Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000562-19 Uitspraak d.d.: 28 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 januari 2019 met parketnummer 18-950023-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, wonende te [plaats] , [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 februari 2022, 13 oktober 2022, 22 en 24 maart 2023, 14 november 2023, 3, 6 en 10 juni 2024 en 16, 17, 20, 23, 24 september 2024 en 28 november 2024, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 57 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij vonnis van de rechtbank ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (kort gezegd: het dealen en aanwezig hebben van cocaïne en MDMA en het aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep) veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte is op 4 februari 2019 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2015, in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, - een hoeveelheid cocaïne en/of - een hoeveelheid MDMA en/of - een hoeveelheid heroïne, zijnde cocaïne, MDMA en/of heroïne (telkens) (een) middel(
- en)in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; 2. hij op of omstreeks 08 augustus 2017 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 109 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (feit 1) Standpunt verdediging De verdediging heeft in hoger beroep om meerdere redenen primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet in de vervolging van de verdachte kan worden ontvangen. Daarbij is onder meer aangevoerd dat sprake is van vormverzuimen, waarbij de met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Door de schendingen kan niet meer worden gesproken van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De waarheidsvinding is onmogelijk gemaakt door de schendingen. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat in de zaak Maggiora noch in het TBG-traject aangaande andere strafrechtelijke aangelegenheden sprake is van een ‘deal’, meer precies een overeenkomst of afspraak tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] over het afleggen van verklaringen en over strafvermindering. Het verweer inhoudende dat er sprake is geweest van een ‘deal’ tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie mist dan ook feitelijke grondslag. Er is wel sprake van andere vormverzuimen, namelijk het niet opmaken van processen-verbaal over het gesprek tussen [zaaksofficier] , [verbalisant onderzoeksleider 1] en [getuige] op 14 oktober 2015 en over het gunstbetoon aan [getuige] . Die vormverzuimen kunnen echter niet de verstrekkende conclusie dragen dat inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijk proces. Het hof overweegt als volgt. Om te kunnen beoordelen of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, dient de vraag beantwoord te worden of sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. In de onderhavige zaak is de beantwoording van deze vraag toegespitst op vragen over de inhoud van de contacten van [getuige] met het Openbaar Ministerie en dan met name of er daarbij toezeggingen aan [getuige] zijn gedaan en of, en zo ja in hoeverre, er dan sprake is geweest van belemmering van de waarheidsvinding. Het hof zal ingaan op deze punten om zich tenslotte een oordeel te vormen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De overwegingen van het hof zijn, ten behoeve van de beantwoording van deze vragen, als volgt opgezet: 1Inleiding: het procesverloop 1.1 Het politieonderzoek 1.2 Procesverloop in eerste aanleg 1.3 Procesverloop in hoger beroep 2. Over de aard van de contacten tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie: Toezeggingen? 2.1 Contacten tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] tot en met 14 oktober 2015 2.1.1 Activeren verklaringsbereid 2.2 Contacten tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] na 14 oktober 2015 2.2.1 Voortdurende contacten tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie en de invloed daarvan op de waarheidsvinding 2.3 Tussenconclusie 3Belemmering waarheidsvinding 3.1 Gebrek aan transparantie 3.1.1 Verbaliseringsplicht 3.1.2 Gunstbetoon 3.1.3 Transparantie en tijdsverloop 3.2 Hernummering 3.2.1 Vaststelling relevante feiten en omstandigheden 3.2.2 Oordeel hof 3.3 Tussenconclusie 4Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie Praktische opmerkingen Het hof zal voor de leesbaarheid van het arrest getuige [getuige] zoveel mogelijk aanduiden als ‘ [getuige] ’. Voor zover in citaten uit mutaties wordt gesproken over [getuige] of [getuige] wordt daarmee [getuige] bedoeld. [getuige] was verdachte in het onderzoek Maggiora waar deze strafzaak over gaat. Hij is in die zaak door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar. [getuige] heeft het aanvankelijk ingestelde hoger beroep in zijn zaak naderhand ingetrokken. Gedurende het opsporingsonderzoek in het onderzoek Maggiora heeft [getuige] ook in het kader van ander(
- e)lopende onderzoek(
- en)contacten gehad met vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie (landelijk parket). In dit arrest wordt gebruik gemaakt van afkortingen. Voor zover relevant: TSG: Team Speciale Getuigen (onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket) TBG: Team Bijzondere Getuigen (nieuwe naam voor TSG) (onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket) TGB: Team Getuigen Bescherming (onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Parket) AVR: het audiovisuele registratiesysteem van de politie dat wordt gebruikt om verhoren op te nemen Stelsel B&B: stelsel bewaken en beveiligen (onder verantwoordelijkheid van de lokale hoofdofficier van Justitie) 1. Inleiding: het procesverloop 1.1 Het politieonderzoek Op 11 april 2014 is door officier van justitie mr. B.D. [officier van justitie] een opsporingsonderzoek gestart onder de naam ‘Maggiora’. Op 9 januari 2015 is dit onderzoek overgedragen aan het team Opsporing Aanpak Ondermijning en werd onder leiding van officier van justitie mr. [zaaksofficier] en met als teamleider [verbalisant onderzoeksleider 1] het opsporingsonderzoek voortgezet. Het onderzoek richtte zich op verschillende personen die zich binnen een crimineel samenwerkingsverband met (inmiddels onherroepelijk veroordeelde) medeverdachte[medeverdachte 3] schuldig zouden maken aan – kort gezegd – de handel in drugs en het witwassen van de daaruit verkregen opbrengsten. In de periode vanaf 13 mei 2014 tot de aanhouding van de verschillende verdachten is binnen het onderzoek bewijs verzameld door onder andere het tappen van telefoons, het uitvoeren van observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) en het vorderen van diverse gegevens. Op 16 september 2015 is het onderzoek in een stroomversnelling gekomen toen duidelijk werd dat in een woning was geschoten met een vuurwapen door [medeverdachte 3] . De officier van justitie besluit dan om in te grijpen en tot aanhouding van de verdachten over te gaan. Op 18 september 2015 zijn verdachten [medeverdachte 3] , [getuige] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en[medeverdachte 7] aangehouden. Er hebben doorzoekingen plaatsgevonden in onder andere de woningen van de verdachten, waarbij wapens en munitie werden aangetroffen. In eerste instantie ontkennen alle verdachten iedere betrokkenheid bij drugshandel en wordt er veelvuldig een beroep gedaan op het zwijgrecht. Dit verandert op 14 oktober 2015 als medeverdachte [getuige] zijn eerste bekennende verklaring aflegt en openheid van zaken geeft. Er volgen opnieuw aanhoudingen. Op respectievelijk 29 en 30 november 2015 zijn[medeverdachte 8] en [medeverdachte 4] aangehouden. Verdachte [medeverdachte 5] is op 15 februari 2016 aangehouden. Verdachte [verdachte] is op 12 april 2016 aangehouden in het vervolgonderzoek naar de handel in cocaïne in Nederland (Maggiora II). Het politieonderzoek heeft – samengevat – tot de volgende verdenkingen geleid: - een tweetal transporten van verdovende middelen, van respectievelijk 22 en 66 kilogram cocaïne, vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland; - het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten aanzien van voornoemde transporten, ten aanzien van een transport van 400 kilogram cocaïne uit de Dominicaanse Republiek, ten aanzien van invoer van cocaïne vanuit Colombia, uitvoer naar Zweden en Duitsland van cocaïne en/of (grondstoffen voor) XTC en/of speed, alsmede de exploitatie van een amfetamine/MDMA-laboratorium; - de handel (dan wel het aanwezig hebben) van cocaïne in Nederland; - de uitvoer van verdovende middelen naar Duitsland en Zweden; - het voorhanden hebben en overdragen van wapens en/of munitie; - het (gewoonte)witwassen van geldbedragen en andere voorwerpen; - het oprichten van, leiding geven aan en deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en artikel 11b van de Opiumwet. 