← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:7005

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.337.585/01 en 200.337.585/02 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 551678) beschikking van 12 november 2024 in de zaak van [verzoeker] (de man), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere, en [verweerster] (de vrouw), die woont in [woonplaats1] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. A.C.M. Montessori te Almere. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 8 november 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 8 februari 2024; - een journaalbericht namens de man van 27 februari 2024 met bijlage(n); - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - een journaalbericht namens de man van 6 augustus 2024 met bijlage(n); - een brief namens de vrouw van 22 augustus 2024 met bijlage(n). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 16 september 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen en hun advocaten. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2019 met elkaar gehuwd. De man en de vrouw hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt en zijn daarom getrouwd (geweest) in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Deze regeling houdt in hoofdlijnen in dat alle goederen die tijdens het huwelijk worden verkregen en alle schulden die tijdens het huwelijk worden aangegaan gemeenschappelijk zijn. Dit geldt ook voor goederen die partijen voor het huwelijk samen hebben verkregen en voor schulden die zij voor het huwelijk samen zijn aangegaan. Alle andere voorhuwelijkse goederen en schulden blijven privévermogen, net zoals schenkingen en erfenissen, ook die tijdens het huwelijk zijn verkregen. 3.2 De man heeft op 20 oktober 2022 de procedure ingeleid door een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen bij de rechtbank. De beperkte gemeenschap van partijen is op die datum – de peildatum - ontbonden. 3.3 Beide partijen hebben in de procedure in eerste aanleg verzoeken gedaan betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk. 3.4 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen en de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap vastgesteld. 3.5 Het huwelijk van partijen is op 15 januari 2024 ontbonden door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3.6 De woning te [plaats1] aan de [adres] - die onderdeel uitmaakte van de ontbonden beperkte huwelijksgoederengemeenschap - is inmiddels verkocht en geleverd aan een derde. 4De omvang van het geschil 4.1 De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de vrouw af te wijzen en zijn verzoeken toe te wijzen waarbij de beslissing onder 4.3 dient te luiden dat hij € 28.775,94 aan de vrouw dient te betalen, dan wel een ander bedrag dat het hof juist acht. Daarnaast verzoekt hij de vrouw te veroordelen om € 19.800,60 aan hem te betalen, zijnde hetgeen de vrouw te veel heeft ontvangen uit de verdeling, dan wel een bedrag dat het hof juist acht. 4.2 De vrouw is eveneens in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt aanvullend om de man te veroordelen bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 853a Rv bankafschriften te overleggen van de banksaldi van zijn betaal- en spaarrekeningen op de peildatum 20 oktober 2022, zowel het beginsaldo als het eindsaldo op die dag. Daarnaast verzoekt ze de man te veroordelen tot betaling van het verschil tussen het bedrag dat hij op basis van de werkelijke saldi per peildatum had moeten betalen en het door hem betaalde bedrag van € 1.661,63, met bepaling dat - indien het aandeel van de vrouw in de banksaldi van de man minder mocht blijken te bedragen dan hetgeen de vrouw heeft ontvangen te weten € 1.661,63, - zij het verschil aan de man zal dienen te vergoeden, en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 2.691,55 ter zake van door haar vóór de peildatum betaalde advocaatkosten, met bekrachtiging van de rest van de bestreden beschikking. 4.3 De man voert verweer en verzoekt om de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep en voorlopige voorzieningen af te wijzen, kosten rechtens. 4.4 Niet in geschil zijn de beslissingen van de rechtbank over de (verkoop van

