GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.322.580 zaaknummer rechtbank Gelderland 400771 arrest van 1 oktober 2024 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats1] en hoger beroep heeft ingesteld hierna: de zoon advocaat: mr. J.P. de Man tegen 1 [geïntimeerde1] die woont in [woonplaats2] 2. [geïntimeerde2] die woont in [woonplaats3] hierna: de dochters advocaat: mr. M.S. Vos 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 13 februari 2024 heeft op 19 maart 2024 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Partijen hebben op de mondelinge behandeling afspraken gemaakt over de verdeling van de woning. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal); ook de afspraken van partijen over de verdeling van de woning zijn vastgelegd in dat proces-verbaal. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over de toedeling (en verkoop) van de woning aan de zoon. De dochters hebben het hof gevraagd arrest te wijzen. Hierna is bepaald dat het hof arrest zal wijzen. 2De kern van de zaak 2.1. De vader van partijen is overleden [in] 2004; de moeder [in] 2014. Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Vader heeft partijen achtergelaten als zijn enige erfgenamen en aan moeder een legaat gemaakt van het vruchtgebruik van zijn nalatenschap. Moeder heeft de zoon benoemd tot erfgenaam voor een gedeelte groot aan zijn legitieme portie en de dochters samen voor het overige deel; zij heeft de dochters samen tot executeurs benoemd (testament van 17 oktober 2007). De zoon heeft de nalatenschap van zijn moeder beneficiair aanvaard; de dochters hebben als executeurs een ruimschootsverklaring afgelegd. Tot de nalatenschap van moeder behoort een woning in [woonplaats1] (hierna: de woning). 2.2. De zoon heeft bij de rechtbank een vordering tot vaststelling van de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder ingesteld. Hij vordert ook nietigverklaring dan wel vernietiging van het testament van moeder, rekening en verantwoording door de dochters van het beheer van de nalatenschappen, betaling aan de nalatenschappen van huurpenningen van de woning en inzage in het medisch dossier van moeder. De dochters hebben gevorderd dat de rechtbank de wijze van verdeling van de nalatenschappen gelast. 2.3. De rechtbank heeft beslist als volgt (eindvonnis van 4 januari 2023): “8.1. veroordeelt de zoon om binnen dertig dagen na het wijzen van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan al datgene dat nodig is voor de onderhandse verkoop en levering van de woning (…), waaronder begrepen maar niet uitsluitend a. een NWWI-taxatie van de huidige onderhandse verkoopwaarde door een van de makelaars van Van Kessel & Van Gellicum te Geldermalsen; het tot stand komen van een bemiddelingsovereenkomst tot verkoop van de woning door deze makelaar waarbij het oordeel van de makelaar ten aanzien van de waarde van de woning partijen op voorhand zal binden en waarbij partijen zich op voorhand conformeren aan het advies van de makelaar met betrekking tot de vraagprijs en de redactie van de koopovereenkomst; medewerking aan acceptatie van het bod van een koper indien dit niet meer dan 5 % lager is dan de (uiteindelijke) vraagprijs; (mede)ondertekening van de koopovereenkomst, (mede)ondertekening van de benodigde authentieke c.q onderhandse akten, 8.2. bepaalt dat in het geval de zoon weigerachtig blijft zijn medewerking te verlenen als vermeld onder 8.1., dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde handtekeningen van de zoon ten behoeve van de (opdracht tot) verkoop en levering van die woning, 8.3. heft op het door de zoon gelegde deelgenotenbeslag op zijn aandeel in de (hof: woning), 8.4. bepaalt de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder als hiervoor onder 7.16 vermeld, 8.5. bepaalt dat aan de dochters als executeurs kwijting en decharge wordt verleend voor het door hen gevoerde beheer over de nalatenschap van moeder. 8.6. compenseert de kosten van deze procedure aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, 8.7. verklaart de veroordeling onder 8.1. uitvoerbaar bij voorraad, 8.8. wijst af het meer of anders gevorderde.” De verdeling in 7.16 komt erop neer dat van de netto-opbrengst van de woning aan ieder van partijen € 52.421 wordt betaald (nalatenschap vader) en van het restant 1/6e aan de zoon en 5/12e aan ieder van de dochters (nalatenschap moeder). 