1.2 Procesverloop bij de rechtbank In eerste aanleg is de zaak tegen verdachte niet gezamenlijk behandeld met de zaken tegen de verdachten in het onderzoek Maggiora I. De behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. Door de verdediging is vrijspraak bepleit, waarbij onder meer is aangevoerd dat de verklaringen van [getuige] niet op hun betrouwbaarheid kunnen worden getoetst en dat er te weinig wettig bewijs aanwezig is. De officier van justitie mr. [zaaksofficier] heeft betoogd dat de verklaringen van [getuige] betrouwbaar zijn en heeft daartoe verwezen naar het vonnis van de rechtbank in de zaak van de hoofdverdachte [medeverdachte 3] van 1 augustus 2017. In dat vonnis overweegt de rechtbank onder meer dat zij de verklaringen van [getuige] betrouwbaar acht en gebruikt zij deze voor het bewijs. De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 22 januari 2019 veroordeeld zoals hiervoor is vermeld. Het hof overweegt over de behandeling van de zaken van de verdachten in Maggiora I bij de rechtbank het volgende. Bij de raadslieden van de medeverdachten van [getuige] (in Maggiora I) bestond het vermoeden dat door het Openbaar Ministerie toezeggingen aan [getuige] zijn gedaan die van invloed zijn geweest op zijn verklaringsbereidheid. Ter onderbouwing van dit vermoeden werd aangegeven dat andere verdachten in het onderzoek (ook) zijn benaderd met de vraag of ze mee wilden werken met het onderzoek en dat de plotselinge omslag in de verklaringsbereidheid van [getuige] op 14 oktober 2015 moest betekenen dat [getuige] was ingegaan op de voorstellen van de politie/Openbaar Ministerie. De behandeling bij de rechtbank is gestart met een pro forma-zitting op 3 juni 2016. Tijdens deze eerste zitting heeft mr. [zaaksofficier] ten aanzien van de verklaringsbereidheid van [getuige] en de betrouwbaarheid van deze verklaringen, onder meer opgemerkt: ‘En dat roept verbazing op bij de raadslieden van een aantal andere verdachten want ‘dan zal er wel wat zijn afgesproken met het Openbaar Ministerie’. Die wellicht terugkerende vraag kan hier eenmalig en kort beantwoord worden: Nee, er is geen enkele afspraak of overeenkomst gemaakt door het Openbaar Ministerie met de verdachte [getuige] in deze strafzaak. En zou dan de volgende vraag kunnen zijn: en in een andere zaak dan? Daar weet ik niets van en is voor de beoordeling van de rechter van deze strafzaak ook niet van belang. Als sprake zou zijn van een overeenkomst in deze zaak, geeft het wetboek van strafvordering meerdere bepalingen over hoe hier mee om te gaan zodat een en ander transparant is voor de raadslieden en de rechtbank. Maar daar is zoals gezegd hier geen sprake van. De verdachte [getuige] is gelijk aan de andere verdachten met dat verschil dat hij wél opening van zaken geeft.’ Gedurende het onderzoek in eerste aanleg heeft de verdediging verschillende onderzoekswensen ingediend, gericht op het verkrijgen van informatie over een mogelijke deal tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] . Dit leidt er onder meer toe dat [getuige] bij de rechter-commissaris wordt gehoord. Tot beantwoording van vragen van de verdediging is het evenwel niet gekomen, omdat [getuige] zich tijdens dit verhoor op zijn verschoningsrecht (dat hem toekwam als verdachte) beriep. Een deel van de verzoeken is afgewezen, omdat daartoe de noodzaak niet was gebleken. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op verschillende dagen in juni 2017. Tijdens zijn requisitoir heeft mr. [zaaksofficier] zijn standpunt ten aanzien van de positie van [getuige] herhaald. Hij merkte, voor zover hier relevant, op: Op de vraag of sprake is van een deal in de zin van een afspraak of overeenkomst in deze strafzaak, herhaal ik wat al eerder op de pro-formazitting is gezegd: nee, die is er niet. En de vraag of dit dan wel voor een andere strafzaak zou kunnen gelden, weet ik niet want dat zou dan geheel buiten de zaaksofficier om gaan. Ik weet hier niets van en uw Rechtbank en de raadslieden ook niet want voor een dergelijke overeenkomst bevat strafvordering meerdere bepalingen zodat een en ander transparant is voor de raadslieden en de rechtbank. Maar daar is zoals gezegd hier geen sprake van. De verdachte [getuige] is gelijk aan de andere verdachten met dat verschil dat hij wél opening van zaken geeft en inmiddels in het Stelsel Bewaken en Beveiligen zit. (…) Het wantrouwen omtrent de reden van verklaren is onterecht want het is niet voor het eerst dat een verdachte openheid van zaken geeft; ook als hij zichzelf daarmee zwaar belast. En dit gebeurt ook zonder dubbele of verborgen agenda; de medeverdachten en de raadslieden dienen dit te accepteren waarbij uiteraard vraagtekens gesteld mogen worden bij de betrouwbaarheid. (…) Het motief van de verdachte [getuige] is al aan de orde geweest en berust geenszins op wraak tegen een van de medeverdachten. Het is eenvoudig genoeg geweest met het criminele leven, zoals [getuige] aangeeft, en dat betekent dus dat de verklaring alles of niks wordt. (…) Dat [getuige] pas bij het 6e verhoor op 20 oktober 2015 (het hof begrijpt: 14 oktober 2015) openheid van zaken geeft en niet gelijk vanaf de aanhouding op 18 september, doet niets af aan de betrouwbaarheid en het motief van die verklaring. Het is waarschijnlijk een afweging geweest die wat langer heeft geduurd wat duidelijk blijkt uit de enkele woorden van hem: het is alles of niks. In Maggiora I heeft de rechtbank bij vonnis van 1 augustus 2017 verschillende verdachten veroordeeld tot gevangenisstraffen. Door voeging van de stukken in hoger beroep maken ook de stukken uit Maggiora I onderdeel uit van het dossier van verdachte. 1.3 Procesverloop bij het gerechtshof Verdachte heeft op 4 februari 2019 hoger beroep ingesteld. De raadsman van verdachte heeft zich in hoger beroep aangesloten bij de verzoeken van de raadslieden van de medeverdachten. Waar het hof hierna spreekt over ‘de verdediging’ moet worden begrepen de raadslieden van verdachte en de verdachten in Maggiora I. Op 12 november 2019 wordt er in een uitzending van [tv-programma] aandacht besteed aan [getuige] . Hij openbaart in de betreffende reportage voor het eerst dat sprake is geweest van contacten met het Openbaar Ministerie. In een persbericht bestrijdt het Openbaar Ministerie het beeld dat gewekt wordt in de uitzending. De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht om onder meer het horen van [getuige] . Op 17 december 2019 heeft de verdediging aanvullende onderzoekswensen kenbaar gemaakt die zien op het bestaan van een mogelijke deal tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] . Ter onderbouwing zijn stukken overlegd die de suggestie zouden kunnen wekken van verdergaand contact tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] . Door de verdediging is verzocht om het horen van in totaal veertien getuigen, waaronder [getuige] , mr. [zaaksofficier] , mr. [officier van justitie getuigenbescherming] , officier van justitie getuigenbescherming, mr. [rechercheofficier van justitie 1] , rechercheofficier van justitie, mr. [advocaat van getuige] , voormalig raadsman van [getuige] , en verbalisant [verbalisant 1] . Daarnaast is verzocht om de verstrekking van de auditieve registraties van de verhoren van [getuige] . Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] bij de raadsheer-commissaris toegewezen. Daarnaast heeft het hof beslist datmr. [zaaksofficier] en mr. [advocaat van getuige] ter zitting worden gehoord en dat in een schriftelijke procedure aan mr. [officier van justitie getuigenbescherming] en mr. [rechercheofficier van justitie 1] vragen kunnen worden gesteld. Ook is het verzoek om verstrekking van de auditieve registraties van de verhoren van [getuige] toegewezen. Op de regiezitting van 17 februari 2022 beroept mr. [advocaat van getuige] zich op zijn verschoningsrecht. Naar aanleiding van het uitluisteren van de auditieve registraties verzoekt de verdediging op deze zitting om het woordelijk uitwerken van de verhoren van [getuige] , omdat uit die registraties zou blijken dat er voorafgaand aan de politieverhoren van [getuige] op 14 oktober 2015 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [getuige] en mr. [zaaksofficier] . Het verzoek wordt toegewezen. Hierdoor komt het hof dan niet toe aan het horen van mr. [zaaksofficier] . De woordelijke uitwerking van de verhoren van [getuige] is aan het dossier toegevoegd. Uit de uitwerking van het verhoor van 14 oktober 2015 blijkt dat [getuige] tijdens het verhoor meermaals verwijst naar een gesprek dat hij voorafgaand aan het politieverhoor had metmr. [zaaksofficier] . Op respectievelijk 17 juni, 30 juni en 13 oktober 2022 zijn verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] ,[medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] door de raadsheer-commissaris gehoord. Het is niet gelukt om getuige [medeverdachte 7] te horen. Tijdens de volgende regiezitting op 13 oktober 2022 is mr. [zaaksofficier] ter zitting gehoord. De vragen van de verdediging waren gericht op het contact tussen mr. [zaaksofficier] en [getuige] en in het bijzonder het gesprek dat mr. [zaaksofficier] met [getuige] heeft gevoerd voorafgaand aan zijn bekennende verklaring. Ter zitting verklaart mr. [zaaksofficier] over het gesprek dat hij, samen met[verbalisant onderzoeksleider 1] , voorafgaand aan het verhoor van 14 oktober 2015 had met [getuige] . Na enkele uren van ondervraging verklaart mr. [zaaksofficier] op vragen van de voorzitter dat hij het gesprek met [getuige] van 14 oktober 2015 AVR heeft laten opnemen en dat de opname nog beschikbaar is. Deze is, zo stelt hij, bewaard in een kluis in verband met de gevoeligheid van de informatie. De mededeling dat het gesprek tussen [getuige] , [verbalisant onderzoeksleider 1] en mr. [zaaksofficier] AVR is opgenomen, leidt opnieuw tot onderzoekswensen. Het hof bepaalt – kort gezegd – dat de AVR-opname naar het kabinet van de raadsheer-commissaris wordt gestuurd en dat de raadsheer-commissaris in samenwerking met een door het Openbaar Ministerie te bepalen medewerker op het kabinet de opname uitluistert, waarbij door de medewerker van het Openbaar Ministerie kan worden aangegeven welke delen zouden moeten worden verwijderd en de raadsheer-commissaris beslist of de opname op dat onderdeel geschoond moet worden. Het hof bepaalt dat de geschoonde opname en woordelijke uitwerking aan het dossier worden toegevoegd. Ook wijst het hof het verzoek tot het horen van mr. [officier van justitie getuigenbescherming] bij de raadsheer-commissaris toe. Op 23 januari 2023 heeft de raadsheer-commissaris, onder schrapping van twee passages, de woordelijke uitwerking van de AVR-opname van 14 oktober 2015 aan aangeleverd. Op 27 januari, 16 en 17 februari 2023 is [getuige] vervolgens als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord. In deze verhoren heeft [getuige] verklaard in zijn eerdere verklaringen zaken te hebben aangedikt, hier en daar gaat hij daar wat verder op in, maar bij meer gedetailleerde vragen beroept hij zich veelal op zijn verschoningsrecht. Hij beantwoordt wel uitgebreid vragen over (de aard van) contacten die hij tijdens het politieonderzoek en in de aanloop naar de zitting bij de rechtbank, tijdens die zitting en nadat vonnis gewezen is, met het Openbaar Ministerie en de politie heeft gehad. In het verhoor van 27 januari 2023 heeft [getuige] onder meer verklaard dat hij één of twee dagen na het gesprek met mr. [zaaksofficier] op 14 oktober 2015 1 of 2 verklaringen opnieuw heeft moeten ondertekenen, omdat er iets gewijzigd was: “de nummering van de verhoren, het hoeveelste verhoor het was, werd aangepast”. Op 20 maart 2023 ontvangt het hof van de advocaat-generaal een proces-verbaal van bevindingen (betreft: bevindingen onderzoek verklaringen [getuige] ) opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 17 maart 2023. Dit proces-verbaal is op verzoek van de advocaat-generaal opgemaakt ter beantwoording van de vraag of de verklaring van [getuige] over het opnieuw ondertekenen en verbetering van de nummering van processen-verbaal met de weergave van door hem afgelegde verklaringen, juist is. In het proces-verbaal van bevindingen is opgenomen dat geen van de bevraagde betrokken verhoorders zich kon herinneren dat zich een dergelijke situatie had voorgedaan en ook uit de uitwerking van de audioregistraties van de verhoren van [getuige] was daarvan niet gebleken. Op 22 maart 2023 volgt opnieuw een regiezitting waarbij weer onderzoekswensen worden besproken. De beslissing op de onderzoekwensen wordt meegedeeld op de zitting van 24 maart 2023. Deze houdt voor zover hier relevant in dat het hof: - de advocaat-generaal opdraagt om het OM-journaal dat is opgemaakt met betrekking tot het onderzoek Maggiora én het OM-journaal dat is opgemaakt ten behoeve van de door [getuige] als getuige afgelegde kluisverklaringen in handen te stellen van de raadsheer-commissaris; - bepaalt dat de raadsheer-commissaris in samenwerking met een door het Openbaar Ministerie te bepalen medewerker van justitie de journaals doorneemt, waarbij de betreffende medewerker de gelegenheid krijgt om aan te geven welke delen uit de journaals niet zichtbaar zouden moeten worden gemaakt. De raadsheer-commissaris beslist vervolgens of het journaal op dat onderdeel wordt geschoond. Belangen gelegen in de veiligheid van derden of strafvorderlijke belangen kunnen in de weg staan aan het openbaar maken van delen van de journaals. De geschoonde journaals worden toegevoegd aan het dossier; - bepaalt dat eerst na toevoeging van de geschoonde journaals aan het dossier de verhoren van de getuigen bij de raadsheer-commissaris zullen plaatsvinden. Verder heeft het hof beslist dat als getuigen [verbalisant onderzoeksleider 1] en mr. [rechercheofficier van justitie 1] , door de raadsheer-commissaris worden gehoord. Ook heeft het hof de oproeping van getuige mr. [officier van justitie getuigenbescherming] op een nader te bepalen behandeling ter terechtzitting bevolen. Uit de via de advocaat-generaal aan het hof verzonden brief van 3 juli 2023 met als onderwerp: ‘Verkennende gesprekken met verdachte [getuige] ’ opgemaakt door mr. [officier van justitie bij het landelijk parket] , officier van justitie bij het landelijk parket, blijkt dat door het landelijk parket geen journaal is bijgehouden, waardoor het Openbaar Ministerie in zoverre niet aan de opdracht van het hof kan voldoen. Wel is relevant mailverkeer bewaard gebleven en zijn er mutaties van het Team Bijzondere Getuigen. Mr. [officier van justitie bij het landelijk parket] heeft de beschikbare stukken doorgenomen en stelt dat daaruit op geen enkele manier kan worden afgeleid dat er een “deal” zoals bedoeld in artikel 226g en/of 226k van het Wetboek van Strafvordering is gesloten. Uiteindelijk heeft contact tussen mr. [officier van justitie bij het landelijk parket] en de raadsheer-commissaris ertoe geleid dat het hof de mails en mutaties van het landelijk parket ontvangt. Deze stukken zijn – geschoond – bij het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 8 november 2023 gevoegd. De opdracht van het hof om het journaal van het arrondissementsparket aan de raadsheer-commissaris over te leggen is door de advocaat-generaal overgebracht aan mr. [rechercheofficier van justitie 2] , rechercheofficier. Uit het hiertoe door mr. [rechercheofficier van justitie 2] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2023 volgt dat hij – na een uitgebreide consultatie van collega’s, ook landelijk – tot de conclusie is gekomen dat hij niet aan de opdracht van het hof zal voldoen. Mr. [rechercheofficier van justitie 2] heeft het gehele journaal, bestaande uit 169 aantekeningen opgemaakt tussen 14 januari 2015 en 1 april 2017, gelezen en concludeert dat in het journaal geen aanwijzingen te vinden zijn dat er op enig moment een overeenkomst gesloten zou zijn tussen mr. [zaaksofficier] en [getuige] . Op 14 november 2023 volgt een tussentijdse regiezitting. Het hof bepaalt opnieuw dat de advocaat-generaal het journaal dat is opgemaakt met betrekking tot het onderzoek Maggiora uiterlijk 1 februari 2024 in handen stelt van het kabinet van de raadsheer-commissaris, omringd met de waarborgen zoals eerder is bepaald. De verhoren van de getuigen [verbalisant onderzoeksleider 1] , voor zover zijn gezondheid dit toelaat, en [rechercheofficier van justitie 1] bij de raadsheer-commissaris, dienen plaats te vinden na 1 februari 2024. Verder beveelt het hof de oproeping van getuigen mr. [officier van justitie getuigenbescherming] , mr. [zaaksofficier] en mr. [advocaat van getuige] voor de (regie)zittingen op 3, 6, 10 en 11 juni 2024. Uiteindelijk voldoet het Openbaar Ministerie aan de opdracht van het hof om het journaal (ook wel: de mutaties van het arrondissementsparket) over te leggen. De geschoonde selectie is gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2024 opgemaakt door de raadsheer-commissaris. Op 27 mei 2024 is getuige mr. [rechercheofficier van justitie 1] bij de raadsheer-commissaris gehoord. Op de regiezitting op 3, 6 en 10 juni 2024 zijn ter zitting getuigen mr. [officier van justitie getuigenbescherming] enmr. [zaaksofficier] gehoord. Mr. [zaaksofficier] heeft onder meer aangegeven dat hernummering van processen-verbaal van verklaringen van [getuige] heeft plaatsgevonden. Er wordt afgezien van het horen van mr. [advocaat van getuige] , omdat hij heeft aangegeven zich (opnieuw) op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen. Op 10 juli 2024 ontvangt het hof een proces-verbaal van bevindingen, het betreft: ‘Vragen van behandelende Advocaat-Generaal’, opgemaakt op 4 juli 2024 door verbalisant [verbalisant 3] . In dit proces-verbaal geeft verbalisant [verbalisant 3] antwoord op vragen die betrekking hebben op de werking van politiesystemen Summ-IT en AVR-registratie. Bij voorzittersbeslissing van 12 juli 2024 is beslist dat voor de inhoudelijke behandeling als getuigen mr. [zaaksofficier] en verbalisant [verbalisant 3] moeten worden opgeroepen. Daarnaast geeft de voorzitter opdracht aan de raadsheer-commissaris om nogmaals na te gaan of [verbalisant onderzoeksleider 1] als getuige kan worden gehoord. