GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.324.574 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/521534 arrest van 8 oktober 2024 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Linge Lloyd Consultants B.V. die is gevestigd in Rotterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiseres hierna: Linge Lloyd advocaat: mr. M.J. Goedhart tegen 1de vennootschap onder firma [geïntimeerde1] V.O.F. handelend onder de naam “Partycentrum Schoonrewoerd” die is gevestigd in Schoonrewoerd, gemeente Vijfheerenlanden 2. [geïntimeerde2] die woont in [woonplaats1] 3. [geïntimeerde3] die woont in [woonplaats1] die bij de rechtbank optraden als gedaagden hierna: samen Partycentrum en ieder afzonderlijk Partycentrum, [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Linge Lloyd heeft hoger beroep ingesteld bij dit gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 20 april 2022 en 28 december 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord de akte van Linge Lloyd de antwoordakte van Partycentrum 2.1. Hierna heeft het hof arrest bepaald. 2De kern van de zaak 2.1. Linge Lloyd is een administratie- en adviesbureau. Partycentrum is een horeca-gelegenheid. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zijn vennoten van Partycentrum. Linge Lloyd heeft op grond van een mondelinge overeenkomst met Partycentrum werkzaamheden voor Partycentrum verricht met betrekking tot de financiële administratie van Partycentrum. Volgens Linge Lloyd moet Partycentrum nog betalen voor een deel van de werkzaamheden en hebben Linge Lloyd en Partycentrum daarover een betalingsafspraak gemaakt die Partycentrum voor een deel niet is nagekomen. 2.2. Linge Lloyd heeft bij de rechtbank gevorderd dat Partycentrum wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag dat Partycentrum nog niet heeft betaald (€ 27.636,18). De rechtbank heeft (in het vonnis van 20 april 2022) Linge Lloyd opgedragen bewijs te leveren van de betalingsafspraak en geoordeeld dat het deel van de vordering dat Partycentrum heeft erkend (€ 5.500,50) moet worden toegewezen. Vervolgens heeft de rechtbank (in het vonnis van 28 december 2022) geoordeeld dat Linge Lloyd het bewijs niet heeft geleverd, Partycentrum veroordeeld tot betaling aan Linge Lloyd van € 5.500,50 en beslist dat iedere partij de eigen kosten van de procedure moet dragen. 2.3. Linge Lloyd is daartegen in hoger beroep gekomen. Zij wil dat het hof haar vordering alsnog helemaal toewijst en Partycentrum veroordeelt in de kosten van de procedure bij de rechtbank en het hof. Partycentrum is het daar niet mee eens. Partycentrum wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en Linge Lloyd veroordeelt in de kosten van deze procedure. 2.4. Het hof oordeelt dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven, behalve voor zover die betrekking heeft op de buitengerechtelijke kosten, en dat Linge Lloyd de kosten van de procedure bij het hof moet betalen. De vordering van Linge Lloyd wordt niet alsnog helemaal toegewezen. Het hof legt hierna uit waarom (onder 4). Maar eerst zal het hof verwijzen naar de feiten waarvan het hof uitgaat (onder 3). 3De feiten Het hof gaat uit van de feiten zoals die zijn beschreven in het vonnis van de rechtbank van 20 april 2022 onder 2.1. tot en met 2.8. 4De redenen voor de beslissing Omvang hoger beroep 4.1. In hoger beroep gaat het alleen over de vordering van Linge Lloyd voor zover de rechtbank die nog niet heeft toegewezen, te weten de vordering tot nakoming van de betalingsafspraak die Linge Lloyd stelt te hebben gemaakt met Partycentrum. 