GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.322.712 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland locatie Groningen 9898706) beschikking van 24 januari 2024 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als verweerder en als verzoeker in het (voorwaardelijke) tegenverzoek, hierna: [de werknemer] , vertegenwoordigd door mr. A.A. Kootstra, tegen Enexis Personeel B.V., die is gevestigd in ’s-Hertogenbosch, die ook hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als verzoekster en als verweerster in het (voorwaardelijke) tegenverzoek, hierna aangeduid als: Enexis, vertegenwoordigd door mr. B. van den Boom. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Op 22 juni 2023 is in deze zaak een tussenbeschikking gegeven. Daarin is onder 3.30 overwogen dat de kantonrechter terecht de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden en [de werknemer] heeft veroordeeld in de proceskosten. In het hoger beroep van Enexis is Enexis belast met bewijs van haar stelling dat [de werknemer] (tegen [de opdrachtnemer] ) heeft verklaard dat hij het incident met [de beklaagde] op 14 januari 2020 bewust heeft uitgelokt. 1.2 Het procesverloop daarna blijkt uit: - de op 11 juli 2023 door Enexis toegezonden aantekeningen van [de opdrachtnemer] van 6 maart 2020 - het proces-verbaal van getuigenverhoor op 27 september 2023 - de op 6 november 2023 door [de werknemer] toegezonden producties 17 en 18 - het proces-verbaal van getuigenverhoor op 17 november 2023 - de conclusies na enquête van Enexis en van [de werknemer] . 1.3 Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald. 2Het oordeel van het hof de beslissing in het kort 2.1 Enexis is geslaagd in de bewijsopdracht. Het hof oordeelt dat [de werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom de transitievergoeding van € 106.438,89 bruto moet terugbetalen. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd. het bijgebrachte bewijs 2.2 Zoals hiervoor al is vermeld diende Enexis te bewijzen dat [de werknemer] tegen [de opdrachtnemer] heeft verklaard dat hij het incident met [de beklaagde] op 14 januari 2020 bewust heeft uitgelokt. [de opdrachtnemer] had dit opgenomen in zijn verslag aan Enexis van door hem, op verzoek van Enexis, gehouden interviews. Dit verslag, gedateerd op 7 maart 2020, heeft Enexis als productie 25 bij haar ontbindingsverzoek aan de kantonrechter overgelegd. Daarin staat: “Volgens [de werknemer] is de sociale veiligheid niet op orde als [de beklaagde] dienst heeft. [de werknemer] gaat al vijf jaar niet meer in gesprek met [de beklaagde] en communiceert alles via mail. Met een glimlach op zijn gezicht vertelt [de werknemer] mij dat hij [de beklaagde] in januari bewust uit de tent heeft gelokt. Hij is toen opzettelijk afgeweken van de procedure en heeft op de knop gedrukt om een collega binnen te laten in plaats van naar de deur te lopen. [de werknemer] wist dat [de beklaagde] het daar niet mee eens zou zijn en er iets van zou zeggen en daarom heeft [de werknemer] het toen gedaan.” In hoger beroep betwistte [de werknemer] dat hij dit had gezegd. 2.3 Op verzoek van Enexis is [de opdrachtnemer] gehoord als getuige. Tevoren had Enexis al aantekeningen overgelegd die [de opdrachtnemer] tijdens zijn interview met [de werknemer] zou hebben gemaakt. [de opdrachtnemer] heeft als getuige bevestigd dat hij die aantekeningen heeft gemaakt tijdens het gesprek met [de werknemer] en de passage voorgelezen waarin staat: “In januari heb ik [de beklaagde] bewust uit de tent gelokt. Ik had dienst als LG. (…) Ik heb iemand binnen gelaten door op de knop te drukken ipv naar de deur te lopen.” [de opdrachtnemer] heeft onder ede bevestigd dat het zo is gegaan. Voorts heeft hij verklaard dat hij het onder 2.2 bedoelde verslag zo snel mogelijk na het gesprek met [de werknemer] heeft opgesteld en blijft bij de inhoud ervan. 