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 23 juli 2024 volgt dat [verbalisant onderzoeksleider 1] niet kan worden gehoord, maar wel in staat is om schriftelijk vragen te beantwoorden. Deze mededeling wordt uiteindelijk achterhaald door het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 12 september 2024, waarin de raadsheer-commissaris uitlegt dat vanwege de ernstig verslechterde gezondheidssituatie van [verbalisant onderzoeksleider 1] wordt afgezien van zijn verhoor als ook van het schriftelijk beantwoorden van vragen. Op 16, 17, 20, 23 en 24 september 2024 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn getuigen mr. [zaaksofficier] en verbalisant [verbalisant 3] gehoord. 2Over de aard van de contacten tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie: Toezeggingen? Uit het dossier, inclusief de vele in de fase van het hoger beroep toegevoegde stukken zoals hierboven beschreven, blijkt dat er sprake is geweest van veelvuldig contact van politie en justitie met [getuige] en zijn advocaat. Als eerste dient onderzocht te worden wat de aard van die contacten is geweest, waarbij het hof een scheidslijn aanbrengt tussen de contacten voorafgaand aan het politieverhoor op 14 oktober 2015 en de contacten die na dat moment hebben plaatsgevonden. In dat verband stelt het hof over de inhoud van die contacten het volgende vast. 2.1 Contacten tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] tot en met 14 oktober 2015 Op 18 september 2015 zijn in het onderzoek Maggiora, zoals hierboven al aangegeven, de eerste verdachten aangehouden, onder wie [getuige] . Tijdens de eerste verhoren op 18, 19, 20 en 28 september beriep [getuige] zich voornamelijk op zijn zwijgrecht. Op 1 oktober 2015 is er na de raadkamer gevangenhouding een gesprek tussen [getuige] en twee personen van de TCI. Uit het dossier blijkt ook dat er, na overleg met de zaaksofficier (het hof begrijpt: mr. [zaaksofficier] ), een oriënterend gesprek plaatsvindt tussen teamleider [verbalisant onderzoeksleider 1] en [getuige] . Dit gesprek is, volgens de mutaties van het landelijk parket, geïnitieerd naar aanleiding van het laatste verhoor van [getuige] voorafgaand aan zijn voorgeleiding bij de RC, waarin hij aangaf voornemens te zijn openheid van zaken te geven en alles te willen verklaren. Uit de beschikbare verhoren van [getuige] van voor 14 oktober 2015 blijkt dat hij daartoe, na de voorgeleiding, in ieder geval niet zonder meer is overgegaan. [getuige] heeft zich immers tot 14 oktober 2015 voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen ten aanzien van de feiten. Op 1 oktober 2015 is met [verbalisant onderzoeksleider 1] onder meer besproken dat [getuige] gevaar loopt. [getuige] verklaart daarover bij de raadsheer-commissaris: “Ze zeiden: je bent echt in gevaar”. Aan [getuige] werd gevraagd of hij bereid is om te verklaren. [getuige] heeft hierover verklaard dat aan hem werd aangegeven dat ze hem konden helpen, dat hij een lagere straf zou kunnen krijgen en bescherming. Het dossier bevat geen proces-verbaal van deze gesprekken, ook bevat het journaal van het arrondissementsparket hierover geen mutatie. Uit de mutaties van het landelijk parket volgt dat [verbalisant onderzoeksleider 1] , na diens oriënterend gesprek met [getuige] , officier van justitie mr. [zaaksofficier] van zijn bevindingen op de hoogte heeft gebracht en dat mr. [zaaksofficier] daarna overleg heeft gevoerd met rechercheofficier mr. [rechercheofficier van justitie 1] en TCI-officier mr. [TCI-officier] . Op 6 oktober 2015 heeft bij het arrondissementsparket een intern overleg plaatsgevonden tussen mr. [rechercheofficier van justitie 1] , [TCI-officier] (het hof begrijpt: TCI-officier mr. [TCI-officier] ) en twee andere personen. Het doel van dit gesprek was het verkennen van de mogelijkheden om een dealgetuigentraject of een TBG traject in te gaan in dit onderzoek. De conclusie luidt: geen inzet dealgetuigentraject of TBG traject of stelsel BenB. Bij het verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft mr. [rechercheofficier van justitie 1] verklaard dat de reden gelegen was in het feit dat [getuige] zich op zijn zwijgrecht beriep. Vervolgens heeft mr. [zaaksofficier] op 13 oktober 2015 gebeld met mr. [advocaat van getuige] , de raadsman van [getuige] . Mr. [zaaksofficier] heeft tijdens dit gesprek meegedeeld dat er met [getuige] gesproken zou gaan worden, dat er geen sprake meer was van een zogenaamde dealgetuige en dat [getuige] verteld zou worden dat er een strafeis van minimaal acht jaar in het verschiet zou liggen als alleen van import van cocaïne uit zou worden gegaan. Op 14 oktober 2015 is [getuige] opnieuw gelicht voor een verhoor in Maggiora en overgebracht naar het politiebureau. Voorafgaand aan dit verhoor wordt [getuige] naar eigen zeggen verrast met een bezoek van onderzoeksleider [verbalisant onderzoeksleider 1] en zaaksofficier van justitie mr. [zaaksofficier] . Uit de letterlijke weergave van dit gesprek blijkt dat tijdens dit gesprek onder meer het volgende is gezegd: A: [getuige] Officier: zaaksofficier mr. [zaaksofficier] TL: onderzoeksleider [verbalisant onderzoeksleider 1] A: Goeiedag! Dat had ik niet verwacht. Ik ben [getuige] . Hallo. Officier: Hallo. Ik ben [zaaksofficier] . A: Dag. Hallo. Ik had u wel een keer gesproken. (…) Officier: Het verhoor wordt ook opgenomen. A: Oké. Officier: Dus dat is ook voor je advocaat, die kan dat gewoon allemaal naluisteren. Die kan het uitwerken… A: Komt dit verhoor ook in de overige stukken of dat niet? Officier: Dit verhoor staat op band en kan uitgewerkt worden. Officier: En de bedoeling hiervan is dat ik samen met [verbalisant onderzoeksleider 1] , de teamleider, eigenlijk even gewoon heel duidelijk aan jou wil stellen hoe het ervoor staat. (…) dat we jou duidelijk willen maken, dat je hier niet voor zo maar iets zit. A: Nee dat weet ik. En ik heb een gesprek gehad… Officier: (…) een enkele keer doe ik het wel eens vaker dat ik met een verdachte zelf als officier in gesprek ga. (…) Omdat ik het idee heb dat jij zoals dat ook op zitting van de raadkamer naar voren kwam, dat je nog niet het minste idee hebt wat jou boven het hoofd hangt. (…) als het op zitting komt, denk aan een strafeis van 8 jaar. Dan hebben we het over het minimum. A: Ja dat weet ik. (…) Nou ik heb natuurlijk in de tussentijd natuurlijk ook met mijn advocaat heel wat uurtjes gesproken. Officier: Ja. Maar is dat besef al bij jou doorgedrongen? A: Ja het besef was wel doorgedrongen. En ik was daarom juist een beetje teleurgesteld in het... In wat ik van de advocaat heb begrepen, over dat gesprek wat ik heb gehad na de raadkamer. (…) Officier: Even los daarvan [getuige] [FON]. Dat gesprek daar hoef ik verder in zoverre niet moeilijk over te doen. Je hebt toen een gesprek gehad in de raadkamer, dat is gewoon een afgesloten traject. Dat ene specifieke is een afgesloten traject. Wat wel nog altijd openstaat, en waar wij natuurlijk geen 100% garantie op kunnen geven, die we zeker ook in willen... Bemiddelen en actie in kunnen ondernemen, is dat jij, nou ja, een vorm van, ik zeg een vorm van bescherming, want ik ga daar niet over. Een vorm van bescherming zou kunnen krijgen als jij zegt: “Ik stap hieruit.” “Ik wil hier niks meer mee te maken hebben...” A: Dat heb ik al aangegeven. Officier: En dat is een traject wat wij in gang kunnen zetten met nogmaals, ik kan je daar geen garantie over geven. Ik kan niet van het uiteindelijke resultaat nu op voorhand al zeggen: “Dat is 100%”. TL: Dat heeft met criteria te maken, ik denk dat ze je dat ook wel uitgelegd hebben [getuige] . Dat