GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.335.234 (zaaknummer rechtbank Gelderland 410859) beschikking van 19 september 2024 inzake [verzoeker] , wonende in [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man, voor wat betreft zijn goederen in rechte vertegenwoordigd door: [de bewindvoerder] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , verder te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. Kaouass, tegen [verweerster] , wonende in [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. E.N. Mulder. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 september 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 december 2023; - het verweerschrift; - een journaalbericht met een bijlage van mr. Kaouass van 25 april 2024. 2.2 De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2024 plaatsgevonden. De man en zijn bewindvoerder als ook de vrouw waren aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1 De man en de vrouw, die beiden zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit hebben, zijn [in] 2005 in [plaats1] (Marokko) met elkaar gehuwd. Zij hebben dat huwelijk niet in Nederland laten registreren. 3.2 De man en de vrouw zijn de ouders van: - [de minderjarige1] (volgens de akte van geboorte Nederland:) geboren [in] 2006 in [plaats2] (en volgens nagenoemd vonnis: geboren [in] 2006); - [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats2] en - [de minderjarige3] , geboren [in] 2012 in [plaats2] . 3.3 De rechtbank Salé (afdeling Familierechtspraak), Marokko, heeft bij vonnis van 5 juli 2021 (hierna: het vonnis), voor zover hier van belang: - de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken; - het verzorgingsrecht voor de kinderen aan de vrouw toegewezen; - de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van: * 3.000 dirham voor de huisvesting tijdens de wachtperiode; * 800 dirham per kind per maand voor kinderalimentatie; * 100 dirham per maand verzorgingsloon; * 800 dirham per maand voor huisvesting; * 800 dirham per jaar bij aanvang van het Suikerfeest; * 1.200 dirham per jaar bij aanvang van het Offerfeest, alles met ingang van de datum van het vonnis 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken om voor recht te verklaren: -dat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was om de kinderalimentatie vast te stellen; -dat (naar het hof begrijpt:) het vonnis niet zal worden erkend in Nederland. De rechtbank heeft verder de overige verzoeken afgewezen, waaronder het (subsidiaire) verzoek van de man om (naar het hof begrijpt:) het vonnis te wijzigen en te bepalen dat de man € 17,- per kind per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. 4.2 De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Het hof vat de door de man en de bewindvoerder geformuleerde grieven op als grieven van de man. De man verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende: a. voor recht te verklaren dat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was om op verzoek van de vrouw bij (naar het hof begrijpt:) vonnis de kinderalimentatie vast te stellen; b. voor recht te verklaren dat (naar het hof begrijpt:) het vonnis niet kan worden erkend in Nederland; c. te bepalen dat de man € 17,- per kind per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Hieronder zullen de grieven per onderwerp aan de orde komen. 4.3 De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij vraagt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de proceskosten van de vrouw. 5De motivering van de beslissing Verklaring voor recht 5.1 Op grond van artikel 3:302 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreken. 5.2 De man heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht voor recht te verklaren dat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was om op verzoek van de vrouw bij vonnis van 5 juli 2021 de kinderalimentatie vast te stellen. Uit artikel 3:302 BW volgt dat een dergelijke verklaring voor recht in dit geval alleen iets zou kunnen inhouden over de rechtsverhouding tussen de man en de vrouw met betrekking tot de kinderalimentatie, maar niet over de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter om een (kinder)alimentatie vast te stellen. De Marokkaanse rechter bepaalt immers zelfstandig of hij al dan niet bevoegd is om over een aan hem voorgelegd verzoek te oordelen. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de man daarom niet kan worden ontvangen in dit verzoek. 5.3 De man heeft het hof verder verzocht om voor recht te verklaren dat het vonnis van de Marokkaanse rechter niet kan worden erkend in Nederland. De man voert ter onderbouwing van zijn stelling aan dat de Marokkaanse rechter zijn bevoegdheid ten onrechte heeft gebaseerd op valse informatie over de woonplaats van zowel de man als de vrouw. De man stelt dat de vrouw in het door haar ingediende echtscheidingsverzoek -waarbij de (kinder)alimentatie een nevenvoorziening is- kennelijk opzettelijk en buiten de man om, in strijd met de waarheid heeft vermeld dat zowel zij als de man woonplaats hadden in Marokko (zij in [plaats3] en de man in [plaats4] ) terwijl zij beiden en ook de kinderen toen in Nederland woonden. De Nederlandse rechter was dus (uitsluitend) bevoegd volgens de man. Omdat de man ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek onder bewind stond, waarmee de vrouw bekend was, had zij het verzoek om kinderalimentatie niet tegen de man maar tegen de bewindvoerder moeten richten. Omdat de bewindvoerder niet in Marokko maar in Nederland is gevestigd, was de Marokkaanse rechter ook om die reden niet bevoegd van dat verzoek kennis te nemen. 