GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.330.354/01 en 200.330.354/02 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 219854) beschikking van 25 januari 2024 in de zaken van [verzoeker] (de man), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden, en [verweerster] (de vrouw), die woont in [woonplaats1] , verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. Y.M. Prins te Groningen. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 24 juli 2023 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in de hoofdzaak met zaaknummer 200.330.354/01 en van de procedure in de zaak met zaaknummer 200.330.354/02 met betrekking tot het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), tevens houdende het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking, ingekomen op 28 juli 2023; - een journaalbericht namens de man van 4 augustus 2023 met bijlage(n); - het verweerschrift; - een journaalbericht namens de man van 22 september 2023 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de man van 1 december 2023 met bijlage(n); - een e-mailbericht namens de man van 11december 2023 met bijlage(n). 2.2 De mondelinge behandeling waarbij de beide zaken tegelijkertijd zijn behandeld heeft op 14 december 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Buitenhuis heeft pleitnotities overgelegd. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2008 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 maart 2015 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 6 augustus 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats1] (hierna: de woning). Voor de financiering daarvan hebben partijen een hypothecaire lening afgesloten. 3.3 Bij beschikking van de rechtbank van 29 februari 2015, hersteld bij beschikking van 2 februari 2016, (hierna tezamen: de beschikkingen van de familiekamer) is de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. In de beschikking van 29 februari 2015 is door de rechtbank het volgende met betrekking tot de verdeling/verkoop van de woning overwogen: “(.. . ) Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank de waarde van de voormalige echtelijke woning vast op € 147.500,-. Vervolgens dient de man de mogelijkheid te hebben om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. Op grond hiervan zal de rechtbank bepalen dat de man twee maanden de tijd te rekenen vanaf de datum van deze beschikking heeft om te onderzoeken of hij de woning met de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen tegen de hiervoor vastgestelde waarde kan overnemen. Lukt het de man niet om de woning over te nemen, dan ligt het in de rede dat de woning wordt verkocht. (…) Indien de man er niet in slaagt de aan woning verbonden hypothecaire geldleningen over te nemen met gelijktijdig ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, dan dient de woning te worden verkocht aan een derde. Partijen dienen hun medewerking te verlenen aan verkoop van de woning, onder andere bestaande uit het verlenen van een verkoopopdracht aan een makelaar en het verlenen van medewerking aan de voorbereidingen van de verkoop (...). Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt (…). In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bepalen. Beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daarop volgende overdracht mee te werken. (...);” en het volgende beslist: “stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap als volgt vast: bepaalt dat de man de mogelijkheid krijgt om uiterlijk binnen twee maanden na betekening van de in deze te wijzen beschikking de gemeenschappelijke woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats1] over te nemen, tegen een waarde van € 147.500,- onder de verplichting de vrouw de helft van het verschil tussen de hypotheekschuld (€ 174.500,-) en de waarde (€ 147.500,-) uit de keren en onder de voorwaarde dat tevens de met deze woning verbonden hypothecaire geldleningen door de man worden overgenomen en de vrouw ter zake deze hypothecaire geldleningen gelijktijdig door de hypotheekhouder volledig wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid; bepaalt dat, indien na ommekomst van de hiervoor genoemd termijn, blijkt dat de man de aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen niet kan overnemen onder gelijktijdig ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de gemeenschappelijke woning aan de [adres] te [woonplaats1] van partijen wordt verkocht aan een derde en wijst daartoe de heer [naam1] , (... ) aan als makelaar teneinde de woning in de verkoop te nemen; bepaalt dat partijen hun volledige medewerking dienen te verlenen aan alle handelingen die noodzakelijk zijn om de woning in de verkoop te nemen, waarbij ieder van partijen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan de heer [naam1] indien partijen niet binnen zes weken na betekening van de in deze te wijzen beschikking een opdracht tot verkoop hebben ondertekend." In de beschikking van 2 februari 2016 is met betrekking tot de woning als volgt beslist: “verbetert voormelde beschikking van 29 december 2015 in die zin dat voor wat betreft de toedeling van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats1] aan de rechtsoverwegingen wordt toegevoegd en het dictum komt te luiden: bepaalt dat indien de man erin slaagt de aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen over te nemen met gelijktijdig ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de woning aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 147.500,-, onder de verplichting van de vrouw de helft van de onderwaarde te betalen aan de man, welke onderwaarde dient te worden verrekend met de helft van de waarde en na verrekening van de na peildatum door de man betaalde premie, van de Spaar Zeker verzekering bij de Rabobank (...) bepaalt dat deze verbetering onder vermelding van de datum van 2 februari 2016 wordt vermeld op de minuut van de beschikking van 29 december 2015; (...).” 