GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.341.561 zaaknummer rechtbank Gelderland 406102 arrest in het incident van 29 oktober 2024 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats1] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eisende partij in conventie en verweerder in reconventie hierna: [appellant] advocaat: mr. M. Straus tegen 1 [geïntimeerde1] die woont in [woonplaats2] die bij de rechtbank optrad als gedaagde partij in conventie 2. de stichting Stichting Secure Software Foundation die is gevestigd in Apeldoorn die bij de rechtbank optrad als gedaagde partij in conventie en eiseres in reconventie hierna: samen [geïntimeerde1] c.s. en ieder afzonderlijk [geïntimeerde1] en SSF advocaat: mr. L. van der Wijngaart 1Het verloop van de procedure in hoger beroep [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 1 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven tevens vordering in het incident het bericht van mr. Straus van 13 augustus 2024 met producties 66 tot en met 104 de conclusie van antwoord in het incident met producties 84 tot en met 96. 2De kern van de zaak 2.1. SSF is opgericht op 8 december 2015 en heeft volgens haar statuten ten doel de ontwikkeling van veilige software te bevorderen. SSF handelt (mede) onder de naam Stichting Secure Software Alliance of SSA. [appellant] was vanaf 27 maart 2017 voorzitter en [geïntimeerde1] was vanaf 1 maart 2017 penningmeester van SSF. Bij bestuursbesluit van 16 juli 2021 is [appellant] geschorst als bestuurder van SSF. Bij bestuursbesluit van 4 oktober 2021 is [appellant] ontslagen als bestuurder van SSF. Tijdens de bestuursvergadering van 9 december 2021 is [naam1] benoemd als voorzitter ad interim en [naam2] benoemd als penningmeester ad interim van SSF. Ook heeft het bestuur van SSF tijdens die bestuursvergadering besloten om een gerechtelijke procedure te starten tegen [appellant] . 2.2. [appellant] heeft bij de rechtbank, met diverse nevenvorderingen, samengevat gevorderd een verklaring voor recht dat [geïntimeerde1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, een verklaring voor recht dat de hierboven genoemde besluiten in strijd met de statutaire bepalingen van SSF zijn genomen en dat de rechtbank deze besluiten nietig verklaart dan wel vernietigt. [geïntimeerde1] c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd en SSF heeft op haar beurt (in reconventie), met diverse nevenvorderingen, samengevat gevorderd een tweetal verklaringen voor recht met als strekking dat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie heeft gepleegd, een veroordeling van [appellant] tot betaling van € 135.000,00 en het opleggen van een verbod aan [appellant] om werkzaam te zijn onder de handelsnamen ‘SSA’ en/of ‘Secure Software Alliance’ en het logo van SSA te gebruiken. 2.3. De rechtbank heeft bij vonnis van 1 mei 2024 in conventie: voor recht verklaard dat de besluiten van 16 juli 2021 van SSF nietig zijn, behalve het besluit van die datum waarbij [appellant] voor drie maanden is geschorst; [appellant] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde1] c.s. begroot op € 314,00 aan vast recht en € 1.228,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief II); in reconventie: [appellant] veroordeeld tot betaling aan SSF van € 115.651,80 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening; [appellant] veroordeeld tot betaling aan SSF van € 19.057,50 (90% van € 21.175,00) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening; [appellant] verboden om middellijk dan wel onmiddellijk werkzaam te zijn onder de handelsnaam ‘SSA’ dan wel ‘Secure Software Alliance’, om een onderneming of rechtspersoon op te richten die deze namen gebruikt als statutaire naam of handelsnaam en om het logo van de Stichting Secure Software Alliance te gebruiken, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding en € 500,00 voor elke dag dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 200.000,00; [appellant] veroordeeld in de proceskosten, tot aan het vonnis van 1 mei 2024 aan de zijde van SSF begroot op € 3.858,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief V). [appellant] is (in conventie en reconventie) veroordeeld in de nakosten, aan de zijde van [geïntimeerde1] c.s. berekend op € 278,00 aan salaris voor de advocaat, voor het geval dat betekening van het vonnis van 1 mei 2024 heeft plaatsgevonden en nodig is geweest te vermeerderen met € 92,00. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard (zonder daarop toegespitste motivering) en het meer of anders gevorderde is afgewezen. 2.4. [appellant] is het niet eens met dit vonnis van de rechtbank en heeft daarom hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft ook een incidentele vordering ingesteld. 2.5. [appellant] vordert in dit incident: a. de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis waarvan hoger beroep te schorsen, zo nodig in goede justitie te bepalen verstrekken van zekerheid in de vorm van een bankgarantie; b. [geïntimeerde1] c.s. te verbieden het vonnis waarvan hoger beroep te executeren en te bevelen om de executie van het dictum 5.3 en 5.4 en/ of 5.5 van het vonnis gestaakt te houden en voor zover met de tenuitvoerlegging is begonnen, deze te staken en, voor zover beslag is gelegd, dat op te heffen en/of niet voort te zetten, zulks op straffe van een aan [appellant] te betalen dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, te vermeerderen met een bedrag van € 1.500,00 per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, één en ander met een maximum van € 300.000,00, althans een dwangsom die het hof juist acht; c. [geïntimeerde1] c.s., voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ieder hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van deze procedure in incident, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest. 2.6. [geïntimeerde1] c.s. voert verweer en vraagt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidentele vorderingen, dan wel hem deze integraal te ontzeggen, dan wel te matigen in goede justitie, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure, een bedrag aan salaris voor de advocaat van [geïntimeerde1] c.s. en een bedrag aan nasalaris daaronder begrepen. 3Het oordeel van het hof 3.1. In het door [appellant] geformuleerde petitum staat vermeld “(..) zo nodig in goede justitie te bepalen verstrekken van zekerheid in de vorm van een bankgarantie”. Voor zover [appellant] daarmee heeft beoogd een vordering tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv in te stellen, zal het hof daaraan voorbij gaan. [appellant] heeft die vordering in dat geval namelijk onvoldoende duidelijk geformuleerd en ook in het geheel niet toegelicht. Uit de conclusie van antwoord in het incident van [geïntimeerde1] c.s. valt verder af te leiden dat [geïntimeerde1] c.s. de vordering ook niet in die zin heeft begrepen. Voor zover [appellant] bedoelt dat hij een bankgarantie wil stellen in plaats van te voldoen aan de betalingsverplichtingen aan SSF die uit de veroordelingen door de rechtbank in reconventie voortvloeien, zoals [geïntimeerde1] c.s. heeft begrepen, geldt dat een bankgarantie onvoldoende recht zou doen aan het belang van SSF het vonnis meteen te kunnen uitvoeren en daardoor geld te ontvangen, daargelaten dat [appellant] de voorwaarden voor zo’n bankgarantie en zijn mogelijkheid tot het verkrijgen ervan niet heeft toegelicht. Dit deel van de incidentele vordering zal daarom worden afgewezen. 3.2. Het hof zal ook de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging afwijzen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen. 3.3. Het vonnis van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om het vonnis meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.