GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.340.457/01 zaaknummer rechtbank 16558897 arrest van 29 oktober 2024 in de zaak van [verzoeker] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, eiser in de procedure bij de rechtbank, hierna: [verzoeker], advocaat: mr. J. Wassink te Wijchen, tegen [verweerster] , die woont in [woonplaats1] , verweerster in hoger beroep, gedaagde in de procedure bij de rechtbank, hierna: [verweerster], advocaat: mr. C. Hofmans te Amsterdam. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank) op 17 januari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 17 april 2024; de memorie van grieven van 4 juni 2024; de memorie van antwoord van 13 augustus
- 1.2 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en daartoe de procesdossiers aan het hof toegezonden. 2De kern van de zaak 2.1 Partijen zijn buren en hebben een slechte verstandhouding met elkaar. Dit geschil gaat over een boom in de voortuin. [verzoeker] wil dat [verweerster] voorkomt dat takken van haar boom over de erfgrens hangen en dat [verweerster] een boete verbeurt als dit wel gebeurt. 2.2 Bij de rechtbank had [verzoeker] nog de verwijdering van de hele boom gevorderd. De rechtbank heeft alle vorderingen afgewezen. Het hof zal de vordering van [verzoeker] in beperkte vorm toewijzen. Het hof zal dat oordeel hierna toelichten, nadat hierna eerst de feitelijke achtergrond is weergegeven. 3De feiten 3.1 [verweerster] woont sinds 1997 in [woonplaats1] aan de [adres] 15
- [verzoeker] is in 2020 eigenaar geworden van [adres] 15
- Het betreft geschakelde woningen. Vanaf eind 2021 hebben partijen juridische brieven naar elkaar gestuurd over meerdere geschilpunten. 3.2 Een van de geschilpunten is de aanwezigheid van een (berken)boom die staat in de voortuin van [verweerster] op minder dan 50 cm van de erfgrens. De boom (in ongesnoeide toestand) is rechts te zien op onderstaande foto. Links van de boom is het toegangspad naar de woning van [verzoeker] en diens voordeur zichtbaar. 3.1 In de gemeente Lelystad geldt een van artikel 5:42 BW afwijkende regeling voor de afstand van bomen tot de erfgrens. Dat is verder niet meer van belang want [verzoeker] vecht het oordeel van de rechtbank niet aan dat ten gevolge van het geslaagde beroep op verjaring de boom mag blijven staan waar deze staat. 3.2 [verweerster] heeft de boom in mei 2023 teruggesnoeid zodat op dat moment geen takken over het erf van [verzoeker] staken. 4Het oordeel van het hof 4.1 [verzoeker] vindt het niet terecht dat [verweerster] de boom pas snoeit nadat hij daarom vraagt. Hij wil dat [verweerster] wordt veroordeeld om de overhangende takken te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 2.000,-. 4.2 De rechtbank heeft het volgens haar verstrekkende gebod om toekomstige overhangende takken te verwijderen afgewezen en geoordeeld dat het opleggen van een dwangsom alleen maar tot executiegeschillen zal leiden omdat partijen het niet eens zijn over het exacte verloop van de juridische erfgrens. 4.3 [verzoeker] komt met een drietal bezwaren (grieven) op tegen het oordeel van de rechtbank om geen snoeiverplichting aan [verweerster] op te leggen onder verbeurte van een dwangsom. Het hof zal die grieven gezamenlijk bespreken. 4.4 Artikel 5:44 lid 1 BW bevat het zogenaamde wegsnijrecht. Als beplanting over het erf van de buurman hangt, is die buurman bevoegd om zelf de overhangende takken/ overhellende beplanting weg te snoeien tot de erfgrens, nadat hij de eigenaar van de beplanting tevergeefs heeft aangemaand om de overhangende beplanting te verwijderen. Op dit artikel kan niet een verplichting voor de eigenaar van de beplanting worden gebaseerd om zelf tot snoeien van de overhangende takken over te gaan. 4.5 In de rechtspraakis aanvaard dat een dergelijke verplichting wel kan worden gebaseerd op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). [verzoeker] is eigenaar van zijn woning met bijbehorend erf. Dat eigendomsrecht omvat ook de bevoegdheid tot