heeft ook met criteria te maken met... Daar zal in zo’n traject moet een risicoanalyse gemaakt worden. A: Dat is denk ik groot. Heel groot. TL: En daar speel jij, daar ben jij de sleutel toe. A: Ja. Maar ik heb begrepen van mijn advocaat dat jullie ervan afzien... Omdat jullie hebben de zaak al rond... Officier: Nee maar wacht even... A: Zo is het mij verteld. Officier: Ja. Ik heb gisteren ook met jouw advocaat gesproken. A: Oh gisteren. Oké. Officier: Jouw advocaat die belde mij. Die weet er ook van dat wij nu dit gesprek met jou hebben. A: Oh... (…) Officier: En ik heb hem ook uitgelegd van. Daar gaan we het verder niet over hebben. Je hebt verschillende trajecten. Het ene traject waarvan wij zeggen: “Ja dat gaan we niet doorlopen” Dat klopt, dat blijft staan. Maar het andere traject wat nog een mogelijkheid zou kunnen zijn is om een vorm van bescherming te kunnen bieden. A: Ik ben helemaal niet uit op geld of wat dan ook. Maar ik wil graag... Officier: Krijg je ook niet. A: Er zijn wel dingen, dat zoiets geregeld... tenminste, dat heb ik wel eens gelezen in het nieuws. Maar daar ben ik helemaal niet op uit. Ik wil uit die wereld. Ik ben er echt klaar mee. Maar het is heel moeilijk. Ik wil er al een jaar geleden mee stoppen, maar het kan niet! Het wil gewoon niet! Echt waar... (…) Officier: Er spelen grote strafbare feiten in. Zoals ik al zei, ik heb twee dagen gelezen heb ik nog een arrest gekregen, een vonnis gekregen van de rechtbank waarin heel duidelijk stond, dat ging alleen maar over eenmaal import, wel een grote hoeveelheid, van verdovende middelen. Daar heeft diegenen nog een iets mindere rol. Die heeft 7 jaar gekregen, maar gaf de rechtbank aan, hij kreeg wat vermindering op straf omdat hij meegewerkt had aan het onderzoek. Dat is dus wat jouw procespositie ook van belang is. Jij bent geen domme jongen, jij weet heus wel, belangen afwegen en noem zo maar op. A: Ik had me er sowieso al bij neergelegd dat ik zeg maar in drie, vier jaar niet vrij zou zijn. Dat heb ik voor mezelf al... Officier: Drie, vier jaar, dat zou ik maar verdubbelen. A: Mijn advocaat heeft ook wel gezegd: “De richtlijn is ergens tussen de 8 en de 10 of zo.” (…) Officier: Kijk, dus we hebben het over iets. Het is een belangrijke zaak. Jouw procespositie, je moet weten, en dat is niet iets waarmee we jou iets voorspiegelen. Dat is meer een voorlichting die ik geef. Het is gewoon zo, en ik weet wel dat dingen vaak anders gezegd worden: “Als je meewerkt dan ben je vaak slechter af.” Dat is gewoon niet zo. En dat kan als je meewerkt, kan het zeker ook in je voordeel zijn. Uiteindelijk bij de rechtbank. Ik kan daar natuurlijk ook aangeven uiteindelijk in mijn requisitoir. En uiteindelijk is het aan de rechter om daarover te beslissen. A: Ik wil wel meewerken, maar kunnen jullie ervan uitgaan dat ik echt openheid van zaken geef en eerlijk ben. Ik verwacht alleen maar dat ik dan niet... Als ik dan wel vrijkom, dat ik dan niet, dat ik niet in de problemen kom te zitten. Niet alleen ik, maar ook mijn moeder bijvoorbeeld. TL: Kijk, luister [getuige] . Ik heb je vorige week gesproken. Dat traject waar [zaaksofficier] het over heeft, dat traject hebben drie andere mensen met jou ook over gesproken. A: Ja. TL: Dat traject is niet uitgekozen. Maar de wijze waarop wij jou nu horen, als ik iets niet goed zeg, moet je mij verbeteren [zaaksofficier] . Dat wijkt af van wat er in dat traject loopt. Dat neemt niet weg, dat wij als er aanleiding toe is, ja.. Kunnen dat beveiligingstraject in werking kunnen zetten, dat we daar een aanvang mee nemen. Ik geef je net aan, dan moet het duidelijk zijn. Waar hebben we mee te maken? Is die groep wel zo gevaarlijk of zit het tussen jouw oren? Begrijp je wat ik bedoel? Daar ben jij de sleutel in [getuige] , dat heb ik je de vorige keer ook al uitgelegd. A: Nou... TL: Beloven kun we het niet. Wat we wel kunnen beloven, dat wij fair play doen. Dat heb je vorige keer gezien, want toen wilde je al praten toen zei ik “Ho even wachten. Zo werkt het even niet’. En nee, fair play! Als wij nu zouden zeggen: “Ja, we gaan je helemaal... En dat komt helemaal goed...” Dan praten we voor onze beurt. Want daar zit een protocol aan vast. A: Ik heb gehoord dat het afgewezen werd. Officier: Nee! Laten we zeggen, er zijn meerdere mogelijkheden. Er is ook een mogelijkheid om bijvoorbeeld een verklaring af te leggen die dan gebruikt wordt tegen de andere mensen hier in dit traject. In deze strafbare feiten waar over je iets zegt. Tegen de andere verdachten die hierin zitten. Voordat je zoiets doet, moet je het juridisch gezien afwegen. Zijn er ook andere mogelijkheden? Heb je voldoende bewijs uit alles wat je nu hebt? En is dit het enige wat je nog resteert om het bewijs rond te krijgen? En dat is niet zo. Dit is niet... Jouw verklaring over die andere personen binnen dit groepje waar we het nu over hebben, is niet zo dat dat het enige is wat nog tot oplossing van die feiten kan leiden. Want... We hebben jouw laptop. We hebben er ook gewoon toegang toe. We hebben er al van alles en nog wat in aangetroffen. We zijn nog niet op een tiende misschien waar we mee bezig zijn. We hebben het kasboek ook. Hè? A: Hmhm. (…) A: Ik wil alles wel eerlijk vertellen. Ik hoop maar dat het mij misschien ten goede gaat komen. Ik weet het niet. Dat hoop ik gewoon. (…) Officier: Laten we even zeggen, ik noem maar wat heel extreem, dat je vrijkomt ben je 35, ik noem maar iets. Ik noem maar iets. Dan ben je nog 35 hè? Ik bedoel, dan kun je nog... Dan ben je ervan af. En... En dat is wat wij. Jou willen voorhouden over je procespositie. Ga ik nu niks zeggen omdat ik nou ja, denk dat het beter voor mezelf is? Ga ik niks zeggen, dan loop je het op hè? Ga ik niks zeggen omdat ik denk dat ik problemen ga krijgen? Daar zouden wij wat in kunnen betekenen. Zonder 100% garantie, nogmaals. A: Ja dat.... TL: Maar die had je met het andere ook niet 100% garantie. Het is afhankelijk van wat is jouw story, wat hangt eromheen en waar komen de risico’s vandaan? Daar gaat het om.. A: Hmhm. (…) A: Ik wil het ook wel vertellen! Maar ja... als ik alles eerlijk vertel, ik hoop dat ik misschien ook wat eerder vrij zou kunnen komen. Dat zou wel mooi zijn. Dan kan ik sneller verder met mijn leven. Dan zitten die anderen nog vast misschien? Officier: Hmhm. A: Dat is ook een beetje geruststelling. Dan heb ik tijd om weer eh dingen op te bouwen. En dat ik straf moet krijgen dat begrijp ik. Ik heb foute dingen gedaan. Hele foute dingen. Alhoewel het niet allemaal, ik had het echt niet zo gewild. TL: Je krijgt de kans om daarover te praten. Maar je krijgt ook de kans [getuige] om te zeggen hoe je erin gekomen bent, en hoe je in die wereld terecht komt. Snap je wat ik bedoel? Die kans krijg je en die kans moet je ook pakken. En dat soort dingen kunnen dus overwegingen zijn juist om wel of niet zo’n traject in gang te zetten. Dat we zeggen: ‘Ja maar goed, hij doet dit...” Je hebt als overheid ook nog een keer.. ik denk dat ik dat gerust kan zeggen. Dat we een zorgplicht hebben. Officier: Ja hoor. TL: Dus wij kunnen niet zomaar iemand weer in de leeuwenkuil gaan gooien [getuige] . Dat gaat niet. Officier: Maar dan moeten we wel weten waar die leeuwenkuil uit bestaat. TL: Anders kunnen we dat nooit inschatten. A: Ik heb met mijn advocaat erover gesproken en die... Had ook helemaal geen slechte woorden. Hoe moet ik dat zeggen? Dat het wel een beetje op vertrouwen aankwam. Ik wil het wel… Ik denk dat het voor mij wel het beste is om maar te vertellen wat ik weet. Officier: Dat is... Hoef je niet gelijk bij ons te doen. Wij zijn niet de officiële verhoorders. Officier: Het is natuurlijk wel zo van... Dat heeft ook... Kijk, we kunnen wel wat dingen voor je betekenen. Dat kan ik gewoon als officier, dat ligt ook in mijn macht, we kunnen zorgen dat jij weer... Kun je via verhoorders doen, dat je kleding goed geregeld wordt. We kunnen ook... Dat is ook geen probleem dat er wat geld op je rekening komt via je vader, desnoods bellen wij of wat ook maar. Ik kan ook zorgen, als je zegt dat je in een andere PI zou willen zitten of weet ik veel wat. Dat zijn allemaal zaken... We kunnen ook wat aan de beperkingen doen. A: Dat zou fijn zijn. Officier: De beperkingen. Als eerste is altijd, ben ik ook gewoon... Daarom wil ik ook dat dit opgenomen wordt. Ik ben hier gewoon transparant in. Kan ik eerst de mediabeperkingen doen. Dus dat je televisie kijkt. En daarna die beperkingen, daarvan zijn wij afhankelijk hoelang dat duurt, van... Het belang van die beperkingen. En wat is nu het belang voor ons van die beperkingen? Is dat we eigenlijk nog op zoek zijn waar wij dus... Zeer grote vermoedens van hebben, van een mogelijke bergplaats, misschien wel van wapens. Mogelijke bergplaats van geld. Waar wij ook... Veel moeite aan gedaan hebben om daarachter te komen. Maar ja, dat... is heel makkelijk om dingen te verstoppen. Maar om iets te vinden is heel moeilijk. Dat zijn dingen waar wij belang bij hebben. Dat is iets, dat kan natuurlijk naar voren komen in jouw verklaring. We hebben ook... Nou vertel ik je ook niks vreemds van. We hadden gewoon het idee... Nou meer dan een vermoeden. Dat er een transport weer aan zat te komen. Met bekende kokosnoten A: [Lacht]. Ik denk dat het nu stop is gezet. (…) Officier: En de PGP’s… Ja jij kan erin.