GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 23/1 t/m 23/5 uitspraakdatum: 15 oktober 2024 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 oktober 2022, nummers ARN 21/3563 tot en met ARN 21/3566 en ARN 21/5405, ECLI:NL:RBGEL:2022:5768, in het geding tussen [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2017)heeft de Inspecteur hiervan respectievelijk € 58.494 en € 59.599 gecorrigeerd, omdat deze rente volgens de Inspecteur geen verband houdt met een schuld die behoort tot de eigenwoningschuld. 2.12. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank nadat de bezwaren tegen de correcties door de Inspecteur zijn afgewezen. De Rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV gegrond verklaard en de gecorrigeerde rentebedragen alsnog in aftrek gebracht op het inkomen uit werk en woning. Hiertoe heeft de Rechtbank overwogen dat de paardenaccommodatie als aanhorigheid bij de woning moet worden aangemerkt. Redengevend daarvoor is dat de paardenaccommodatie als één geheel is gebouwd met de woning en in de directe nabijheid daarvan ligt, dat de accommodatie in gebruik is bij de bewoners van de woning en dat de accommodatie dienstbaar is aan de woning omdat het wordt gebruikt in de functie van hobbyuitoefening en dat is een functie van de woning. De Rechtbank heeft als gevolg hiervan ook de beschikkingen belastingrente vernietigd. De Rechtbank heeft een vergoeding voor immateriële schade toegekend van € 4.500 en die volledig toegerekend aan de Inspecteur. Ook heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding toegekend van € 3.084 en bepaald dat de Inspecteur het betaalde griffierecht van € 98 moet vergoeden. 2.13. Naar aanleiding van een op de zitting bij het Hof gesloten compromis heeft de Inspecteur ten behoeve van de feitenvaststelling de paardenaccommodatie bezocht en heeft belanghebbende nadere vragen beantwoord. De Inspecteur heeft zijn bevindingen neergelegd in een nader stuk van 1 juli 2024 (hierna: de feitenvaststelling). 3Geschil 3.1. In geschil is of de schuld ter financiering van de paardenaccommodatie kan worden aangemerkt als een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.120, eerste lid, van de Wet IB 2001 waarvan de rente in aftrek kan worden gebracht. In dat verband is tussen partijen met name in geschil of de paardenaccommodatie een aanhorigheid van de woning is in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend. 3.2. Verder is de belastingrente en de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 3.084 nog in geschil. 3.3. Ter uitvoering van het door partijen ter zitting bij het Hof gesloten compromis heeft de Inspecteur naar aanleiding van de feitenvaststelling aangegeven de hoger beroepen inzake de jaren 2012, 2013 en 2015 (BK-ARN 23/1, 23/2 en 23/3) in te trekken. 4Beoordeling van het geschil 4.1. Een eigen woning is, voor zover hier van belang, een gebouw met de daartoe behorende aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom (artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001). 4.2. Renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld komen in mindering op het voordeel uit eigen woning (artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001). Onder eigenwoningschuld wordt – kort gezegd – verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige die zijn aangegaan in verband met de eigen woning (artikel 3.119a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001). 4.3. Omdat het een aftrekpost ter zake van de eigen woning betreft, rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de paardenaccommodatie een aanhorigheid is als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet IB 2001. 4.4. De Wet IB 2001 geeft geen definitie van wat onder aanhorigheid moet worden verstaan. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat sprake is van een aanhorigheid bij een gebouw als een bouwwerk
- i)behoort bij dat gebouw,
- ii)daarbij in gebruik is en iii) daaraan dienstbaar is. Voor de vraag of een bouwwerk behoort bij een gebouw is van belang de afstand tussen het gebouw en de aanhorigheid, de bouwkundige situatie en de bereikbaarheid van de aanhorigheid vanuit het gebouw. 4.5. Het Hof is, anders dan belanghebbende en ook anders dan de Rechtbank, van oordeel dat het voor de beantwoording van de vraag of een bouwwerk dienstbaar is aan de eigen woning, niet doorslaggevend is of dat bouwwerk een functie heeft binnen de privésfeer, zoals in dit geval voor de uitoefening van een hobby. Dit valt naar het oordeel van het Hof onder de vraag of het bouwwerk in gebruik is bij de eigen woning. De vraag of het bouwwerk dienstbaar is aan, en daarmee in zekere zin niet onafhankelijk functioneert van de eigen woning, dient naar het oordeel van het Hof te worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken van het bouwwerk zelf in relatie tot die van de woning. 4.6. Het Hof is van oordeel – alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemend zoals weergegeven in onderdeel 2 – dat de paardenaccommodatie niet als een aanhorigheid bij de woning van belanghebbende kan worden aangemerkt. Op grond van de objectieve kenmerken ervan is de paardenaccommodatie een zodanig zelfstandig functioneel bouwwerk, dat het niet als dienstbaar aan een ander gebouw – en daarmee als aanhorigheid – kan worden aangemerkt. De paardenaccommodatie is, met alle bijbehorende voorzieningen, ontworpen en gebouwd om zelfstandig te functioneren ten opzichte van de woning, namelijk als manege. De paardenaccommodatie is als zodanig in gebruik, ook al vindt dat gebruik plaats in de hobbymatige sfeer. Daardoor moet de paardenaccommodatie los worden gezien van de woning en de woonfunctie die de woning (het gebouw in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001) heeft. 