GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.342.912 zaaknummer rechtbank Gelderland 431629 beschikking van 17 september 2024 in de zaak van [verzoekster] die woont in [woonplaats1] en bij de kinderrechter optrad als belanghebbende verzoekster in hoger beroep hierna: de moeder advocaat: mr. E.R.T. Tromp en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming die is gevestigd in Amsterdam en bij de kinderrechter optrad als verzoekster belanghebbende in hoger beroep hierna: de GI en [de vader] die woont in [woonplaats1] en bij de kinderrechter optrad als belanghebbende belanghebbende in hoger beroep hierna: de vader. 1Samenvatting van de beslissing De kinderen: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2019; - [de minderjarige2] , geboren [in] 2019, en - [de minderjarige3] , geboren [in] 2020, zijn onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de vader. Het hof vindt dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De kern van de zaak 2.1. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn de kinderen van de moeder en de vader. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. De kinderen staan onder toezicht van de GI. De kinderen wonen sinds 25 mei 2023 bij de vader. 2.2. De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen voor nog een periode van een jaar onder toezicht te stellen en uit huis te mogen plaatsen bij de vader. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 5 april 2025 en de GI een machtiging gegeven om de kinderen nog een jaar langer uit huis te plaatsen bij de vader. Die machtiging geldt tot 5 april 2025. Dat is zo beslist in de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 28 maart 2024 (hierna: de bestreden beschikking). 2.3. De moeder is het niet eens met de bestreden beschikking. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt of (als het hof dat niet doet) de termijn van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing inkorten tot zes maanden. De moeder vindt dat zij zelf voor de kinderen kan zorgen. De GI wil dat de beslissing in stand blijft. Ook de vader wil dat de beslissing in stand blijft. 2.4. Het hof heeft de volgende stukken: het beroepschrift het verweerschrift het journaalbericht van mr. Tromp van 5 augustus 2024 met producties. 2.5. De zitting bij het hof was op 20 augustus 2024. Aanwezig waren: de advocaat van de moeder een zittingsvertegenwoordiger van de GI de vader. 3Het oordeel van het hof de wet 3.1. De kinderrechter mag een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding na een tijdje weer helemaal zelf kunnen gaan doen (artikel 1:255 BW). De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar (artikel 1:260 BW). 3.2. De GI of de raad kunnen de rechter verzoeken aan de GI een machtiging te geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken. standpunten 3.3. De moeder is het niet eens met de constatering van de kinderrechter dat is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1:255 BW, in samenhang met artikel 1:260 BW aan verlenging van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. De moeder betwist niet dat de samenwerking met de GI moeizaam verloopt, maar meent dat dit niet aan haar te wijten is. Zij wil graag meewerken maar heeft het gevoel dat zij niet gehoord wordt. Volgens de moeder is er geen ontwikkelingsbedreiging (meer) bij de kinderen. De moeder vond de zorg voor de kinderen samen met de zorg als mantelzorger voor haar moeder zwaar, maar er was geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Volgens de moeder is haar woning niet meer vervuild. Zij heeft spullen weggedaan, nieuw laminaat gelegd en de woning opgeruimd. In ieder geval zou de ondertoezichtstelling voor kortere tijd moeten worden uitgesproken. De moeder is het ook niet eens met verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader. Zij vindt niet dat de kinderen zich goed ontwikkelen bij de vader. Volgens de moeder klopt het juridisch ook niet dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader is verlengd, terwijl de kinderen vaker bij de grootouders (vaderszijde) dan bij de vader thuis verblijven. De moeder is het er tot slot niet mee eens dat de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing niet beperkt is tot zes maanden. De kinderen moeten zo spoedig mogelijk weer bij haar komen wonen, aldus de moeder. 3.4. De GI stelt dat er ernstige zorgen waren over de thuissituatie van de kinderen bij de moeder. Zo had moeder een verzamelstoornis, was er een grote wilde hond in huis, zag de woning er vervuild en verwaarloosd uit, was er veel geruzie tussen de volwassenen en de kinderen onderling in huis, zag de vader de kinderen door toedoen van de moeder niet meer en was er bij [de minderjarige1] sprake van structureel schoolverzuim. De vooruitgang waarover de moeder het heeft ziet de GI onvoldoende. Er moet nog veel gebeuren. Verder is de moeder ambivalent in het accepteren van hulpverlening. Zo heeft moeder bijvoorbeeld de GI op 21 mei 2024 een uitnodiging gestuurd om bij haar thuis te komen kijken. De GI heeft twee data voorgesteld en de moeder is daar niet meer op teruggekomen. De GI is daardoor nog niet op huisbezoek geweest om te zien hoe de woning van moeder er nu uitziet. De GI vindt de grondslag voor de uithuisplaatsing bij de vader in orde, want de GI beschouwt de opa en oma (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.