(…) (…) Officier: We gaan nu... Eigenlijk hebben we drie dingen genoemd. Wat ik dus van belang vind ook voor de beperkingen, dat is dus ook die, waar mogelijk drugs zullen vast ook nog wel ergens liggen, hoewel… A: Nee… (…) Officier: We kennen jou behoorlijk, alleen al door de OVC. Maar… TL: Ook jouw positie. (…) Officier: Precies vanuit je kasboek, die namen enz. En daar dan hebben we daarnaast als eerste belangrijk, vind ik wapens. Als er bergplaats is voor wapens, want... Ja, dit is misschien zou je kunnen zeggen dat ik op je gevoel speel. Jij hebt een tijd daar in die criminele organisatie gezeten. In die organisatie gezeten. Kun je allemaal vertellen hoe dat gekomen is en ook allemaal vertellen waarom je eruit wilt, ook al een jaar geleden. Prima! Maar je zou het toch niet op je geweten willen hebben, als er wapens zijn, dat die nu weer bij anderen terechtkomen, en dat daar misdrijven mee gepleegd worden. A: Nee. Officier: Dat is bij ons heel belangrijk. A: Ik kan je wel vertellen, ze liggen wel goed. Maar ik wil wel zeggen waar ze liggen. Het zijn er nog drie of vier. Officier: Wat voor wapens zijn dat dan? A: AK. Officier: Ja… A: Eh… Een Browning en nog een mini Uzi, nog eentje. Jullie hebben eentje gevonden. TL: Ja… A: Er is nog één mini Uzi. Officier: Verder hoef je niet…als jij aangeeft, waar liggen die dingen dan? A: Nou er liggen eh… Eentje ligt in [plaats] bij een kennis. Bij een oudere vrouw. En die andere liggen bij mijn moeder thuis. Officier: Dan hebben we er twee. A: Twee plekken. (…) TL: Je gaat straks in verhoor, en daar gaan we even de prioriteiten neerleggen, want we zijn doodsbang dat er wat mee gebeurt. (…) A: Nee ik wil alles meewerken, maar ik bedoel... Misschien kunnen we het combineren met kleding of zo? Want dat… TL: Maar je kleding moeten we toch ophalen. A: Ja maar ik weet niet, het ligt op een paar plekken. De advocaat zei: “Misschien is er een mogelijkheid dat ik mee zou kunnen om die kleding te pakken.” Officier: Daar wil ik nog niet gelijk op ingaan, maar ik sluit het niet uit. Dan moeten we gewoon zien in hoeverre... Je geeft aan: “Dit zijn voor mij op dit moment eerst de prioriteiten, dus [plaats] ? TL: Als hij dat dadelijk tegen onze mensen vertelt. Die komen dadelijk [verbalisant 4] [NTV] die ken je... A: Ja. Dat is wel fijn. TL: En [verbalisant 1] omdat die al.. [verbalisant 5] die is ook weer... A: Dat komt zo meteen in het verhoor. Dan komen dus die andere mensen die weten al dat ik ben begonnen met praten. Die wil ik niet tegenkomen die mensen. Officier: Hoe bedoel je? A: In de PI of zo. Die wil ik niet tegenkomen. Officier: Nee, nee, nee. A: Ik weet niet waar die anderen zitten. Niet in [plaats] volgens mij. Dat bedoel ik alleen. Ik zit misschien wel in beperkingen maar ik kom wel mensen tegen. Officier: Dat is heel duidelijk. Dat kunnen wij goed regelen. Daarom zeg ik ook, ik kan tegen de PI zeggen: ‘Je zou misschien naar die PI moeten.” Ik noem maar iets. TL: Als wij kijken naar de andere verdachten zitten is het te regelen dat jij niet in de PI komt dat je ze dan tegenkomt, snap je wat ik bedoel? A: Ja TL: Dat is sowieso. (…) Officier: He? Ik noem maar wat. Mocht je nog gewoon in openheid zeggen, want je advocaat weet er dus van. Als het goed is komt hij morgen of overmorgen bij jou op bezoek. Gaf hij aan. A: Mijn advocaat? Die komt vrijdag. Officier: In [plaats] dan? Dan kun je nog weer het een en ander bespreken. Je kan zo meteen je verhoor gaan doen. Nog blijf je altijd, ben jezelf degene die beslist over wat je vertelt en niet vertelt. A: Voor mij is het alles of niks, anders heeft het geen zin zeg maar. Ik hoop dan maar dat het mij hoop ik ten goede komt. Officier: Ik geef eerlijk aan dat ik in alle openheid dat ook duidelijk wil maken uiteindelijk aan de rechter. Hoe dit gelopen is, hoe je hierin gekomen bent, hoe dat gelopen is, hoe je medewerking etcetera. Uiteindelijk, dat blijft in alle gevallen, is het laatste woord aan de rechter. Die beslist. Ja. A: Ja, maar ik weet ook wel… Officier: Ik bedoel, jouw advocaat, gaat het één en ander vertellen en ik kan het één en ander vertellen. TL: Als ik jouw advocaat was wist ik wel wat ik zou zeggen. Zo gaat dat gewoon. En het andere traject, de zorgen over jouw veiligheid die je net aangeeft. A: [zwart gelakt] Officier: Daarom wil je er ook uit. A: Ik wil er al heel lang uit. (…) Officier: Dat zijn allemaal zaken, hoe je er uiteindelijk toe gekomen bent, die afgewogen kunnen worden. En ik kan in ieder geval in alle openheid aangeven, uiteindelijk als het zover is, hoe jij hier met je procespositie hierin staat. Je advocaat kan daar het nodige in betekenen. En wij zullen het uiterste doen, ten aanzien van bescherming om die mogelijk te maken. A: In principe nu, vraag je al of er wapens zijn. Dat komt mij al heel erg ten nadele. Officier: Hmhm. A: Maar goed, ik zeg het maar. Ik ga alles... (…) Officier: Ja wacht even. TL: We beperken ons nu even tot deze zaak. Die andere informatie daar gaan wij het ook over hebben. Dan zou het ook nog heel goed kunnen zijn dat je in het andere traject komt met allebei informatie die je weet. (…) Officier: Ik vertaal het dan juridisch, dat is dan de zorgplicht waar het net over hadden, die wij als overheid hebben. Dat zou heel simpel zijn, dat wij jou nu valse dingen voor gaan spiegelen hè? “Dat is geregeld, prima, prima.” En voor de rest laten we jou in je kooi wat we nog niet precies weten wat het is, en jij wordt vervolgens aan alle kanten verscheurd, en dan vervolgens denken: “Oh pech gehad, wij hebben het binnen!” Nee! Zo zit het niet in elkaar. We proberen het wel zo transparant mogelijk te doen. We hebben gekeken of het op een andere manier kan? Dat was gelet op jouw zaak, hè? Gelet op jouw zaak omdat er ook ander bewijs is, is dat eerst afgesloten. Maar die andere mogelijkheid hebben we het nu uitgebreid over gehad, die is er nog wel. En daar gaan wij ook voor jou... In gang zetten. Dit kun je natuurlijk ook allemaal aan je advocaat vertellen dit. Er zit helemaal niks vreemds bij. A: Dat begrijp ik. TL: Dat stukje vertrouwen moet er zijn. Ik zit hier niemand... Na jouw zaak, een volgende zaak voor mij hè? Begrijp je wat ik bedoel? (…) A: Dat is geld dat ligt zeg maar klaar om opgehaald te worden. Als niemand iets niet ophaalt... TL: Duidelijk. Laat dat in het verhoor naar voren komen. Dat worden lange verhoren. Vandaag en morgen. Officier: Misschien ook wel vaker. TL: Wellicht ook volgende week en toestanden. Twee dingen. Het verhoor nu gaat gewoon over deze zaken. En alles wat daarbij naar buiten komt, waarmee je geconfronteerd wordt, gaan [zaaksofficier] en ik het nog over hebben. A: Ik moet een beetje aan het idee wennen. Ik vind het makkelijker om zo over dingen te praten dan in een verhoor. Want ik zit dan in mijn achterhoofd, die verklaringen komen bij iedereen in de stukken. Misschien zit het tussen de oren hoor, maar dat is een naar idee. TL: We nemen dit gesprek ook op, dat heeft [zaaksofficier] je ook van tevoren gezegd. A: Dat weet it. TL: Uiteindelijk gaat een rechter niet met een koptelefoon op zitten om te luisteren wat jij gaat zeggen, die wil dat op papier zien. Zo moet je dat zien. En die verklaringen krijgen… Uiteindelijk allemaal te zien. (…) TL: We kunnen het eventueel al, als het allemaal buiten deze zaak valt enz. Dat weet [zaaksofficier] beter dan ik. Dan... Hoeven dat soort verklaringen misschien niet eens in dit dossier mee. A: Ik ben altijd gerustgesteld als ik weet of mijn moeder wel of niet naar de Caribbean is gegaan. (…) TL: Wat ik begrepen heb gaat ze naar [naam] ja. Ik weet niet of ze vandaag al vertrokken is of gisteren… (…) TL: Ik ga even bellen, ga je even terug je cel in. Ze hebben deze kamer gereserveerd. Controleer het even op typfouten als je daar gaat zitten, dan heb je wat te doen. A: Ja, ik heb het al heel vaak doorgelezen... TL: Wij gaan ook even zeggen dat je pa weer gebeld kan worden dat je... Dat je even wat poen... Heb je dat nu al opgemaakt? A: Bijna op. Bijna op