4.2. Hierna zal het hof ingaan op de bezwaren (grieven) van Linge Lloyd tegen beslissingen van de rechtbank en de reactie van Partycentrum daarop. Bewijs dat Linge Lloyd moet leveren 4.3. Het hof neemt, net als de rechtbank, tot uitgangspunt dat Linge Lloyd moet bewijzen dat Linge Lloyd en Partycentrum op 26 januari 2019 met elkaar hebben afgesproken dat Partycentrum voor 31 december 2019 een bedrag van € 46.594,68 aan Linge Lloyd moest voldoen. 4.4. De partij die de bewijslast heeft van een bepaald feit, zoals in dit geval Linge Lloyd de bewijslast heeft van de genoemde afspraak, draagt het risico dat zij niet in het bewijs van dat feit slaagt en dat haar vordering daarom moet worden afgewezen. Dat risico doet zich voor als dat feit onbewezen of onduidelijk blijft. Linge Lloyd heeft het bewijs niet geleverd 4.5. Linge Lloyd vindt dat de rechtbank het bewijs dat Linge Lloyd heeft aangedragen niet goed heeft beoordeeld. Gelet daarop zal het hof nu zelf beoordelen of Linge Lloyd het bewijs heeft geleverd. Het hof is van oordeel dat Linge Lloyd het bewijs niet heeft geleverd en legt hierna uit waarom. 4.6 Of het bewijs is geleverd, moet worden beoordeeld aan de hand van de volgende bewijsmiddelen die partijen hebben aangedragen: de schriftelijke stukken die Linge Lloyd en Partycentrum in de procedure bij de rechtbank hebben ingediend (zoals de zogenoemde producties 1 tot en met 34 van Linge Lloyd en de producties 1 tot en met 7 van Partycentrum) de verklaring die [naam1] (hierna: [naam1] ) heeft afgelegd als getuige toen de rechtbank hem, op verzoek van Linge Lloyd, heeft gehoord in een getuigenverhoor de verklaring die [geïntimeerde2] heeft afgelegd als getuige toen de rechtbank hem, op verzoek van Partycentrum, heeft gehoord in een tegengetuigenverhoor. 4.6. Daarbij geldt het volgende voor de bewijskracht van de getuigenverklaringen van [naam1] en [geïntimeerde2] . [naam1] is als (oud-)eigenaar van Linge Lloyd een zogenoemde partijgetuige. De verklaring van [naam1] als partijgetuige kan op grond van artikel 164 lid 2 Rv geen bewijs in het voordeel van Linge Lloyd opleveren over het door Linge Lloyd te bewijzen feit (de betalingsafspraak). Dit kan anders zijn als er aanvullend bewijs is dat zo sterk is en over zulke belangrijke (essentiële) punten gaat, dat het de partijgetuigenverklaring van [naam1] voldoende geloofwaardig maakt. De verklaring van [geïntimeerde2] heeft geen beperkte bewijskracht. De regeling van artikel 164 lid 2 Rv over de beperking van de bewijskracht van een verklaring van een partijgetuige geldt namelijk alleen voor een partijgetuige van de partij die de bewijslast heeft van een te bewijzen feit en de partij die de bewijslast heeft, is in dit geval Linge Lloyd en niet Partycentrum. 4.7. Of de afspraak die moet worden bewezen is gemaakt, is afhankelijk van wat Linge Lloyd en Partycentrum over en weer hebben gezegd, geschreven en gedaan en van wat zij op grond daarvan, gezien de omstandigheden, van elkaar mochten verwachten en hebben verwacht. 4.8. [naam1] heeft, als getuige, kort gezegd het volgende verklaard: [naam1] heeft op 24 januari 2019 telefonisch met [geïntimeerde2] gesproken. [geïntimeerde2] vroeg hem of hij nog een keer kon doorgeven wat er open stond. [naam1] heeft aangegeven bereid te zijn tot het treffen van een regeling om tot een oplossing te komen. Ditzelfde voorstel was al een jaar eerder besproken, op 17 januari 2018. De vordering is toen niet inhoudelijk doorgenomen. [naam1] heeft op 24 januari 2019 een email gestuurd aan [geïntimeerde2] met daarin een overzicht van