toedracht [kan] vertellen’. [de gelaedeerde] heeft dus consequent verklaard dat zij zich niets kan herinneren van de val, zodat het verwijt van ontkrachting van een bepaald scenario ongegrond is en op 3 mei 2018 waren Walburg en ASR niet op het verkeerde been gezet. Indien het scenario dat zij nu schetsen veel waarschijnlijker is dan waarvan zij op 3 mei 2018 zijn uitgegaan – iets dat het hof niet als vaststaand aanneemt, alleen al omdat [de gelaedeerde] dit heeft tegengesproken dan kunnen zij zich nog steeds niet op dwaling beroepen. De kantonrechter heeft het beroep op dwaling terecht als ongegrond verworpen. Walburg en ASR voeren in hoger beroep nog aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aan de erkenning worden gehouden, omdat die erkenning op onjuiste informatie berust. Ook dit gaat niet op. De erkenning is gedaan met de wetenschap dat de toedracht onduidelijk was en dat [de gelaedeerde] zich niks kon herinneren (zie het hiervoor genoemde mailbericht) en op basis van de toen beschikbare informatie van een medische rapportage en een politierapport. Dat ASR (kennelijk) pas daarna een schaderegelaar heeft ingeschakeld die een ander toedrachtscenario aannemelijker vond, komt eveneens voor haar risico. geen eigen schuld door de positie van het bed 3.4. Walburg en ASR beroepen zich op eigen schuld van [de gelaedeerde] . Zij had haar bed met het voeteneind voor het trapgat staan, wat gevaarlijk is. Volgens het eindvonnis van de kantonrechter speelt de positie van het bed geen rol omdat de kans dat iemand vanuit het voeteneind uit bed valt daarvoor te klein is. Walburg en ASR betogen in hoger beroep opnieuw dat [de gelaedeerde] zich bewust was van het gevaar op de slaapzolder en daarom het bed anders had kunnen en moeten plaatsen. Het hof verwerpt dit. Dat het bed op een andere plaats van de zolder veiliger zou hebben gestaan, is niet gebleken nu [de gelaedeerde] heeft toegelicht dat het juist veiliger was om het bed met het voeteneind voor het trapgat te zetten omdat het trapgat niet op een andere manier kon worden afgeschermd: het schuine dak was te laag om er iets anders van voldoende hoogte te kunnen plaatsen. Walburg en ASR kunnen [de gelaedeerde] ook al niet verwijten dat zij het bed op de zolderverdieping had staan, nu die verdieping volgens het huurcontract precies dáárvoor was bedoeld. In de wijze waarop het bed was geplaatst ziet het hof geen medeoorzaak van het ongeval. het dekbed-scenario 3.5. De uitkomst van de procedure zou volgens het vonnis van de kantonrechter niet anders zijn indien aangenomen moet worden dat [de gelaedeerde] bij het afdalen van de trap over het dekbed is gestruikeld, in plaats dat zij uit bed en door het trapgat is gevallen. In dat geval zou het gevaarlijke gedrag van [de gelaedeerde] weliswaar voor 25% aan het ongeval hebben bijgedragen en het aan Walburg toe te rekenen ontbreken van wettelijk voorgeschreven veiligheidsvoorzieningen voor de resterende 75%, maar zou de vergoedingsplicht van Walburg en ASR toch volledig in stand zijn gelaten omdat de billijkheid dit eist wegens de uiteenlopende ernst van de wederzijdse fouten (zie artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). geen bewijslevering van het hypothetische geval 3.6. Volgens grieven II en V had de kantonrechter Walburg en ASR moeten laten bewijzen dat het (zeer) waarschijnlijk is dat [de gelaedeerde] over het dekbed is gestruikeld. Walburg en ASR hebben zich hierbij kennelijk niet beseft dat de kantonrechter in het kader van de redenering over de verdeling van de aansprakelijkheid veronderstellenderwijs het ‘dekbed-scenario’ tot uitgangspunt heeft genomen. Bewijs (van de mate van waarschijnlijkheid van dat scenario) kan daarom niet tot een andere uitkomst leiden. de mate waarin de veronderstelde fouten zouden hebben bijgedragen tot de schade 3.7. Indien uitgegaan wordt van het dekbed-scenario, zou volgens het vonnis van de kantonrechter aan [de gelaedeerde] gevaarlijk handelen worden verweten en zou geoordeeld worden dat dit voor 25% aan het ontstaan van het het letsel heeft bijgedragen. De resterende 75% zou worden toegerekend aan de bouwkundige gebreken in de door Walburg verhuurde woning, wat als fout van Walburg zou worden aangemerkt. In het vonnis staat dat de kans op vallen aanzienlijk was verkleind indien Walburg zorg zou hebben gedragen voor plaatsing van een vaste trap met leuning, zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit 2012, en ook door afscherming van het trapgat. De fout van Walburg heeft echter volgens het vonnis in hogere mate tot het ongeval en het letsel van [de gelaedeerde] geleid doordat de voorgeschreven vaste trap de kans op vallen zou hebben verkleind en doordat het aanbrengen van de eveneens voorgeschreven leuning het bovendien mogelijk zou hebben gemaakt om een eventuele val te onderbreken. Walburg en ASR schrijven in hun memorie van grieven dat deze percentages zouden moeten worden omgewisseld omdat niet blijkt dat het ongeval niet zou zijn gebeurd of minder ernstige gevolgen zou hebben gehad indien Walburg een vaste trap met leuning(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.