GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.319.915 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 261407) arrest van 27 augustus 2024 in de zaak van 1 [appellante] 2. [appellant] die wonen in [woonplaats1] die hoger beroep en incidentele vorderingen hebben ingesteld en bij de rechtbank optraden als eisers in conventie, verweerders in reconventie hierna: [appellante] en [appellant] dan wel gezamenlijk [appellanten] advocaat: T.A.B. Vermunt tegen 1 [geïntimeerde1] die woont in [woonplaats2] en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie hierna: [geïntimeerde1] advocaat: mr. S.J.M. Masselink en 2 [geïntimeerde2] die woont in [woonplaats3] hierna: [geïntimeerde2] 3. [geïntimeerde3] die woont in [woonplaats4] 4. [geïntimeerde4] die woont in [woonplaats5] 5. [geïntimeerde5] die woont in [woonplaats6] en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie, eisers in reconventie hierna ook (gezamenlijk): [geïntimeerden2 t/m 5] advocaat: mr. P.H.A. Mulder 1Het verdere verloop van de procedure bij het hof 1.1. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 maart 2024 hier over. 1.2. Het verdere verloop blijkt uit de akte met producties van [appellanten] d.d. 7 mei 2024 de akte met producties van [geïntimeerden2 t/m 5] d.d. 7 mei 2024. 1.3. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De verder beoordeling in hoger beroep 2.1. Het hof verwijst naar en blijft bij de overwegingen en beslissingen in zijn tussenarrest van 12 maart 2024, behalve voor zover hierna uitdrukkelijk daarop wordt terug gekomen. de tegenvordering van [geïntimeerde2] ad € 57.106,16 2.2. In genoemd tussenarrest is onder meer overwogen dat het Familiefonds per 1 januari 2013 een vordering had op [appellanten] ad € 91.563,40, maar dat [geïntimeerden2 t/m 5] niet inzichtelijk hebben gemaakt wat het verloop van deze vordering sinds die datum is geweest en hoe dat heeft geresulteerd in de nu door [geïntimeerden2 t/m 5] gestelde vordering van het Familiefonds per 1 januari 2022 ad € 57.106,16 respectievelijk, als verrekening zoals uiteengezet in onderdeel 3.9. van het tussenarrest is toegestaan, € 29.131,15. 2.3. Het hof heeft [geïntimeerden2 t/m 5] daarom bevolen bij akte (met een korte toelichting) over te leggen de overzichten van (in elk geval) rekeningnummer [nummer2] over de jaren 2013 tot en met 2022. [appellanten] is in dat arrest bevolen over te leggen de aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2013 tot en met 2018 voor wat betreft de daarin opgenomen (schuld)verhouding tot Rifodi en het Familiefonds alsmede de door de fiscus over die jaren opgelegde aanslagen inkomstenbelasting ter zake de (schuld)posities ten aanzien van deze fondsen. 2.4. Beide partijen hebben met genoemde aktes (zie 1.2) aan deze bevelen voldaan. [appellant] c.s hebben van de mogelijkheid gebruik gemaakt om op de akte van [geïntimeerden2 t/m 5] te reageren. [geïntimeerden2 t/m 5] heeft dat niet gedaan ten aanzien van de akte van [appellanten] De griffier is daarom nagegaan of [geïntimeerden2 t/m 5] de akte van [appellanten] op voorhand heeft ontvangen. Namens mr. Mulder is bij e-mail van 2 juli 2024 aan het hof bevestigd dat dat het geval is. 2.5. De vraag is dan of [geïntimeerden2 t/m 5] met hun akte, de andere overgelegde stukken en gezien ook de door [appellanten] overgelegde belastingaangiftes en belastingaanslagen, de (tegen)vordering per 1 januari 2022 ad € 57.106,16 respectievelijk € 29.131,15 alsnog inzichtelijk hebben gemaakt of, anders gezegd, voldoende hebben onderbouwd. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. 2.6. Het hof herhaalt dat tot uitgangspunt wordt genomen dat het Familiefonds per 1 januari 2013 een vordering van € 91.563,40 op [appellanten] had (of een schuld aan het Familiefonds vanuit het perspectief van [appellanten] ). Deze vordering is ontstaan met de aflossing van een lening van [appellanten] van € 185.000 (rov. 4.8 van het tussenarrest). Daarbij is, in aanvulling op het tussenarrest, meegewogen dat [appellanten] in de procedure bij de rechtbank weliswaar hebben aangevoerd dat de lening van € 185.000 is afgelost met tegoeden die [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voor [appellanten] beheerden alsmede door correctieboekingen maar [appellant] c.s hebben ten onrechte nagelaten dat nader toe te lichten door het noemen van bedragen, data en/of overleggen van stukken. 2.7. [geïntimeerden2 t/m 5] hebben het verloop van de vordering toegelicht in randnummer 4 van hun akte en daarbij overzichten van rekening nummer [nummer2] over de periode 2012-2023 gevoegd. 