4.7. Het Hof wijst in dit verband in de eerste plaats op de oorspronkelijke opzet en inrichting van het hoofdgebouw en het terrein, waardoor de accommodatie bedrijfsmatig zou kunnen worden geëxploiteerd. Dat de beoogde bedrijfsmatige exploitatie als manege al vóór de ingebruikname niet rendabel is gebleken, neemt niet weg dat de paardenaccommodatie over alle voorzieningen beschikt die nodig zijn voor de verzorging en training van meerdere paarden, ook van derden. Dit volgt uit de grootte en omvang van de accommodatie, maar ook uit de keuken met verblijfsruimte, de eigen inrit met een parkeerterrein waar voldoende ruimte is voor meerdere auto's en de afscheiding tussen het terrein van de accommodatie en dat van de woning. Die objectieve kenmerken onderstrepen de zelfstandigheid van de accommodatie ten opzichte van de woning. Dat de nutsvoorzieningen en riolering zijn aangesloten op die van de woning doet aan het voorgaande niet af, omdat de zelfstandige functie van de paardenaccommodatie daarvan niet afhankelijk is. Voor die functie is slechts relevant dat over die voorzieningen kan worden beschikt. 4.8. In de tweede plaats acht het Hof de omvang en de waarde van de paardenaccommodatie in verhouding tot de omvang en de waarde van de woning van belang. Het hoofdgebouw van de accommodatie is veel groter dan de woning en ook het terrein van de paardenaccommodatie is vele malen groter dan dat wat in gebruik is bij de woning (zie de foto in 2.5). De paardenaccommodatie vertegenwoordigt daarnaast een waarde die hoger is dan die van de woning, uitgaande van de WOZ-waarde (peildatum 1 januari 2017) en rekening houdend met het feit dat een groot deel van de waarde die wordt toegerekend aan het perceel bij de woning eigenlijk tot de (ondergrond van
- de)paardenaccommodatie moet worden gerekend. Ook hierin ziet het Hof feitelijke aanknopingspunten dat de paardenaccommodatie zelfstandig is ten opzichte van de woning en niet daaraan ten dienste staat. 4.9. De conclusie is daarom dat de Inspecteur in de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 terecht de aftrek van de rente die is toe te rekenen aan de paardenaccommodatie heeft gecorrigeerd. Het hoger beroep van de Inspecteur is in zoverre gegrond. Belastingrente 4.10. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente voor de jaren 2016 en 2017. Belanghebbende heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat vanwege het lange behandeltraject de belastingrente onnodig is opgelopen. 4.11. Onder omstandigheden kunnen algemene beginselen van behoorlijk bestuur meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de belastingrente moet worden gematigd. Hoewel belanghebbende kan worden toegegeven dat in de onderhavige jaren de beoordeling van de aangiftes erg lang heeft geduurd, ziet het Hof in de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslagen het zorgvuldigheids- of evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Reden daarvoor is dat partijen ondanks de uitspraak van dit Hof van 27 februari 2018 (zie punt 2.10) over de kwalificatie van de paardenaccommodatie, in conflict waren over de (vaststelling van
- de)relevante feiten in de jaren na 2010. Daardoor kan niet gezegd worden dat de lange behandelduur uitsluitend het gevolg is geweest van keuzes van de Inspecteur. Omdat voor het overige niet in geschil is dat de belastingrente overeenkomstig artikel 30fc, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is berekend, blijven de beschikkingen voor de jaren 2016 en 2017 in stand. Proceskosten in beroep 4.12. Omdat de Inspecteur de hoger beroepen met betrekking tot de jaren 2012, 2013 en 2015 heeft ingetrokken, blijft de uitspraak van de Rechtbank in zoverre in stand. Dit geldt ook voor de beslissing inzake de toekenning van de vergoeding voor immateriële schade die betrekking heeft op alle in beroep in geschil zijnde jaren. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de beslissing van de Rechtbank over de proceskosten in stand kan blijven. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond wat betreft de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 en de bijbehorende beschikkingen belastingrente. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet in de intrekking van de hoger beroepen wat betreft de aanslagen IB/PVV 2012, 2013 en 2015 aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken voor door een derde verleende rechtsbijstand overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.625 (2 punten (verweerschrift, bijwonen zitting) € 875 wegingsfactor 1,5). 6Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar alleen voor zover het betreft de beslissingen omtrent de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 en de bijbehorende rentebeschikkingen, – bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, – verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 en de daarbij behorende beschikkingen belastingrente ongegrond, – veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.625. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. De voorzitter, (G.J. van de Lagemaat) (J.M.W. van de Sande) Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 16 oktober 2024. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1895. HR 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412, BNB 1993/281, en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:65. HR 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412, BNB 1993/281. De Rechtbank heeft in dit verband verwezen naar Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4057. HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126.