GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.338.457/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10380100 arrest van 3 september 2024 in de zaak van Qred AB, die is gevestigd in Stockholm, Zweden, die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als eiseres, hierna: Qred, advocaat: mr. E.N. de Jonge in Groningen, tegen [geïntimeerde] (voorheen) h.o.d.n. [naam1] , die woont in [woonplaats1] , en bij de kantonrechter optrad als gedaagde, hierna: [geïntimeerde], niet verschenen. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep Qred heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 28 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: • de dagvaarding in hoger beroep, • het aan [geïntimeerde] verleende verstek, • de memorie van grieven. 2De kern van de zaak 2.1 [geïntimeerde] heeft met Qred een kredietovereenkomst gesloten. De kredietovereenkomst is opgezegd en Qred wil terugbetaling van het geleende bedrag met rente en kosten. 2.2 Qred heeft daartoe bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.223,35, te vermeerderen met contractuele rente. [geïntimeerde] heeft het bestaan van de betalingsachterstand erkend, maar heeft bezwaar gemaakt tegen de extra kosten. De kantonrechter heeft de vordering van Qred afgewezen, omdat geen deugdelijke specificatie van het gevorderde bedrag was gegeven, zodat de kantonrechter niet kon beoordelen of de vordering rechtmatig was, en daarnaast omdat in het dossier aanmaningen en ingebrekestellingen ontbraken. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. 2.3 Het hof heeft meer informatie nodig voordat het kan oordelen over de vordering van Qred. Dat wordt hierna uitgelegd, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven. 3De vaststaande feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.1 Op 6 januari 2022 is tussen Qred Företagslån AB, handelende onder de naam Qeld Bedrijfsleningen (hierna: Qred), als kredietverstrekker en “ [naam1] ”, de eenmanszaak van [geïntimeerde] , als kredietnemer een overeenkomst van kredietverlening gesloten voor een kredietbedrag van € 2.000,-, welk bedrag op 7 januari 2022 aan [geïntimeerde] is overgemaakt. Maandelijks moest achteraf een bedrag van € 166,67 worden afgelost, naast een kredietvergoeding van € 59,-. In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat bij een betalingsachterstand een vertragingsrente van 2,5% per maand is verschuldigd en bij een vertraging van meer dan zes dagen een vertragingsvergoeding van € 20,- in rekening kan worden gebracht. [geïntimeerde] heeft in het kader van de overeenkomst een borgtocht afgegeven. 3.2 Na een brief van 21 maart 2022 over het ontstaan van betalingsachterstand en waarin de opzegging van de kredietovereenkomst werd aangekondigd, heeft [geïntimeerde] na telefonisch overleg met Qred op 25 maart 2022 € 118,- betaald. 3.3 Nadat de achterstand in de betaling niet ongedaan bleek te zijn gemaakt, is op 19 mei 2022 aan [geïntimeerde] een brief gestuurd waarbij het verleende krediet werd opgezegd en hem de mogelijkheid werd geboden om binnen tien dagen na dagtekening van die brief over te gaan tot terugbetaling van de op dat moment resterende schuld van € 2.222,59 of het krediet te behouden tegen betaling van de achterstand in de te betalen prijs voor het krediet, de vertragingsvergoeding voor de te late betaling en de vertragingsrente alsmede een bedrag van € 50,- ter zake heraansluitingskosten. 3.4 [geïntimeerde] heeft niet betaald en heeft geen keuze gemaakt voor het behoud van het krediet. 3.5 Qred heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven, waarna [geïntimeerde] per brieven van 16 juni 2022, 5 juli 2022, 17 augustus 2022 en 11 oktober 2022 is aangemaand. 4Het oordeel van het hof Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1 Qred is gevestigd in Zweden. [geïntimeerde] heeft woonplaats in Nederland. Het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de toepasselijke herschikte EEX Verordening (Verordening EU nr. 1215/2012; hierna: EEX-Vo II). Op grond van artikel 4 lid 1 EEX-Vo II heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. 4.2 Niet in geschil is dat de rechtsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht. Beoordeling van de grieven 4.3 Qred heeft drie grieven (bezwaren) tegen het vonnis van de kantonrechter gericht, die ertoe strekken het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. 4.4 Qred beroept zich voor haar vordering op een kredietovereenkomst met (de eenmanszaak van) [geïntimeerde] . In die overeenkomst is het doel van het krediet niet vastgelegd. Wel is vermeld dat het gaat om een ‘zakelijk krediet’ van een relatief klein bedrag van € 2.000,-, waarop [geïntimeerde] geacht wordt meteen maandelijks € 166,67 te gaan aflossen (zodat de lening met één jaar afbetaald zou moeten zijn). Het zakelijk karakter van de lening spreekt daarmee niet voor zich. 4.5 Ook op een ander aspect dringt het zakelijk karakter van de lening zich niet op. [geïntimeerde] is gehouden gedurende de looptijd iedere maand € 59,- te betalen aan kredietvergoeding, dus € 708,- per jaar. Gezien de eerder genoemde aflossing in één jaar tijd (maandelijks € 166,67, zijnde 1/12 van € 2.000,-), bedraagt de gemiddelde kredietsom waarover de kredietnemer in dat jaar kan beschikken – naar het hof begrijpt – zo’n € 1.083,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.