de openstaande vordering. Op 25 januari 2019 belde [geïntimeerde2] naar [naam1] . [geïntimeerde2] zei dat hij naar de bedragen had gekeken, dat hij daarmee akkoord was en dat hij het wilde afronden. [naam1] en [geïntimeerde2] hebben niet de facturen en bedragen helemaal doorgelopen zoals [naam1] die in de brief van 24 januari heeft opgenomen. We (het hof begrijpt: [naam1] en [geïntimeerde2]) wilden uitkomen op een bedrag van € 40.000 ex BTW voor beide bedrijven (het hof begrijpt dat hiermee is bedoeld: het bedrijf Partycentrum en het bedrijf van de eenmanszaak van [geïntimeerde2] ) samen. [naam1] heeft gezegd dat hij wel zou kijken hoe ze dat zouden verdelen en [naam1] zou de rest crediteren. [naam1] weet niet meer de precieze bewoordingen van het gesprek met [geïntimeerde2] . We (het hof begrijpt: [naam1] en [geïntimeerde2] ) hebben uitgebreider gesproken over de betaling van de BTW. Dat betrof een bedrag van ongeveer € 10.000,-. Deze aangifte moest over 2018 voor 31 januari 2019 gedaan worden. Zij hebben besproken dat de BTW- teruggave die betrekking had op de factuur gebruikt zal worden voor de betaling van de rekeningen. [geïntimeerde2] heeft tijdens het telefoongesprek niet gesproken over het meerwerk. Toen [naam1] het telefoongesprek met [geïntimeerde2] beëindigde, was de hele regeling bekend behalve de uitwerking van de creditering naar de € 40.000,- ex BTW. Die creditering heeft [naam1] uitgewerkt in de brief van 26 januari 2019. [naam1] heeft van [geïntimeerde2] geen reactie op deze brief ontvangen. Het klopt dat [geïntimeerde2] veelal telefonisch reageerde. Over deze regeling heeft [naam1] van [geïntimeerde2] enkel op 25 januari 2019 telefonisch een reactie gekregen. [naam1] heeft verder geen contact met [geïntimeerde2] opgenomen voor verdere bevestiging van de afspraak. [naam1] heeft wel een bericht uitgestuurd naar de toenmalige accountant van [geïntimeerde2] , [naam2] , over de afwikkeling van de BTW. [naam1] hoefde verder geen bevestiging te vragen, want er werden betalingen gedaan door [geïntimeerde2] conform de afgesproken regeling. Volgens [naam1] werden eind januari 2019 de voorschotnota’s al conform afspraak betaald. De afspraken leken te worden nagekomen conform de regeling. [naam1] ging er ook van uit dat deze afspraken zijn opgenomen in de financiële stukken van [geïntimeerde2] . Het BTW bedrag is uitbetaald door de belastingdienst en daarna doorbetaald aan Linge Lloyd. DAS heeft [naam1] bevestigd dat [geïntimeerde2] na 26 januari 2019 geen schriftelijk en mondeling contact met hen heeft opgenomen. Er is wel correspondentie over de betalingsregeling uitgestuurd naar [geïntimeerde2] , maar hierop is niet gereageerd. Na het contact op 26 januari 2019 met [geïntimeerde2] is DAS geïnstrueerd dat de incassomaatregelen stopgezet konden worden, omdat er een regeling was getroffen. DAS zou wel het dossier aanhouden. Onderdeel van de regeling van € 40.000 ex BTW was de afwikkeling van de openstaande facturen voor [geïntimeerde2] in privé. Dit onderdeel van de regeling heeft [geïntimeerde2] conform de regeling betaald. Op 10 januari 2020 hebben wij [geïntimeerde2] een email gestuurd met de openstaande som. Hierop is geen reactie gekomen. Behalve dat ongeveer 10 dagen later voor de laatste keer een bedrag van € 1500 is betaald door [geïntimeerde2] . 