  1. de)echtelijke woning, de inboedelgoederen en de belastingteruggave die de vrouw over 2022 heeft ontvangen waardoor zij € 570,- aan de man moet betalen. Voorts heeft de rechtbank onbestreden overwogen dat partijen het eens zijn over de toedeling van de katten aan de vrouw, de toedeling van de VW Golf aan de man en de Opel Karl aan de vrouw. Ter zitting heeft de man grief 2 met betrekking tot de vergoeding voor de Opel Karl die aan de vrouw is toebedeeld zonder dat zij daarvoor een vergoeding aan hem hoeft te betalen, ingetrokken. 5De motivering van de beslissing 5.1 Partijen zijn in hoger beroep nog verdeeld over de volgende onderwerpen, die het hof achtereenvolgens zal bespreken: de hoogte van het vergoedingsrecht; de kosten van het Warmtefonds, de eigenaarslasten en de waterschapsbelasting; de belastingaanslag 2022 van de man; e saldi op de rekeningen van de man; de advocaatkosten van de vrouw voor de peildatum; terugbetaling van het teveel door de vrouw geïncasseerde. a. De hoogte van het vergoedingsrecht 5.2 Partijen verschillen van mening over de hoogte van het vergoedingsrecht dat de vrouw heeft jegens de gemeenschap. 5.3 De vader van de vrouw is tijdens het huwelijk van partijen overleden. De vrouw heeft uit zijn nalatenschap op 1, 2 en 3 maart 2021 en op 1 juni 2021 in totaal een bedrag ontvangen van € 109.900,32. Niet in geschil is dat deze erfenis privévermogen van de vrouw is en dat zij een bedrag van € 12.525,- heeft geleend aan haar broer waarna een bedrag van € 97.375,- resteerde. Hiervan is volgens de vrouw € 96.917,59 in de gemeenschap gevloeid. 5.4 De man bestrijdt niet dat de vrouw daarmee ten behoeve van hun gemeenschappelijke woning aan de leveranciers in totaal een bedrag van € 45.063,- (€ 7.200,- aan [naam1] en € 14.428,- en € 23.435,- aan [naam2] ) heeft betaald en dat de vrouw daarvoor een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap op grond van artikel 1:95 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals de rechtbank heeft overwogen. 5.5 Tussen partijen staat verder vast dat de vrouw daarnaast per saldo een bedrag van € 51.854,59 op de bankrekening(
  2. en)van de man heeft overgemaakt. Daarvan is € 13.000,- gebruikt voor aanschaf van de VW Golf, € 8.000,- en € 10.361,- voor de betaling aan het Verandapaleis, € 3.100,- voor de vloer beneden en € 3.350,- voor de kozijnen (tezamen € 37.811,-). Niet ter discussie staat dat de vrouw ook daarvoor een vergoedingsrecht toekomt. 5.6 Betreffende de rest van het naar de man overgemaakte bedrag (van € 14.043,59) is tussen partijen in geschil waaraan het besteed is en óf de vrouw een aanspraak kan maken op vergoeding van dat (rest)bedrag. De man bestrijdt in grief 1 dat de vrouw daarop aanspraak kan maken. Het hof overweegt dat de erfenis is uitgekeerd op een bankrekening waarvan het saldo tot de gemeenschap behoorde. Op dat moment was er sprake van vermenging met de gelden van de gemeenschap; de gemeenschap is daarmee gebaat geweest met het ontvangen bedrag. Voor zover de man aanvoert dat het aan de vrouw is om te stellen en bewijzen dat dat resterende deel ook daadwerkelijk voor de gemeenschap is aangewend, ziet het hof geen reden om de man daarin te volgen. Dit wijkt – zoals de man ook heeft erkend ter zitting - af van de lijn in de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019. Waar het bedrag van € 14.043,59 aan is besteed, is niet te traceren. Ten gunste van de vrouw geldt dan het vermoeden dat dit restant is besteed aan gemeenschapsschulden. Het ligt op de weg van de andere echtgenoot, de man in dit geval, om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. Er is niet gesteld of gebleken dat de vrouw privéschulden had of dat de gezamenlijke inkomens ontoereikend waren om de gemeenschappelijke schulden waaronder de kosten van de huishouding te dragen zodat het vermogen van de vrouw moest worden aangewend om deze te voldoen. Ingevolge art. 1:96 lid 4 BW komt de vrouw op die grond ook een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap van die € 14.043,59 toe. 5.7 Het voorgaande maakt dat voor de vrouw een vergoedingsrecht op de gemeenschap is ontstaan van het bedrag van (€ 45.063,- + € 51.854,59) € 96.917,59. Het hof ziet geen reden om de man te volgen in zijn stelling dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat de vrouw een vergoeding ontvangt voor het ter beschikking stellen van haar privévermogen terwijl hij bijna alle kosten van de huishouding heeft voldaan. Dat laatste is namelijk gevolg van de keuzes die partijen samen tijdens hun huwelijk hebben gemaakt waardoor de man een groot deel van het inkomen verzorgde en de vrouw een klein deel. Betreffende het standpunt van de man dat de