5.4 De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Partijen zijn in Marokko getrouwd en hebben ervoor gekozen hun huwelijk niet in Nederland in te schrijven. Zij hebben beiden domicilie gekozen bij hun familieleden en hebben beiden een advocaat in de arm genomen, die de standpunten van partijen in de echtscheidingsprocedure en de nevenvorderingen naar voren hebben gebracht, zoals uit het vonnis van 5 juli 2021 blijkt. De man heeft zich in de procedure in Marokko op geen enkele manier verweerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank Salé in de echtscheidingsprocedure, waarvan de kinderalimentatie ook onderdeel was. Nu de uitkomst de man kennelijk niet welgevallig is, heeft hij ruim een jaar later in oktober 2022 een verzoekschrift ingediend dat heeft geleid tot de bestreden beschikking en het onderhavige hoger beroep. De vrouw vindt het onbegrijpelijk dat de man zich op het standpunt stelt dat de rechtbank Salé kennelijk onbevoegd zou zijn om de vastgestelde kinderalimentatie te bepalen en hij niets zegt over de overige beslissingen, zoals die over de echtscheiding en de verdeling (waardoor het vermogen van de man buiten de verdeling blijft). De man doet aan ‘cherry-picking’ aldus de vrouw. De vrouw is voorts van mening dat de man geen rechtstreeks maar slechts een afgeleid belang heeft bij zijn verzoek om een verklaring voor recht, namelijk het verzamelen van stukken om een procedure in Marokko te starten. De vrouw is voorts van mening dat de rechtbank in de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat de Marokkaanse beschikking in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden. 5.5 Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de man geen rechtstreeks belang (meer) heeft bij dit verzoek, reeds omdat de vrouw haar verzoek tot erkenning dan wel tot verlof voor tenuitvoerlegging van Marokkaanse alimentatiebeslissing heeft ingetrokken. Zonder die erkenning of dat verlof kan de vrouw de beslissing van de Marokkaanse rechter in Nederland niet ten uitvoer leggen. 5.6 De man stelt dat hij (ook) belang heeft bij de afgifte van een verklaring voor recht, omdat hij een civiele procedure wil starten waarin hij wil vorderen dat de vrouw de tenuitvoerlegging van de alimentatiebeschikking in Marokko staakt en gestaakt zal houden (met dwangsom). Dat is noodzakelijk, aldus de man, omdat de man in Marokko onderworpen zal worden aan lijfsdwang, waarmee de vrouw reeds heeft gedreigd. Die procedure zal meer kans van slagen hebben als door de Nederlands rechter voor recht wordt verklaard dat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was en het vonnis om die reden niet in aanmerking komt voor erkenning in Nederland op grond van de criteria die de Hoge Raad heeft vastgesteld in zijn arrest van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838), aldus de man. 5.7 De vrouw voert verweer. De man heeft geen rechtstreeks belang bij zijn verzoek, maar een afgeleid belang, namelijk het verzamelen van stukken om een procedure in Marokko te starten, aldus de vrouw. 5.8 Het hof is van oordeel dat het door de man gestelde niet een voldoende rechtstreeks belang oplevert bij de door hem verzochte verklaring voor recht, zodat hij in dat verzoek niet kan worden ontvangen. Kinderalimentatie 5.9 De man heeft in hoger beroep (subsidiair) verzocht om een kinderalimentatie vast te stellen van € 17,- per kind per maand. Het hof zal hierna eerst ingaan op de rechtsmacht en het toepasselijk recht en daarna het verzoek inhoudelijk bespreken. Voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek is van belang of de hiervoor onder 3.3 vermelde Marokkaanse uitspraak met betrekking tot de kinderalimentatie in Nederland kan worden erkend. Ook daar gaat het hof hierna op in. Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.10 Omdat de onderhoudsgerechtigden en de man in Nederland woonplaats hebben, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3, aanhef en sub a en b, van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008). Op grond van artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, is Nederlands recht van toepassing, nu de kinderen thans hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Erkenning van de Marokkaanse beslissing 5.11 De Marokkaanse rechter heeft bepaald dat de man als onderhoudsbijdrage 800,-- dirham per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen alsmede de overige hiervoor onder 3.3 genoemde bedragen voor de verzorging, voor huisvestiging (onder andere tijdens de wachtperiode) en bij gelegenheid van het Offer- en Suikerfeest. De man stelt zich op het standpunt, zoals hiervoor is vermeld, dat het Marokkaanse vonnis niet kan worden erkend. Volgens de man was de Marokkaanse rechter niet bevoegd een dergelijke beslissing te nemen en voldoet diens beslissing niet aan de Nederlandse maatstaven. Volgens de vrouw dient de Marokkaanse onderhoudsbeslissing wel te worden erkend. Het hof overweegt als volgt. 5.12 Tussen Marokko en Nederland bestaat geen verdrag op het punt van de erkenning en tenuitvoerlegging van Marokkaanse beslissingen over een onderhoudsbijdrage. De erkenning en tenuitvoerlegging wordt daarom beheerst door het commune internationale privaatrecht, te weten art. 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In zijn arrest van 26 september 2014, (ECLI:NL:HR:2014:2838), heeft de Hoge Raad de voorwaarden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht volgens art. 431 Rv uiteengezet: “3.6.4 In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.