Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005226-23 Uitspraak d.d.: 9 september 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 31 januari 2024 met parketnummer 05-221176-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 2002, wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in P.I. [locatie] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.P.E. Buchele, naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. H.O. den Otter, advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] , naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 31 januari 2024, de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot doodslag en het onder 2 tenlastegelegde openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een begeleidingstraject, behandeling voor alcoholproblematiek, een alcoholverbod en middelencontrole en een contactverbod. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.153,87 aan materiële en € 2.500 aan immateriële schade, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [benadeelde 2] is niet ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding verklaard. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis bevestigen met aanvulling van de gronden. Verder komt het hof ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering benadeelde partij [benadeelde 1] tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Aanvullende overweging ten aanzien van het bewijs Het hof vervangt de alinea op pagina 7 van het vonnis beginnende met “Het is een feit van algemene bekendheid…” door: Het hof is van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen en in het bijzonder gelet op de aard en intensiteit van de trappen en stompen richting het hoofd – een kwetsbaar onderdeel van het lichaam – willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 1] zou komen te overlijden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat verdachte meermalen met kracht met zijn geschoeide voet naar het hoofd van het slachtoffer trapte, terwijl het slachtoffer op de grond lag en ook klappen en trappen van mededaders kreeg waartegen hij zich ook nog moest verweren. Op de camerabeelden die ook ter zitting zijn afgespeeld is te zien dat het slachtoffer nauwelijks lukt om zijn hoofd met zijn armen te beschermen tegen het ononderbroken geweld tegen zijn hoofd. Te zien is dat verdachte niet alleen 12 keer stampt op het hoofd maar ook meermalen met de vuist slaat tegen het hoofd van het slachtoffer. Vrijwel al het geweld dat verdachte tegen [benadeelde 1] uitoefent is zichtbaar gericht op het hoofd van [benadeelde 1] . Dat verdachte de trappen op het hoofd van het slachtoffer snel achtereenvolgens uitvoerde, grotendeels met stampende bewegingen, dat hij halverwege de geweldsexplosie steunde op zijn mededaders om vervolgens opnieuw tegen het hoofd te kunnen schoppen, dat hij op enig moment zelfs met beide voeten op het hoofd van het slachtoffer stond en tegen het einde van de mishandeling zelfs zijn mededaders wegstuurde om de ruimte te krijgen om nogmaals te kunnen trappen tegen het hoofd van het slachtoffer, maakt dat het hof van oordeel is dat deze handelingen met kracht zijn uitgevoerd. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals de dood of zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen om een reële niet onwaarschijnlijke kans. De mate en intensiteit van het geweld gericht op en richting het hoofd van de weerloos op de grond liggende [benadeelde 1] maakt dat het hof van oordeel is dat een reële, niet onwaarschijnlijke kans bestond dat hij zodanig ernstig gewond zou raken dat hij daaraan zou komen te overlijden. Verdachte heeft op de hiervoor beschreven wijze een groot aantal trappen en stompen tegen het hoofd van het slachtoffer gegeven, welke geweldshandelingen hadden kunnen resulteren in een fatale afloop. Het handelen van verdachte, te weten het meermalen met kracht schoppen en trappen tegen het hoofd en het staan op het hoofd, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het overlijden van het slachtoffer dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg daadwerkelijk heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Het opzet van verdachte is dan ook minst genomen in voorwaardelijke zin op die fatale afloop gericht geweest. Oplegging van straf en/of maatregel Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte voor de duur van 3 jaren een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende dat hij geen contact mag opnemen met de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en een locatieverbod voor het centrum van [plaats] . Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, hij jong is, het letsel van de slachtoffers relatief beperkt is gebleven, verdachte spijt heeft betuigd, hij om mediation heeft verzocht, sprake is van eendaadse samenloop en in vergelijkbare zaken lagere straffen zijn opgelegd. De straf dient lager uit te vallen dan is opgelegd door de rechtbank, in ieder geval met een hoger voorwaardelijk strafdeel. De beslissing van de rechtbank over de bijzondere voorwaarden kan in stand worden gelaten. Het oordeel van het hof De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich met vijf anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld. Toen verdachte met een aantal anderen over het fietspad aan de [straatnaam] in [plaats] liep, kwam hen eerst een fietser tegemoet. Verdachte ging dicht met zijn gezicht voor het gezicht van de fietser staan en werd vrijwel direct agressief. Uiteindelijk heeft verdachte deze fietser enkel geduwd, maar toen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op enig moment voorbij liepen en probeerden de groep van verdachte tot kalmte te manen, ontaardde dit vrijwel direct in een vechtpartij vanuit de groep van verdachte die niet anders kan worden omschreven dan als een geweldsexplosie. Verdachte speelde hierbij een initiërende en grote rol. Verdachte heeft zeer vaak tegen het hoofd van [benadeelde 1] getrapt en ook meermalen tegen het hoofd van [benadeelde 1] geslagen. Het absolute dieptepunt van het handelen van verdachte is dat hij op enig moment zelfs met twee geschoeide voeten op het hoofd van [benadeelde 1] is gaan staan. Op geen enkel moment is op de camerabeelden te zien dat verdachte zich