2.4. De bedoeling van het hoger beroep van de zoon is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.5. Het hof heeft de zoon al eerder, in een tussenarrest van 25 juli 2023, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissingen van de rechtbank in 8.1.-8.3. 2.6. Het hof zal beslissen dat alle grieven van de zoon tegen het vonnis van de rechtbank van 4 januari 2023 falen en licht dat hierna toe. Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 4 januari 2023 in stand laten (bekrachtigen). 3De motivering van de beslissing grieven IV, VI en VII (de woning) 3.1. Met zijn grieven IV, VI en VII bestrijdt de zoon de beslissingen van de rechtbank in 8.1-8.3 van in het vonnis van 4 januari 2023. Doordat hij al eerder niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen die beslissingen (rov. 2.5.), hoeft het hof deze grieven niet te beoordelen. De grieven IV, VI en VII falen. grieven I, II en V (de wilsbekwaamheid van moeder) 3.2. De grieven I, II en V gaan over de geldigheid van de uiterste wilsbeschikkingen van moeder in het testament van 17 oktober 2007 (hierna: het testament). De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is voor vernietiging of nietigverklaring van het testament. De zoon vindt dat niet terecht. Naar zijn zeggen blijkt uit de verklaringen van buurvrouw [naam1] , hemzelf en zijn vrouw, van een verwarde geestestoestand van moeder vanaf het begin van 2007. De rechtbank had moeten verklaren dat de Stichting Rivas het medisch dossier van moeder moet overleggen en had medewerkers van Rivas als getuigen moeten horen. De dochters zeggen wel dat moeder wilsbekwaam was, omdat zij in 2008 een vaststellingsovereenkomst heeft getekend, maar dat betekent niets; moeder deed immers precies wat de dochters haar zeiden. 3.3. Volgens de dochters was moeder op 17 oktober 2007 goed in staat haar wil te bepalen. De notaris heeft zonder voorbehoud en na meerdere uitvoerige gesprekken met moeder het testament gepasseerd. Niet de geestesgesteldheid van moeder maar de verslechterde verstandhouding tussen haar en de zoon verklaren de aanpassing van het testament en dat moeder haar zoon in de legitieme heeft gesteld. De zoon heeft overigens in het voorjaar 2007 nog met moeder overeenkomsten gesloten (een koopovereenkomst en een vaststellingsovereenkomst); daaruit volgt dat de zoon moeder toen wel als wilsbekwaam zag. Moeder heeft tot 2011 zelfstandig gewoond. Tot 2009 is in haar medische dossier geen sprake van aanwijzingen voor dementie. Rivas was in 2007 nog niet betrokken bij moeder. De verklaringen van de buurvrouw en van de zoon en zijn echtgenote staan vol feitelijke onjuistheden. Deze personen hebben ook geen expertise voor de beoordeling van wilsbekwaamheid. 3.4. De grieven I en II komen erop neer dat de zoon – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – voldoende heeft gesteld om te worden toegelaten te bewijzen dat moeder bij het maken van haar testament op 17 oktober 2007 wilsonbekwaam was vanwege een geestelijke stoornis en dat de uiterste wilsbeschikkingen die zij in dat testament heeft gemaakt nietig zijn. Grief V houdt in dat de zoon net als de dochters voor 1/3e deel erfgenaam is omdat de erfstelling in het testament van moeder, waarbij zij de zoon tot erfgenaam benoemd voor een gedeelte gelijk aan zijn legitieme portie en de dochters voor het overige deel, nietig is. 3.5. De rechter komt aan bewijslevering en de beoordeling van een bewijsaanbod toe als enerzijds (in deze zaak door de zoon) voldoende is gesteld en anderzijds voldoende gemotiveerd is betwist (in deze zaak door de dochters). De zoon beroept zich als gezegd op de nietigheid van de uiterste wilsbeschikkingen van moeder in haar testament van 17 oktober 2007 vanwege haar wilsonbekwaamheid en moet alle (rechts)feiten stellen die noodzakelijk zijn voor het intreden van dat rechtsgevolg (de nietigheid). 3.6. Welke feiten dat zijn moet in deze zaak worden bepaald aan de hand van artikel 3:34 lid 1 BW. Artikel 3:34 lid 1 BW volgt op artikel 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist. Artikel 3:34 lid 1 BW luidt als volgt: “Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.” De tweede zin van lid 2 van artikel 3:34 BW bepaalt dat het ontbreken van de wil een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, zoals uiterste wilsbeschikkingen, nietig maakt. De zoon moet in dit geval stellen en zo nodig bewijzen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.