GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.340.164 (zaaknummer rechtbank Gelderland 421555) beschikking van 26 september 2024 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. H.C. Egger-van Oppen, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J.W.C. Giebels. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 december 2023 en 26 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 april 2024; het verweerschrift met producties, en een journaalbericht van mr. Egger-van Oppen van 12 augustus 2024 met producties. 2.2 De minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn – afzonderlijk van elkaar – op 19 augustus 2024 door mr. Mans gehoord in bijzijn van de griffier. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 22 augustus 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad). 3De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van: [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2009; [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2011, en [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2020, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 3.2 De ouders zijn overeengekomen dat de kinderen vanaf juni 2022, het moment dat de vrouw over eigen woonruimte beschikte, de ene week bij de man en de ander week bij de vrouw verbleven. Vanaf december 2022 verbleven de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man. 3.3 In de beschikking van 6 december 2022 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2022 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] een bedrag van € 80,- per kind per maand zal voldoen en voor [de minderjarige1] een bedrag van € 160,- per maand. Deze bijdragen bedragen met ingang van 1 januari 2024 ingevolge de wettelijke indexering € 87,72 per kind per maand respectievelijk € 175,70 per maand. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang en uitvoerbaar bij voorraad, de door de ouders overeengekomen zorgregeling gewijzigd en met ingang van 1 februari 2024 een zorgregeling vastgelegd waarbij: [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij de vader verblijven gedurende eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige3] op vrijdag ophaalt uit school en de moeder de kinderen zondag weer bij de vader ophaalt; [de minderjarige3] daarnaast bij de vader verblijft elke dinsdagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school, waarbij de vader haar dinsdag uit school ophaalt en op woensdag naar school brengt, en [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijven in onderling overleg tussen de ouders te verdelen. Verder heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van 6 december 2022, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 februari 2024 voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bepaald op € 48,- per kind per maand en voor [de minderjarige3] op € 22,- per maand. 4.2 De vrouw is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de zorgregeling en de kinderalimentatie. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover het betreft de voor de vakanties en feestdagen vastgestelde zorgregeling en de vastgestelde kinderalimentatie, en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat: de kinderen gedurende de helft van de vakanties en de helft van de feestdagen zoals omschreven onder 6 van het beroepschrift bij de vader verblijven, en de man met ingang van 26 januari 2024 als kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 131,- per kind per maand en voor [de minderjarige3] een bedrag van € 195,- per maand. Verder verzoekt de vrouw de proceskosten te compenseren. 4.3 De man voert verweer en hij vraagt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen, met uitzondering van de compensatie van proceskosten, en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing Zorgregeling 5.1 Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten. 5.2 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt. 5.3 De ouders hebben inmiddels overeenstemming bereikt over een groot deel van de vakantie- en feestdagenregeling. Daarover is dus geen beslissing meer nodig. Er bestaat alleen nog discussie over Kerstmis, oud en nieuw en Pasen. De vader wil een wissel tijdens deze feestdagen, de moeder dat niet. Voor deze dagen zal het hof – conform het advies van de raad – de visie van de vrouw volgen en bepalen dat de kinderen gedurende deze dagen het ene jaar bij de moeder zijn en het andere jaar bij de vader, zoals weergegeven in het dictum. Op die manier ervaren de kinderen gedurende de betreffende feestdagen meer rust omdat ze niet halverwege deze feestdagen hoeven te wisselen. Gelet op de verhoudingen tussen de ouders is dat belangrijk voor de kinderen, want momenteel ervaren de kinderen nog de nodige spanningen tussen de ouders. Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het kindgesprek laten weten dat zij het belangrijk vinden dat de ouders wat beter met elkaar zouden kunnen opschieten. Daarom zou het goed zijn als de ouders hulp gaan zoeken om hun ouderschap beter vorm te geven; samen lukt hen dit kennelijk niet. De raad adviseert de ouders om een traject van solo parallel ouderschap te gaan volgen. Het hof staat achter dit advies en benadrukt richting de ouders dat dit van groot belang is voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Kinderalimentatie Wijziging van omstandigheden 5.4 Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, en dat zij instemmen met een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht. Omvang van het geschil, volgorde van de bespreking 5.5 Met haar grieven stelt de vrouw de behoefte van [de minderjarige3] , de verdiencapaciteit van de man, de woonlasten van de man en de zorgkorting ten behoeve van [de minderjarige3] aan de orde. Het hof bespreekt de grieven binnen het bestek van de gevolgde indeling van de onderwerpen. Aanhechten berekeningen 5.6 Het hof hecht bij de bespreking van de draagkracht de daarbij behorende berekeningen aan deze beschikking en neemt deze berekeningen tot uitgangspunt. Het hof bespreekt hierna met name de punten waarover partijen van mening verschillen (voor zover van toepassing). Daarbij verwijst het hof naar de algemene toelichting in het Rapport Alimentatienormen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.