GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 23/2420 uitspraakdatum: 26 november 2024 Uitspraak van de drieëntwintigste enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 20 juli 2023, nummer UTR 22/601, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Laren (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 1.491.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. 2.2. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een vergoeding wegens immateriële schade van € 50 wegens overschrijding van de redelijke termijn en bepaald dat geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van proceskosten of terugbetaling van het griffierecht. 3Geschil 3.1. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn algemeen geformuleerde grieven in zijn hogerberoepschrift uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen en het geschil beperkt tot de vragen of de rechtbank de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een onjuist bedrag heeft vastgesteld, of proceskosten hadden moeten worden vergoed en of het griffierecht had moet worden vergoed. Ter zitting van het Hof belanghebbende zijn beroep tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. 3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. 3.3. Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar zijn verweer uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken en de onder 3.1 gestelde vragen bevestigend beantwoord. 4Beoordeling van het geschil Vergoeding immateriële schade 4.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met ruim drie maanden is overschreden en dat, alles afwegend, een immateriëleschadevergoeding van € 50 billijk is. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in de gecombineerde bezwaar- en beroepsfase de redelijke termijn is overschreden met ruim drie maanden. 4.3. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 9 januari 2024 bij de huidige stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad geen ruimte gezien om af te wijken van het uitgangspunt dat voor de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding niet van belang is in welke mate de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden en dat een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden (Hof Arnhem-Leeuwarden 9 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:245, r.o. 4.19). Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt bij een overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.1). Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat is aan de orde als het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen en de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15 (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3). Het Hof zal in deze zaak in gelijke zin oordelen. 4.4. Het financieel belang in onderhavige procedure beloopt meer dan € 15, zodat op basis van de heersende jurisprudentie van de Hoge Raad geen aanleiding bestaat om vanwege die reden geen spanning en frustratie aan te nemen. In onderhavige procedure zijn evenmin andere bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken om aan te nemen dat spanning en frustratie ontbreken. 4.5. Op grond van het voorgaande volgt het Hof de Rechtbank niet in haar oordeel dat de vergoeding voor immateriële schade in deze zaak op € 50 moet worden gesteld. In zoverre is het hoger beroep gegrond. 4.6. Het Hof zal, omdat de redelijke termijn met drie maanden is overschreden, de vergoeding voor immateriële schade vaststellen overeenkomstig het door de Hoge Raad bepaalde tarief van € 500, conform de uitspraak van de Rechtbank, te vergoeden door de heffingsambtenaar. Griffierecht rechtbank 4.7. In het arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het griffierecht niet aan de belanghebbende moet worden vergoed in gevallen waarin het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. Dit geldt niet voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.