2.4 In contra-enquête heeft [de werknemer] zichzelf als getuige laten horen en ook [COR-lid] , die elders binnen Enexis werkzaam is. [de werknemer] erkent dat hij op 14 januari 2020 het veilige-deurprotocol overtrad maar verklaart dat hij dat niet bewust heeft gedaan en niet tegen [de opdrachtnemer] heeft gezegd dat hij [de beklaagde] bewust uit de tent heeft gelokt. Gevraagd naar de reden waarom [de opdrachtnemer] in strijd met de waarheid zou verklaren, heeft [de werknemer] daarop geen antwoord kunnen geven. Wel vond [de werknemer] dat [de opdrachtnemer] zijn taak moest neerleggen omdat hij diens opdracht niet juist vond en omdat [de opdrachtnemer] eerder coach was geweest van [de beklaagde] . Getuige [COR-lid] heeft niets kunnen verklaren over het incident in januari en het interview van [de opdrachtnemer] met [de werknemer] . Hij was daarbij niet aanwezig. Hij heeft geen reden om aan te nemen dat [de opdrachtnemer] in strijd met de waarheid zou verklaren, ook niet om daarmee een nieuwe opdracht te krijgen. 2.5 [de werknemer] heeft verder nog WhatsAppcorrespondentie tussen hem en [COR-lid] overgelegd van 6 en 7 maart 2020, voor en na het interview. de waardering van het bewijs 2.6 Het hof vindt de verklaring van [de opdrachtnemer] betrouwbaar. De verklaring is consistent en matcht met de handgeschreven aantekeningen en het verslag dat voorzien is van de datum daags na het interview. [de opdrachtnemer] heeft bovendien ruime ervaring met het opstellen van verslagen. Hij heeft verklaard dat hij twaalf jaar bij de Marechaussee heeft gewerkt en daar heeft geleerd hoe je verslagen moet opmaken en dat je dat ook zo spoedig mogelijk moet doen. [de werknemer] en [COR-lid] hebben geen reden kunnen opgeven waarom [de opdrachtnemer] in strijd met de waarheid zou verklaren. 2.7 [de werknemer] betwist niet dat hij met [de opdrachtnemer] heeft besproken dat hij het veilige-deurprotocol overtrad, maar wel dat hij gezegd zou hebben dat hij dat bewust heeft gedaan om [de beklaagde] uit de tent te lokken. Die verklaring overtuigt het hof niet. [de werknemer] heeft groot belang bij zijn ontkenning. Bovendien heeft hij eerder in de procedure betwist dat hij bepaalde dingen heeft gezegd en later moeten toegeven dat hij dat wel heeft gezegd. Om die reden heeft hij zelfs een deel van zijn vierde grief moeten intrekken: hij had zijn leidinggevende [de leidinggevende] toch ‘loopjongen’ genoemd. Ook constateert het hof dat uit de door [de werknemer] zelf overgelegde WhatsAppcorrespondentie met [COR-lid] , om 07:55 uur in de ochtend voor het interview, blijkt dat [de werknemer] bezig is met effectbejag: “Ik hoop ook echt dat ik nog even emotioneel wordt! Kan helpen”. Dit alles maakt dat de verklaring van [de werknemer] geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van die van [de opdrachtnemer] . 2.8 In de conclusie na enquête heeft [de werknemer] nog wel aangevoerd dat hij pas in de ontbindingsprocedure kennis heeft gekregen van het verslag van [de opdrachtnemer] en voordien nooit op de gewraakte uitlating is aangesproken. Dat is echter niet relevant voor de vraag of hij gezegd heeft wat hij volgens [de opdrachtnemer] gezegd heeft. De suggestie dat het verslag pas in 2022 in deze vorm is opgemaakt mist feitelijke onderbouwing. Ook is aangevoerd dat [de opdrachtnemer] in strijd met de waarheid zou hebben verklaard dat hij tijdens de gesprekken begin 2020 nog niet coach van [de beklaagde] was maar pas later. Dat [de opdrachtnemer] in strijd met zijn verklaring al op 6 of 7 maart 2020 coach van [de beklaagde] zou zijn, volgt echter niet uit de berichten waar [de werknemer] op wijst. Op 14 februari 2020 zou [de beklaagde] zijn leidinggevenden hebben gevraagd om bijstand door [de opdrachtnemer] bij het opstellen van een persoonlijk ontwikkelplan en inzet van [de opdrachtnemer] als mediator. Daarover hebben de leidinggevenden op 17 februari 2020 een voorbespreking met [de opdrachtnemer] gevoerd. Op vrijdag 28 februari 2020 heeft [de opdrachtnemer] een eerste gesprek met [de beklaagde] gehad, waarna leidinggevende [de leidinggevende] op 1 maart 2020 aan de afdeling meldt dat hij maandag een afspraak heeft met [de opdrachtnemer] over het vervolgprogramma, niet alleen voor [de beklaagde] maar ook voor de afdeling. Uit deze tijdlijn en berichten blijkt niet dat [de opdrachtnemer] al begin maart 2020 de opdracht had [de beklaagde] te coachen of dat feitelijk al deed. Dit onderdeel van de verklaring doet dus geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [de opdrachtnemer] op het hier relevante punt. 2.9 Al met al is Enexis geslaagd in het haar opgedragen bewijs en is vast komen te staan dat [de werknemer] [de beklaagde] bewust heeft uitgelokt op 14 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.