gebruik van de ruimte boven (en onder) de oppervlakte (artikel 5:21 lid 1 BW, zij het niet tot in het oneindige, gelet op lid 2). Het enkele aanwezig zijn van overhangende takken zonder instemming van [verzoeker] en tegen diens uitdrukkelijke wil, levert in beginsel dan ook een onrechtmatig handelen op van [verweerster] als eigenaar van deze takken wegens een inbreuk op het eigendomsrecht. [verzoeker] mag zich, binnen de grenzen van de wet, tegen die inbreuk verzetten en vorderen dat een nieuwe inbreuk wordt voorkomen. Een van die wettelijke grenzen is misbruik van recht. Het hof acht echter door [verweerster] niet aangetoond dat daarvan sprake is, zij het dat het dossier wel de sfeer ademt van een hoogopgelopen burenruzie waarbij kleinigheden tot grote proporties worden opgeblazen. Dat [verzoeker] geen voldoende belang heeft bij zijn vordering, zoals [verweerster] betoogt, valt echter niet in te zien. [verzoeker] heeft immers een redelijk belang om het toegangspad naar zijn voordeur vrij te houden van overhangende takken. 4.6 Het hof acht voldoende grond aanwezig om [verweerster] te veroordelen om de boom jaarlijks, in het (late) najaar/ winterseizoen (wat het hof zal bepalen op ‘vóór 1 april’; bij een berkenboom is de beste snoeitijd de periode november/december) terug te snoeien tot in elk geval de erfgrens. [verweerster] heeft geschreven dat zij daartoe bereid is, maar dat [verzoeker] haar verbiedt om bij het snoeien van zijn erf gebruik te maken. Daarom zal het hof aan dit gebod de voorwaarde verbinden dat [verzoeker] [verweerster] toelaat om bij het snoeien gebruik te maken van zijn erf (zijn pad). Het hof zal aan de verplichting om te snoeien een dwangsom verbinden als door [verzoeker] is gevorderd; dus als [verweerster] niet jaarlijks vóór 1 april de boom heeft teruggesnoeid, verbeurt zij een dwangsom van € 50 per dag totdat zij alsnog aan de snoeiverplichting heeft voldaan, met een maximum van € 2.000,-. 4.7 Voor het geval de boom in het groeiseizoen overhangende takken ontwikkelt en [verzoeker] wenst dat die voor de winter teruggesnoeid worden, staat hem de mogelijkheid van artikel 5:44 BW ten dienste. Dit dus zonder dwangsom. 4.8 Het hof ziet in deze uitkomst waarbij de vordering van [verzoeker] gedeeltelijk wordt toegewezen, aanleiding om de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren. Bij deze uitkomst blijft [verzoeker] de partij die overwegend in het ongelijk is gesteld bij de rechtbank, zodat het hof de kostenveroordeling door de rechtbank in stand zal laten. 5De beslissing Het hof: 5.1 vernietigt het vonnis van de rechtbank in Lelystad van 17 januari 2024 voor zover daarbij ook de subsidiaire vordering van [verzoeker] geheel is afgewezen, bekrachtigt dat vonnis voor het overige en beslist, opnieuw rechtdoende, als volgt: 5.2 veroordeelt [verweerster] om de boom in haar voortuin jaarlijks terug te snoeien tot aan de erfgrens tussen haar perceel en het perceel met huisnummer 15 27, en wel telkens in de periode van 1 november tot en met 1 april van het daaropvolgende jaar, waarbij steeds de voorwaarde geldt dat [verzoeker] [verweerster] toestaat daarvoor gebruik te maken van zijn erf. Het hof verbindt aan deze veroordeling een dwangsom van € 50,- per dag voor iedere dag na 1 april dat [verweerster] niet aan deze jaarlijkse snoeiverplichting heeft voldaan en ook nalaat de boom alsnog tot de erfgrens terug te snoeien, met een maximum van in totaal € 2.000,-; 5.3 verklaart de veroordelingen als vermeld onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad; 5.4 bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep; 5.5 wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J.E. Wichers en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober
- Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 25 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2453, Hof Amsterdam 17 mei 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1464 en Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8073.