vrouw met het bedrag van € 14.043,59 heeft voldaan aan haar verplichting om bij te dragen aan de kosten van de huishouding overweegt het hof dat voor de vrouw niet een verplichting bestond om privévermogen ter beschikking te stellen voor de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 1:84 BW. Zoals de vrouw terecht heeft gesteld, kent artikel 1:84 lid 1 BW namelijk een rangorde. Daarbij moeten voor de kosten van de huishouding eerst de gezamenlijke inkomsten van partijen worden aangewend en – als dat onvoldoende is – ieders eigen inkomen naar evenredigheid. Als ook de inkomens onvoldoende zijn, moeten zij hun gezamenlijke vermogen aanwenden. Pas als ook dat niet genoeg is, moet ieder zijn/haar privévermogen naar evenredigheid aanwenden en hiervan was geen sprake. Noch de vrouw, noch de man was daarom verplicht om privévermogen ter beschikking te stellen voor het voldoen van deze gemeenschapsschulden. Dat betekent dat grief 1 van de man faalt. b. de kosten Warmtefonds, de eigenaarslasten en de waterschapsbelasting 5.8 In grief 3 voert de man aan dat de rechtbank niet over alle te verrekenen bedragen een beslissing heeft genomen. De man stelt dat hij vanaf 1 mei 2023 € 226,96 per maand voor de gezamenlijke lening bij het Warmtefonds heeft betaald, in totaal 2.042,64, en dat de vrouw daarvan de helft – dat is € 1.021,32 – aan hem moet vergoeden. De man geeft aan dat hij de vrouw in verband met door haar betaalde eigenaarslasten € 226,35 moet betalen. Daarnaast heeft hij een vordering op de vrouw van € 95,74 in verband met de waterschapsbelasting. Daardoor heeft de man per saldo een vordering op de vrouw van € 890,71. De vrouw heeft dit niet weersproken zodat het hof dit zal toewijzen. 5.9 De man heeft ook nog vergoeding van medische kosten van de kat van de vrouw verzocht, maar heeft dat verzoek ter zitting van het hof ingetrokken. De bij grief 3 door de man genoemde saldi van de bankrekeningen zal het hof verderop in deze beschikking afzonderlijk bespreken. c. de belastingaanslag 2022 van de man 5.10 De rechtbank heeft (onder 4.2 onder
  3. d)bepaald dat de vrouw € 591,- aan de man moet betalen in verband met de belastingaanslag 2022 die de man moet voldoen. Dit moet zijn een bedrag van € 592,50. De vrouw refereert zich aan het oordeel van het hof. Niet bestreden is de overweging van de rechtbank dat de gemeenschapsschuld € 1.185,- bedraagt. Het gevolg daarvan is dat de vrouw de man de helft daarvan – zijnde een bedrag van € 592,50 - dient te voldoen. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank op dat punt aanpassen. d. de saldi op de rekeningen van de man 5.11 De rechtbank heeft in 4.2 onder c bepaald dat partijen de saldi van de rekeningen per peildatum bij helfte moet delen. De man geeft in zijn beroepschrift aan dat dat leidt tot een vordering van de man op de vrouw van € 45,14 en van de vrouw op de man van € 1.661,-. Ter zitting is gebleken dat niet meer in geschil is dat het totaalbedrag van de saldi van de bankrekeningen van de man op de peildatum (€ 1.713,85 + € 1.635,09) € 3.348,94 bedroeg. De helft daarvan komt de vrouw toe en dat is € 1.674,47. Dat is € 12,84 meer dan de rechtbank vanuit is gegaan en de man heeft voldaan via het door de vrouw belegde beslag. Het hof zal de man in aanvulling op het al middels beslag betaalde bedrag van € 1.661,63 veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 12,84. e. de advocaatkosten van de vrouw die vóór de peildatum zijn gemaakt 5.12 De vrouw verzoekt vergoeding van de man van de helft van haar advocaatkosten die zien op de periode voor de peildatum. Die advocaatkosten betreft een schuld die ziet op een periode van voor de peildatum. Zij stelt dat zij die na de peildatum heeft voldaan en dat de man gehouden is haar de helft te vergoeden. De man bestrijdt – niet alleen ter zitting maar ook al in zijn verweerschrift in incidenteel hoger beroep – dat hij draagplichtig is voor die schuld, dan wel wijst erop dat daar tegenover staat dat hij in de periode voor de peildatum ook advocaatkosten heeft gemaakt. Hij heeft daarvoor een betalingsregeling met de advocaat getroffen, waarvan hij voor de peildatum niet meer dan één maandtermijn van € 400,- heeft betaald. De schuld voor de advocaatkosten van de man was nauwelijks betaald en stond aldus ook nog open op de peildatum. 