GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 23/2529 uitspraakdatum: 1 oktober 2024 Uitspraak van de drieëntwintigste enkelvoudige kamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 8 augustus 2023, nummer UTR 21/5248, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) en de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) (hierna: de Staat). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 342.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 33 respectievelijk € 17. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] . 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. 2.2. De rechtbank heeft aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend van € 50 waarvan € 33 te vergoeden door de heffingsambtenaar en € 17 door de Staat en bepaald dat geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van proceskosten of terugbetaling van het griffierecht. 3Geschil 3.1. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn algemeen geformuleerde grieven in zijn hogerberoepschrift uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen. Ook heeft belanghebbende zijn grief ingetrokken dat de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard. 3.2. In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn juist heeft vastgesteld en of de Rechtbank terecht geen vergoeding van het aan de rechtbank betaalde griffierecht heeft gelast. 3.3. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend. 3.4. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar de stelling ingetrokken dat voor de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden moet worden uitgegaan van een termijn van drie jaar. 4Beoordeling van het geschil Vergoeding immateriële schade door overschrijding van de redelijke termijn 4.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met drie maanden is overschreden en dat, alles afwegend, een immateriëleschadevergoeding van € 50 billijk is. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in de gecombineerde bezwaar- en beroepsfase de redelijke termijn is overschreden met ruim drie maanden. 4.3. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 9 januari 2024 bij de huidige stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad geen ruimte gezien om af te wijken van het uitgangspunt dat voor de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding niet van belang is in welke mate de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden en dat een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden . Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt bij een overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden . Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat is aan de orde als het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen en de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15 . Het Hof zal in deze zaak in gelijke zin oordelen. 4.4. De heffingsambtenaar heeft zich voor het eerst ter zitting van Hof op het standpunt gesteld dat geen spanning en frustratie kan worden verondersteld omdat sprake is van een zeer gering financieel belang zodat kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden . Het eerst ter zitting innemen van een stelling waartegen belanghebbende zich alleen adequaat kan verweren door een berekening over te leggen waarmee hij inzichtelijk maakt hoe groot het financieel belang is, acht het Hof in strijd met de goede procesorde. Om die reden wordt dit standpunt als tardief beschouwd en zal dit wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling worden gelaten. 4.5. Op grond van het voorgaande volgt het Hof de Rechtbank niet in haar oordeel dat de vergoeding voor immateriële schade in deze zaak op € 50 moet worden gesteld. In zoverre is het hoger beroep gegrond. 4.6. Het Hof zal, omdat de redelijke termijn met drie maanden is overschreden, de vergoeding voor immateriële schade vaststellen overeenkomstig het door de Hoge Raad bepaalde tarief van € 500. Van dit bedrag dient de heffingsambtenaar, conform de verdeling van de Rechtbank, € 170 te betalen en de Staat € 330. Vergoeding griffierecht beroepsfase 4.7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de heffingsambtenaar ten onrechte niet heeft gelast het door belanghebbende aan de rechtbank betaalde griffierecht te vergoeden. 4.8. In het arrest van 31 mei 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het griffierecht niet aan de belanghebbende moet worden vergoed in gevallen waarin het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. Dit geldt niet voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.