inhield. Zelfs toen iedereen gestopt was met het geweld en verdachte anderen had weggeduwd, vond hij het nodig om nog twee trappen op het hoofd van [benadeelde 1] te geven. Verdachte zocht vrijwel steeds zichtbaar naar ruimte om het slachtoffer zo goed en zo hard mogelijk te raken. Verdachte wist van geen ophouden en is pas gestopt toen de politie ter plaatse kwam. Het geweld dat verdachte heeft toegepast, is ronduit schokkend. Verdachte heeft ter zitting van het hof slechts invoelbare emotie getoond toen zijn verleden en zijn vlucht op jonge leeftijd naar Nederland en de mishandelingen die hij tijdens die vlucht heeft moeten ondergaan, werden benoemd. Die emotie ontbrak echter telkens wanneer verdachte ter zitting zei spijt te hebben van wat hij had gedaan. Die door verdachte ter zitting betoonde spijt kwam op het hof niet werkelijk doorleefd over, ook al omdat verdachte geen enkele verantwoordelijk nam voor zijn handelen. Verdachte hield stug vol dat hij zich helemaal niets meer herinnert omdat hij zo dronken was. Het lijkt het hof zinvol dat er een kader zal zijn waarbinnen aandacht zal zijn voor de persoon en eventuele persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Het hof zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de strafmodaliteit. Dit soort uitgaansgeweld heeft een enorme invloed op de samenleving. Dit gedrag creëert angst bij mensen die gezellig een avondje uitgaan en het weerhoudt mensen ervan om anderen te hulp te schieten als ze worden belaagd. Het gevoel van onveiligheid en intolerantie neemt hierdoor steeds groter vormen aan. Uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al veel dodelijke slachtoffers veroorzaakt. Verdachte mag zich gelukkig prijzen dat in dit geval het daadwerkelijke letsel van het [benadeelde 1] betrekkelijk beperkt is gebleven, want gelet op de mate van geweld had hij ook dood kunnen zijn. Het mag duidelijk zijn dat het hof van mening is dat een zwaardere straf dan is opgelegd door de rechtbank, en dus niet een minder zware straf zoals bepleit door de raadsvrouw, in dit geval geboden is. Bij de vraag hoeveel zwaarder de op te leggen straf zou moeten zijn en of er een klein of groot deel voorwaardelijk moet worden opgelegd, spelen de volgende omstandigheden een rol. Uit het meest recente reclasseringsadvies van 7 augustus 2024 komt naar voren dat verdachte goed functioneert in de penitentiaire inrichting, hij gedurende zijn detentieperiode de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden heeft afgerond maar ook dat zijn alcoholgebruik en sociale netwerk risicoverhogende factoren zijn. De reclassering adviseert een meldplicht, een alcoholverbod met middelencontrole en een contactverbod met beide slachtoffers en een locatieverbod voor het centrum van [plaats] . Verdachte is niet eerder veroordeeld, zodat de justitiële documentatie niet in straf verhogende zin meeweegt. Bij de strafoplegging heeft het hof de hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking genomen, alsook de straffen die rechters in vergelijkbare gevallen opleggen en de eendaadse samenloop van de beide feiten. Alles afwegende is het hof van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten, die voor het hof in het bijzonder de reden zijn om over te gaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht ruimschoots overstijgt geboden is. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal het hof de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd in het meest recente reclasseringsrapport en ook ter speciale en generale preventie de bijzondere voorwaarden die door de rechtbank zijn opgelegd en die passen bij de gesignaleerde alcoholproblematiek en de mogelijk aanwezige persoonlijkheidsproblematiek die wellicht in relatie staat tot het kennelijke impulsieve exploderende geweld dat verdachte heeft gebruikt. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding voor het opleggen van een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor de binnenstad van [plaats] . De slachtoffers hebben er in hoger beroep niet om gevraagd en de dadelijke uitvoerbaarheid kan naar het oordeel van het hof in dit geval niet worden uitgesproken. Het hof ziet daarom geen meerwaarde in het opleggen van de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De vordering De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.441,47, bestaande uit € 1.441,47 aan materiële en € 5.000,- aan immateriële schade . De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.653,87, bestaande uit € 1.153,87 aan materiële en € 2.500,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de oorspronkelijke vordering gehandhaafd. Het hof heeft dus in hoger beroep te oordelen over de oorspronkelijk gevorderde schadevergoeding. Door de advocaat van de benadeelde partij is bepleit dat de vordering immateriële schade onderbouwd is met vergelijkbare jurisprudentie, sprake was van een geweldsexplosie en de benadeelde partij nog altijd last heeft, nu hij naar de oogarts is moeten gaan en bij de tandarts een spalkje opnieuw heeft moeten plaatsen. De gevorderde inkomstenderving van € 278,69 kan wel worden toegewezen, nu deze inkomstenderving blijkt uit de door de benadeelde partij overlegde salarisspecificaties. Beoordeling vordering De advocaat-generaal heeft gevorderd om het materiële deel van de vordering toe te wijzen conform de rechtbank. Het immateriële deel van de vordering dient geheel toegewezen te worden, ook omdat het slachtoffer de videobeelden van het op hem toegepaste geweld meermaals heeft moeten zien. De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit om de beslissing van de rechtbank over te nemen in hoger beroep. Een hogere immateriële schade toewijzen zou niet passend zijn, omdat de door de advocaat van de benadeelde partij aangedragen jurisprudentie niet vergelijkbaar is met het verwijt dat verdachte wordt gemaakt en rekening gehouden dient te worden met het beperkte letsel van de benadeelde partij. Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevraagd voor de beschadigde kleding (€ 472,99), tandartskosten (€ 117,32), oogdruppels (€ 44,84), ambulancekosten (€ 499,91), reiskosten (€ 18,81) en inkomstenderving (€ 278,68), voor een totaal van € 1.441,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.