2.8. In de door [geïntimeerde2] uiteengezette toelichting is voor de “beginstand” van de vordering van het Familiefonds op [appellanten] (dat wil zeggen het saldo per 1 januari 2013) een vordering van [appellanten] op ‘ [naam1] ’ van belang. Volgens [geïntimeerde2] is deze vordering, het gaat om € 42.391,19, op verzoek van [appellanten] in mindering gebracht op de schuld per 1 januari 2013 van € 91.563,40. [appellanten] betwisten dit, maar zij hebben niet toegelicht of er al dan niet sprake is van een vordering op [naam1] en hoe het verloop daarvan dan is geweest, terwijl het bestaan van die vordering wordt bevestigd in eerder overgelegde overzichten (producties 40 en 41 van [appellanten] in de procedure bij de rechtbank). Uitgaande van de juistheid van deze door [geïntimeerden2 t/m 5] genoemde verrekening zou per 1 januari 2013 sprake zijn van een vordering van het Familiefonds op [appellant] van € 49.172,21 (91.563,40 -/- 42.391,19). De overzichten van [geïntimeerden2 t/m 5] vermelden echter een vordering van € 48.556,07 per die datum. Dit verschil is volgens [geïntimeerde2] c.s veroorzaakt door een klein renteverschil in het voordeel van [appellanten] Dit beperkte verschil doet naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de materiele juistheid van de door [geïntimeerden2 t/m 5] gestelde en onderbouwde verrekening. 2.9. De door [geïntimeerde2] bij akte ingebrachte overzichten en het daaruit blijkende verloop van de vordering van het Familiefonds op [appellanten] sluiten aan op eerder in deze procedure ingebrachte stukken, met name het rekeningoverzicht per 1 januari 2018 (productie 25 dagvaarding [appellanten] ) en het rekeningoverzicht per 1 januari 2019 (productie 2 conclusie van antwoord [geïntimeerden2 t/m 5] ), die [geïntimeerde2] destijds aan [appellanten] per e-mail heeft gestuurd. Deze overzichten en het daaruit blijkende verloop van de vordering van het Familiefonds op [appellanten] sluiten ook aan op de berekening in de e-mail van [geïntimeerde2] van 10 januari 2019 (productie 8 akte van 7 mei 2024). [geïntimeerde2] berekent in die e-mail het uitstaande saldo van de vordering van het Familiefonds op [appellanten] per 31 december 2018 op € 24.570, na verrekening van “een tegoed van participaties in Rifodi ad € 26.836”. Het uitstaande bedrag zonder deze verrekening (€ 24.570 + € 26.836 = € 51.406) sluit aan op het per die datum (31 december 2018) uitstaande bedrag volgens het overzicht van [geïntimeerden2 t/m 5] 2.10. De post ‘verrekening kosten [naam2] ’ ad € 7.569,70 in het genoemde overzicht (akte [geïntimeerden2 t/m 5] onder 4) is terug te vinden op het overzicht 2013 van rekeningnummer [nummer2] (waarover hierna meer). 2.11. De door [geïntimeerden2 t/m 5] bij akte van 7 mei 2024 overgelegde overzichten wijken qua lay out, [appellanten] wijst daarop, af van eerder in het geding gebrachte overzichten. Op de overzichten bij de laatste akte van 7 mei 2024 staat dat het om een “Kopie Overzicht” gaat zodat reeds daarom aangenomen moet worden dat het niet om de originele overzichten gaat, waarvan [appellanten] lijkt uit te gaan. Ook uit deze kopie-overzichten blijkt naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk hoe de daarop vermelde, bijgeschreven rentebedragen tot stand zijn gekomen. 2.12. Tegenover de overzichten en toelichting van [geïntimeerden2 t/m 5] staat dat op de door [appellanten] over de jaren 2013-2018 overgelegde belastingaangiftes geen melding van schulden aan het familiefonds wordt gemaakt (terwijl dat waarschijnlijk wel tot fiscale voordelen zou hebben geleid) en dat die ook niet in de opgelegde belastingaanslagen zijn opgenomen. Grote delen van de belastingaangiftes zijn echter onleesbaar gemaakt zodat niet goed en in detail inzichtelijk is hoe de daarop vermelde informatie tot stand is gekomen. Daarnaast staat vast dat in de aangifte 2012 wel is opgenomen dat een schuld bestond. Aldus leggen de belastingaangiftes onvoldoende gewicht in de schaal en is de slotsom dat de vordering van [geïntimeerden2 t/m 5] voldoende inzichtelijk is gemaakt en is onderbouwd. 2.13. Tegenover genoemde onderbouwing en toelichting heeft [appellanten] de vordering van ( [geïntimeerden2 t/m 5] als bewaarder van) het Familiefonds onvoldoende (gemotiveerd) betwist. De (tegen)vordering is tegen deze achtergrond toewijsbaar. Daarmee faalt (een deel van) grief IV. Beroep op ‘verrekening’ ter zake Rifodi? 2.14. [geïntimeerde2] (als bewaarder van het Familiefonds) en [appellanten] zijn het er over eens dat de 167 participaties die [appellanten] in Rifodi heeft € 27.975,01 waard zijn. [geïntimeerde2] voert aan dat deze waarde aan het Familiefonds toekomt en in mindering moet worden gebracht op voornoemde vordering van € 57.106,16 omdat de desbetreffende vordering van [appellanten] op Rifodi aan het Familiefonds is verpand tot zekerheid voor de voldoening van een/de vordering van het Familiefonds op [appellanten] 2.15. De rechtbank heeft deze ‘verrekening’ toegestaan. Met grief IV komt [appellanten] hiertegen op. Volgens [appellanten] is voorbijgegaan aan de statutaire bepalingen van Rifodi, artikel 3 lid 4 en artikel 13 lid 1, die bepalen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.