3.4 De beschikkingen van de familiekamer zijn op 4 augustus 2016 aan de man betekend. 3.5 Op 5 januari 2017 hebben de man en de vrouw een opdracht tot dienstverlening aan makelaar [naam1] verstrekt tot het verkopen van de woning tegen een vraagprijs van € 159.000,-. 3.6 De man bewoont de woning. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 In eerste aanleg heeft de vrouw de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. haar te machtigen tot het te gelde maken van de woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats1] ; II. de man te veroordelen de woning te ontruimen en ontruimd te houden drie dagen voor de beoogde leverdatum van de woning aan een derde; III. de man te gebieden om alle handelingen te verrichten die nodig zijn om tot verkoop van de woning te komen, waaronder, maar niet uitsluitend begrepen, het dulden van de bezichtigingen van de woning op eerste verzoek van de makelaar en op het tijdstip dat door de makelaar wordt gewenst, het ter beschikking stellen van een sleutel aan de makelaar voor bezichtigingen, het vertrekken uit de woning op het moment van een bezichtiging, het schoon en netjes houden van de woning en daarbij behorende tuin een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding van dit gebod en voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt; IV. te bepalen dat de in deze procedure te wijzen beschikking in de plaats treedt van de toestemming van de man tot de benodigde rechtshandelingen om tot verkoop en levering van de woning te komen, waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend, het verlenen van opdracht tot verkoop aan een door de vrouw te bepalen makelaar, de instemmende wilsverklaring met betrekking tot de verkoop van de woning, het tekenen van de verkoopovereenkomst en het tekenen van de leveringsakte; V. te bepalen dat de man de helft van de kosten van verkoop voor zijn rekening dient te nemen en de vrouw te machtigen deze kosten te verrekenen met de uitkering wegens over- of onderwaarde die de man toekomt; VI. te bepalen dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de over- of onderwaarde met betrekking tot de woning na aftrek van de kosten voor het aflossen van de hypotheek en de kosten van verkoop en levering van de woning; VII. althans te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie behaagt. 4.2 De man heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken aan de vrouw te ontzeggen c.q. deze verzoeken af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding. Daarnaast heeft de man zelfstandige tegenverzoeken gedaan, waaronder tegenverzoeken die zijn gericht op het verkrijgen van een verklaring voor recht dat hij alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen en de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan deze overdracht/levering (hierna: tegenverzoeken 1 tot en met 6). Ook heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding. 4.3 De vrouw heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht om voor de tegenverzoeken 1 tot en met 6, ex artikel 69 van liet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bevelen dat de zaak wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, dan wel deze verzoeken en ook de overige verzoeken van de man af te wijzen. 4.4 In de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank - de vrouw machtiging verleend tot het te gelde maken van de woning; - de man veroordeeld de woning te ontruimen en ontruimd te houden drie dagen voor de beoogde leverdatum van de woning aan een derde; - de man geboden om alle handelingen te verrichten die nodig zijn om tot verkoop van de woning te komen, waaronder, maar niet uitsluitend begrepen, het dulden van bezichtigingen van de woning op eerste verzoek van de makelaar en op het tijdstip dat door de makelaar wordt gewenst, het ter beschikking stellen van een sleutel aan de makelaar voor bezichtigingen, het vertrekken uit de woning op het moment van een bezichtiging, het schoon en netjes houden van de woning en de daarbij behorende tuin een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding van dit gebod en voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt met een maximum van € 25.000,-; - bepaald dat de beschikking in de plaats treedt van de toestemming van de man tot de benodigde rechtshandelingen om tot verkoop en levering van de woning te komen, waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend begrepen, het verlenen van opdracht tot verkoop aan een door de vrouw te bepalen makelaar, de instemmende wilsverklaring met betrekking tot de verkoop van de woning, het tekenen van de koopovereenkomst en het tekenen van de leveringsakte; - bepaald dat de man de helft van de kosten van verkoop voor zijn rekening dient te nemen en de vrouw gemachtigd om deze kosten te verrekenen met de uitkering wegens over- of onderwaarde die de man toekomt; - bepaald dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de over- of onderwaarde met betrekking tot de woning na aftrek van de kosten voor het aflossen van de hypotheek en de kosten van verkoop- en levering van de woning; - bepaald dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt; - het meer of anders verzochte afgewezen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.