5.13 Bij de vraag of de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat van de verdeling bij helfte moet worden afgeweken met betrekking tot een schuld van de gemeenschap, betrekt het hof dat het algemeen gebruikelijk – op grondslag van het daaromtrent bepaalde in art. 237 Rv – is in een procedure als de onderhavige, waarbij partijen ex-geregistreerd partners of ex-echtgenoten van elkaar zijn, dat beslist wordt tot compensatie van proceskosten in die zin dat ieder van partijen de aan haar zijde gevallen kosten zelf draagt. De rechtbank heeft in deze procedure geen proceskostenveroordeling uitgesproken maar beslist dat partijen hun eigen proceskosten moeten betalen. Gesteld, noch gebleken is dat sprake is van een situatie waarin, ondanks het feit dat partijen ex-partners zijn en het geschil van familierechtelijke aard is, grond bestond of bestaat voor alsnog een proceskosten-veroordeling in deze procedure. Ook in de kortgedingprocedure en in de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechter beslist dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. Met deze gebruikelijke compensatie van proceskosten laat zich, naar het oordeel van het hof niet verenigen om zoals de vrouw voorstaat, de man toch voor de helft te laten bijdragen in de kosten van rechtsbijstand die zij voor de peildatum heeft gemaakt in het kader van de scheiding en de neven- of voorlopige voorzieningen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die reden geven om af te wijken van genoemde gebruikelijke compensatie van proceskosten. Het hof zal daarom de door de vrouw voor de peildatum gemaakte proceskosten voor haar rekening laten, zoals die van de man ook voor zijn rekening blijven. Het hof zal het verzoek van de vrouw afwijzen. f. terugbetaling van het teveel geïncasseerde 5.14 De man verzoekt aanvullend de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag dat zij door middel van executoriaal beslag teveel heeft ontvangen; zij heeft € 49.739,04 geïncasseerd en dat is meer dan waartoe ze gerechtigd is. De vrouw bestrijdt dat. 5.15 Uit het voorgaande volgt dat de vrouw een vordering op de man heeft van € 48.459,-vanwege haar vergoedingsrecht. Dat maakt deel uit van het executoriaal beslag dat de vrouw heeft gelegd op de bij de notaris op een derdenrekening staande opbrengst van de woning. Voorts heeft de vrouw een vordering op de man in verband met de helft van op zijn naam staande banksaldi van € 1.674,47. Daarop komt in mindering de vordering van de man op de vrouw van € 570,- voor de belastingteruggave 2022 en € 592,50 voor de belastingaanslag van de man. Voorts komt in mindering een vordering van de man op de vrouw van € 45,13 in verband met de helft van de op haar naam staande banksaldi per peildatum. Dat het beslagexploot € 825,94 heeft gekost, is niet bestreden. Dat betekent dat de man aan de vrouw ten aanzien van die onderwerpen € 49.751,78 verschuldigd is. De vrouw heeft dan ook niet teveel geïncasseerd en meer ontvangen dan waartoe zij gerechtigd is. Het hof zal het verzoek van de man tot terugbetaling van het teveel geïncasseerde daarom afwijzen. Dat neemt niet weg dat de man inmiddels en wel als gevolg van deze beschikking van het hof daarnaast een vordering op de vrouw van € 890,71 heeft. 6De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels bekrachtigen en deels vernietigen en beslissen als volgt. 7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: 7.1 bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 8 november 2023 voor zover het betreft de beslissing in 4.3; 7.2 vernietigt die beschikking voor zover het betreft de beslissing in 4.2 onder d over de belastingaanslag van de man over 2022 en in zoverre opnieuw beschikkende bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 592,50 aan de man dient te betalen; 7.3 veroordeelt de man in aanvulling op de beschikking van de rechtbank in 4.2 onder c en het al middels beslag voor de helft van de saldi van de bankrekeningen van de man betaalde bedrag van € 1.661,63, tot betaling aan de vrouw van nog € 12,84; 7.4 bepaalt dat de vrouw aan de man € 890,71 dient te betalen in verband met kosten van het Warmtefonds, de eigenaarslasten en de waterschapsbelasting; 7.5 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 7.6 bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 7.7 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 12 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. ECLI:NL:HR:2019:504 Hoge Raad 22 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:723

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.