4.9. [geïntimeerde2] heeft, als getuige, kort gezegd het volgende verklaard: [geïntimeerde2] heeft op 24 januari 2019 naar Linge Lloyd gebeld en gesproken met [naam1] . [geïntimeerde2] heeft toen gebeld, omdat hij een mail had gekregen. Tijdens dat gesprek op 24 januari 2019 heeft [geïntimeerde2] aangegeven dat hij de voorschotten wilde betalen, maar het overige niet. [geïntimeerde2] heeft, denkt hij, voortgeborduurd op eerdere gesprekken. Die gesprekken waren niet telefonisch. In 2018 is [naam1] een keer langs geweest, samen met de heer [naam3] . [naam3] heeft [geïntimeerde2] later nog wel een paar keer gebeld, maar [geïntimeerde2] wilde met hem niet overleggen, want hij deed zaken met [naam1] . [geïntimeerde2] weet niet hoe het gesprek op 24 januari met [naam1] eindigde. [geïntimeerde2] weet niet precies wat er na het gesprek gebeurd of gedaan is. Het kan zijn dat zijn vrouw de voorschotten nog heeft gladgestreken. [geïntimeerde2] kan zich niet herinneren of hij zowel op 24 januari 2019 als op 25 januari 2019 met [naam1] heeft gebeld. In zijn herinnering is er één telefoongesprek geweest. [geïntimeerde2] kan zich niet herinneren of er over BTW is gesproken tijdens dat telefoongesprek. Het was duidelijk dat de voorschotten betaald moesten worden, maar er zijn geen afspraken gemaakt over hoe die betaling gedaan zou worden. [geïntimeerde2] weet dat is gezegd dat de voorschotten betaald moesten worden en daar is voor gezorgd. Er is tijdens dat telefoongesprek niet gesproken over de wijze van betaling van deze voorschotten. [geïntimeerde2] kan zich niet herinneren of hij tijdens dit telefoongesprek iets over het meerwerk heeft gezegd. Toen hij het telefoongesprek eindigde met [naam1] was het voor [geïntimeerde2] duidelijk dat ze hebben afgesproken dat [geïntimeerde2] de voorschotten zou betalen. [geïntimeerde2] heeft gebeld toen hij de brief van 26 januari 2019 van Linge Lloyd ontving. [geïntimeerde2] belde altijd naar [naam1] . De vrouw van [geïntimeerde2] doet binnen het partycentrum de administratie. [geïntimeerde2] werkt fulltime op de vrachtwagen. [geïntimeerde2] krijgt van haar informatie door en hij belt dan vanuit de vrachtwagen. [geïntimeerde2] heeft nooit schriftelijk ergens op gereageerd. Hij heeft toen aan [naam1] in het telefoongesprek hetzelfde verteld als de vorige keer: de voorschotten zouden betaald worden, de rest niet en daarmee was de zaak klaar. [geïntimeerde2] weet niet meer hoe [naam1] daar toen op gereageerd heeft. [geïntimeerde2] heeft daarna niets meer van Linge Lloyd gehoord tot deze procedure. [geïntimeerde2] heeft nooit met Linge Lloyd afgesproken dat hij een bedrag van € 46.000,- zou betalen. 4.10. Het hof oordeelt het volgende. De vraag of is bewezen dat de gestelde afspraak (vaststellingsovereenkomst) van 26 januari 2019 tot stand is gekomen moet mede beoordeeld worden tegen de ‘voorgeschiedenis’. De gestelde vaststellingsovereenkomst betreft een (volgens Linge Lloyd) openstaande vordering wegens in de periode van 2011 tot en met 2016 voor Partycentrum verrichte werkzaamheden te weten het voeren van financiële administratie. In 2011 nam [naam1] Linge Lloyd over en werden geen facturen meer gestuurd. Vanaf 2014 werden wel weer facturen gestuurd, voor een bedrag van € 6.600 per jaar. Per 1 januari 2017 nam Van der Stee Linge Lloyd over en in juni 2017 wordt een factuur aan Partycentrum gestuurd waarin voor de werkzaamheden over de jaren 2009 tot en met 2015 € 55.785,79 (inclusief BTW) in rekening wordt gebracht. Over deze factuur ontstaat dan een discussie tussen partijen. Op 3 januari 2019 ontvangt Partycentrum ( [geïntimeerde2] ) een brief van de voormalig gemachtigde van Linge Lloyd, DAS Rechtsbijstand, met het verzoek over te gaan tot betaling van een bedrag van € 61.775,29.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.