ja. (…) TL: Ja.... En de kleding daar valt ook wel wat voor te regelen. A: Het ligt gewoon in huis. (…) TL: Zet alles voor jezelf even op een rijtje. We gaan je straks horen. De officier heeft al aangegeven hoe en wat, waar even de ketenpunten komen te liggen. We zijn nog lang niet klaar. In de tussentijd, draait onze trein ook wel door. We hebben veel overleg, zo niet dagelijks. En... gaan wij kijken wat wij aan de achterkant alvast op poten kunnen zetten of organiseren eventueel. En dan is het ook gewoon heel zakelijk, maar dat weet jij dondersgoed, heel zakelijk. Je hebt in de zaken gezeten. Je bent... als wij wat beloven gaat het net even over dan dat wij beloven... (…) In het journaal van het arrondissementsparket heeft zaaksofficier mr. [zaaksofficier] hierover genoteerd: Op 14.10 (het hof begrijpt: 14 oktober 2015) gesprek gehad met [getuige] door mij en [verbalisant onderzoeksleider 1] (AVR) om hem te wijzen op zijn procespositie. [getuige] wil tactisch gaan verklaren. Eventuele andere trajecten zijn vanaf nu in handen bij TCI-officier. Na het gesprek met mr. [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider 1] is [getuige] op 14 oktober 2015 (vanaf 13.14 uur) verhoord in het onderzoek Maggiora. Tijdens dit verhoor beroept [getuige] zich niet langer op zijn zwijgrecht, zoals in de verhoren daarvóór, maar legt hij een uitgebreide bekennende verklaring af. Bij aanvang van het verhoor geeft [getuige] aan dat hij “wel een goed gesprek” heeft gehad met [zaaksofficier] . Hij geeft aan dat hij een uur geleden dingen heeft verteld. Een van de verhorende verbalisanten geeft daarop aan dat zij van de inhoud van dat gesprek niet op de hoogte zijn. Tijdens het verhoor antwoordt [getuige] op de vraag van een van de verhoorders waar [getuige] het eerste over wil verklaren: “Volgens mij, wat meneer [zaaksofficier] ook het liefst wil, dat zijn sowieso eerst die wapens”. Voordat hij inhoudelijk iets heeft verklaard zegt [getuige] dat hij, na overleg over bepaalde zaken, een volledige verklaring wil afleggen. Hij vermeldt datmr. [zaaksofficier] had aangegeven dat er iets voor de kleding geregeld kon worden, dat hij denkt dat het het makkelijkst is als hij met iemand mee zou gaan om de kleding op te halen, dat de mediabeperkingen er wat hem (het hof begrijpt: mr. [zaaksofficier] ) betreft af mochten en dat dat voor hem ( [getuige] ) alweer een hoop scheelt. De verhoorders geven aan dat zij zullen regelen dat [getuige] met zijn vader kan bellen en dat de vader van [getuige] dan wat geld op zijn rekening kan storten. [getuige] verklaart tijdens het verhoor over verstopplekken van wapens en nadat hij zo’n half uur heeft verklaard, merkt [getuige] op dat er toch eigenlijk bijna geen reden meer is voor de beperkingen: “als je in beperkingen zit, als je niet in beperkingen zit, dan kun je juist bijvoorbeeld iets regelen of iets wat verstopt is ergens anders weer te laten verstoppen. Maar ja, daar heb ik geen reden meer voor”. Ook verklaart [getuige] over de invoer van drugs uit de Dominicaanse Republiek en dat het kan zijn dat er een transport onderweg is, over mogelijke verstopplekken van geld en over PGP-toestellen van hemzelf en de medeverdachten en het ontsleutelen van die toestellen. [getuige] verklaart daarover onder meer: “Maar echt waar, die PGP’s, ik wil jullie alles wel geven en zeggen, maar dat heb ik ook al aan meneer [zaaksofficier] verteld”. Tijdens het verhoor merkt een van de verhoorders op: Verbalisant: Wat de officier ook tegen jou heeft gezegd, en wat je daarmee doet, je bent nu met ons in gesprek. Je kan het ook zien, je bent nog vrij jong. En klaar, dit is kut, dit heb je ervaren. En je gaat ervoor zitten. [getuige] : Maar waarschijnlijk wel wat minder lang. Verbalisant: Dat bedoel ik. Ook verklaart [getuige] : “Ja, ik zal daar nog met meneer [zaaksofficier] verder over gesprekken hebben. Maar ja, het is natuurlijk wel de bedoeling dat als ik vrij kom, dat ik dan toch op één of andere manier één of andere bescherming of begeleiding of zo krijg. Dat is wel de bedoeling”. [getuige] geeft daarnaast aan: “maar dat ik, zeg maar, dat ik zeg maar aangegeven heb dat ik een volledige verklaring wil afleggen, ja dat klopt wel. Maar dat is natuurlijk wel in overleg gegaan met, uh, hoe noem je dat, daar heb ik natuurlijk met meneer [zaaksofficier] over gesproken (…)”. Tegen het einde van het verhoor stelt de verbalisant voor dat [getuige] na het eten even met zijn vader kan bellen. [getuige] geeft dan nogmaals aan dat hij met mr. [zaaksofficier] heeft gesproken over de beperkingen en dat mr. [zaaksofficier] had gezegd dat de mediabeperkingen er alvast vanaf konden. 2.1.1 Activeren verklaringsbereidheid Hierboven is de inhoud van de aard van de contacten tot aan het moment van het politieverhoor op 14 oktober 2015 weergegeven. Het hof concludeert op grond van die inhoud het volgende over de functie die die contacten in het onderzoek Maggiora hebben gehad. Op 1 oktober 2015 hebben twee gesprekken plaatsgevonden: één met [verbalisant onderzoeksleider 1] en één met het TCI. Van deze gesprekken is geen proces-verbaal opgemaakt. Op grond van de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde mutaties, de woordelijke uitwerking van de verhoren van [getuige] en de verklaring van [getuige] bij de raadsheer-commissaris stelt het hof vast dat toen is gesproken over het gevaar dat [getuige] liep en de voordelen voor [getuige] van meewerken in het onderzoek, oftewel: bescherming en een lagere straf. Vervolgens is [getuige] op 14 oktober 2015 gelicht om gehoord te worden. Voorafgaand aan dit verhoor werd hij overgebracht naar een verhoorruimte voor een gesprek met de officier van justitie mr. [zaaksofficier] en onderzoeksleider [verbalisant onderzoeksleider 1] . Bij aanvang van het gesprek werd [getuige] gewezen op de situatie waar hij zich in bevond: [getuige] werd onder meer voorgehouden dat hem in het onderzoek Maggiora een strafeis van minimaal acht jaar boven het hoofd hangt, gelet op de strafbare feiten waar hij bij betrokken lijkt te zijn, dat mr. [zaaksofficier] met zijn raadsman heeft gesproken over dat hij vandaag met [getuige] zou spreken en dat meewerken in het voordeel van [getuige] kan zijn. Mr. [zaaksofficier] heeft het over verschillende trajecten waar mogelijkheden liggen voor [getuige] . Mr. [zaaksofficier] geeft aan dat hij in zijn eis in de strafzaak tegen [getuige] rekening kan houden met een meewerkende houding van een verdachte en dat het Openbaar Ministerie zich verantwoordelijk zal voelen voor de veiligheid van een meewerkende verdachte. In reactie hierop heeft [getuige] aangegeven dat hij wel wil meewerken, maar dat hij dan verwacht dat hij na zijn vrijlating geen problemen krijgt, ook bijvoorbeeld zijn moeder niet, en dat hij hoopt dat hij ook wat eerder vrij zou kunnen komen. In reactie hierop geeft mr. [zaaksofficier] aan dat hij wel wat dingen kan betekenen voor [getuige] , namelijk: dat zijn kleding goed geregeld wordt; dat er via de vader van [getuige] geld op zijn rekening komt; dat hij naar een andere PI zou kunnen; dat de mediabeperkingen vervallen. Ook vertelt mr. [zaaksofficier] dat hij voor de overige beperkingen afhankelijk is van het onderzoek en dat het belang van de beperkingen is dat de politie nog op zoek is naar wapens. Ook speelt mee: de mogelijke bergplaats van geld, PGP-toestellen en het aankomende transport. Hierop geeft [getuige] aan dat hij wel wil meewerken, maar dat hij mee zou willen om kleding te pakken. Mr. [zaaksofficier] wil daar niet gelijk op ingaan, maar sluit het ook niet uit. Tot slot merkt [verbalisant onderzoeksleider 1] op dat de vragen nu beperkt zijn tot deze zaak en dat ze het later over de andere informatie van [getuige] gaan hebben en dat het heel goed zou kunnen dat [getuige] met die informatie in dat andere traject komt. Het gesprek wordt afgesloten met de toezegging van [verbalisant onderzoeksleider 1] dat hij gaat doorgeven dat de vader van [getuige] weer gebeld kan worden zodat [getuige] weer wat geld krijgt en dat er ook wel wat valt te regelen voor zijn kleding. Korte tijd na dit gesprek, naar de inschatting van [getuige] een half uur later, volgt het politieverhoor waarvoor [getuige] gelicht was. Dat dit gesprek zeer kort na het gesprek met [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider 1] heeft plaatsgevonden, blijkt ook uit de woordelijke uitwerking van het eerste politieverhoor van [getuige] op 15 oktober 2024, waarin [getuige] refereert aan een termijn van een uur. [getuige] heeft als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard over dit politieverhoor dat hij van tevoren had gedacht ‘ik ga weer naar één van de verhoren met de insteek mijn mond te houden.’ [getuige] heeft ook verklaard dat voor hem de boodschap in het gesprek met mr. [zaaksofficier] helder was. Als hij bereid was te gaan verklaren dan zou het er stukken beter voor hem uitzien en zou er voor zijn veiligheid worden gezorgd. Hij kwam eruit met het gevoel van: ‘Ik ga meewerken want dat gaat mij veel voordelen opleveren.’ De lagere straf zou voor het afleggen van de verklaringen zijn, daarom ging hij verklaren. Er was een vooruitzicht dat de straf lager zou zijn. Het hof concludeert dat deze perceptie van [getuige] over het gesprek met Mr. [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider 1] past bij de gebleken inhoud van dit gesprek zoals die hierboven is weergegeven. Tijdens het politieverhoor op 14 oktober 2015 dat volgde op het gesprek met mr. [zaaksofficier] en [verbalisant onderzoeksleider 1] legt [getuige] , zonder eerst zijn raadsman te consulteren, belastende verklaringen af over zowel zijn medeverdachten als zichzelf, en geeft hij meteen informatie over de vindplaatsen van wapens, geld en drugs en de manier waarop van de inhoud van de PGP-toestellen kennis genomen zou kunnen worden. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat door toezeggingen van het Openbaar Ministerie de verklaringsbereidheid van [getuige] is geactiveerd. Dit is naar het oordeel van het hof – en anders dan door [getuige] verklaard bij de raadsheer-commissaris – niet alleen gebeurd door uitlatingen van [zaaksofficier] over een mogelijk lagere straf bij medewerking van [getuige] (die het hof schaart onder uitleg van de feitelijke situatie van [getuige] ), maar ook door daarbij toezeggingen te doen over onmiddellijke en aanmerkelijke verbetering van de leefomstandigheden van [getuige] , die tot dan toe al geruime tijd gedetineerd zat onder zware beperkingen. Het hof merkt daarover nog het volgende op. [getuige] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de opsommingen op pagina 3 van het uitgewerkte gesprek met mr. [zaaksofficier] (het hof begrijpt: de praktische zaken die mr. [zaaksofficier] zou kunnen regelen) voor [getuige] geen reden waren om te gaan verklaren. Hij zei dat het voor hem ook niet meespeelde. [getuige] was, zo gaf hij daarbij nog aan, angstig omdat hij wist wat voor een milieu het is en door het gesprek dat hij had met [verbalisant onderzoeksleider 1] . Uit de woordelijke uitwerking van de verklaring van [getuige] tijdens het politieverhoor van 14 oktober 2015 blijkt echter dat [getuige] meermaals verwijst naar het gesprek dat hij metmr. [zaaksofficier] even daarvoor heeft gehad. Hij verklaart over onderwerpen die mr. [zaaksofficier] van belang achtte, waarbij hij bij herhaling in relatie tot de informatie die hij verschafte, ter sprake bracht dat volgens mr. [zaaksofficier] de mediabeperkingen eraf mochten, dat er geen reden zou zijn om de mediabeperkingen te handhaven nu hij over verstopplekken van wapens had verklaard en dat hij graag nieuwe kleding wilde regelen. Het hof leidt uit die gang van zaken af dat [getuige] op dat moment veel belang had bij verbetering van zijn leefomstandigheden in gevangenschap en dat voor [getuige] bij de afweging om te gaan verklaren, toezeggingen aangaande die praktische zaken wel degelijk van belang waren en zijn verklaringsbereidheid hebben beïnvloed. 2.2 Contacten tussen het Openbaar Ministerie en [getuige] na 14 oktober 2015 Na zijn verklaring op 14 oktober 2015 kan [getuige] spullen halen “als een soort van beloning”, aldus [getuige] . Hij kan kleren ophalen, met vader en vriendin bellen en de mediabeperking ging er meteen af. [getuige] belde als het lastig was in de PI, met luchten of zo, met zijn advocaat en dan was het daarna klaar. Zijn advocaat regelde dat dan met officier mr. [zaaksofficier] . Een paar dagen na zijn eerste bekennende verklaring moet [getuige] een aantal verhoren opnieuw ondertekenen. Op 19, 21, 26, 27 en 29 oktober 2015 wordt [getuige] opnieuw gehoord als verdachte in het onderzoek Maggiora. Tijdens deze verhoren blijkt een mogelijke vervolging van de broer van [getuige] in verband met het verbergen van een wapen onderdeel van onderhandelingen te kunnen zijn in verband met de (voortdurende) verklaringsbereidheid van [getuige] . Op 10 november 2015 voert landelijk officier mr. [landelijk officier van justitie 1] overleg met de TCI-officier van het parket Noord-Nederland en de advocaat van [getuige] (het hof begrijpt: mr. [advocaat van getuige] ). Uit de mutatie volgt dat de advocaat aan [getuige] zal voorleggen of hij wil doorgaan met het traject onder verantwoordelijkheid van het landelijk parket (het hof begrijpt: het TBG-traject). [getuige] zal dan worden overgebracht naar [plaats] om hem ongestoord te kunnen horen. Op 20 november 2015 is er overleg tussen mr. [landelijk officier van justitie 1] en zaaksofficier mr. [zaaksofficier] . [getuige] moet voor de pro forma-zitting van 15 december 2015 nog door het tactisch team worden gehoord. Omdat het risico bestaat dat [getuige] tijdens die verhoren ook over andere zaken begint, is besloten dat het aanvullend verhoor in Maggiora wordt gedaan door het TSG (het hof begrijpt steeds: oude benaming van TBG) in combinatie met rechercheur [verbalisant 1] van het bestaande verhoorkoppel in het Maggiora-onderzoek. [verbalisant 1] tekent een geheimhoudingsverklaring. Alle andere onderwerpen worden gedaan door het TSG-koppel. Hierover zijn door mr. [landelijk officier van justitie 1] , mr. [zaaksofficier] en teamleider [verbalisant onderzoeksleider 1] werkafspraken gemaakt. [getuige] arriveert op 30 november 2015 in [plaats] . Na aankomst in [plaats] heeft [getuige] een kennismakingsgesprek met mr. [landelijk officier van justitie 1] die hem vertelt over zijn rechten en plichten, over het afleggen van verklaringen en hoe dat in zijn werk gaat, dat ze gevalideerd moesten worden. Ook geeft zij aan dat hij misschien kan rekenen op 50% korting, maar dat zij dat niet kan garanderen. [getuige] tekent daar voor het eerst allerlei papieren. Ook in [plaats] vinden dan eerst nog tactische verhoren (het hof begrijpt: verhoren in Maggiora) plaats. Deze verhoren hebben plaatsgevonden op 2, 3, 7 en 9 december 2015. Op 2 december 2015 vindt overleg plaats tussen het landelijk parket en [verbalisant onderzoeksleider 1] . Door het parket is gezegd dat ze ernaar streven om het verhoor in Maggiora op 7 december 2015 af te ronden. De verklaringen blijven vervolgens in [plaats] . [verbalisant onderzoeksleider 1] heeft aangegeven dat de verklaringen nodig zijn voor de pro forma zitting op 15 december 2015. Er is afgesproken dat het Openbaar Ministerie hier onderling maar uit moet komen. Op 4 december 2015 is [getuige] aangemeld voor het TSG. Vervolgens heeft op 10 december 2015 met [getuige] een oriënterend gesprek plaatsgevonden in [plaats] . Aan hem is uitgelegd dat aan de verhoren in het Maggiora onderzoek een einde is gekomen en dat de verhoorders nu in de rol van TSG met [getuige] in gesprek gaan. [getuige] benoemt dat hij over 17 zaken/incidenten informatie kan aanleveren. In het journaal van het arrondissementsparket schrijft mr. [zaaksofficier] op 5 december 2015 dat [getuige] niet naar zitting komt, zodat veiligheid minder een probleem is. Op 14 december 2015 vindt er een gesprek ‘potentiële getuige’ plaats tussen de officier van justitie van TSG en de teamleider TSG met [getuige] . Hiervan is een gespreksnotitie potentiële getuige 226g Sv opgemaakt. Er worden een aantal onderwerpen en aandachtspunten met [getuige] besproken. De volgende dag vindt er een psychologische intake plaats. De mutatie van 16 december 2015 met als onderwerp ‘(…) Beleidsafspraken met OM’ houdt onder meer in dat een volgorde wordt aangebracht voor de gesprekken met [getuige] , namelijk: poging liquidatie te [plaats] (levensdelict), liquidatie op echtpaar te [plaats] .. Beide feitelijk gelijk geprioriteerd. EN 3. OMG gerelateerde zaken concreet trachten te maken. Ook al zijn het kleine bijvangsten. Het toont aan, groot of klein, dat men als OMG crimineel handelt. 4. de rode draad zoeken/vinden rondom [naam] [zwart gelakt] en vooral het verband zoeken met de zaak Magiore (het hof begrijpt: Maggiora), zodat ook in Magiore een dealmogelijkheid bestaat. Op 23 december 2015 belt [verbalisant onderzoeksleider 1] met het landelijk parket. [verbalisant onderzoeksleider 1] geeft in dat gesprek aan dat de PGP-gegevens waar [getuige] over verklaart, op schijf staan en beschikbaar zijn voor verificatie. De verwachting is dat deze niet eerder dan januari worden opgehaald. Op 24 december 2015 vraagt mr. [landelijk officier van justitie 1] van het landelijk parket aan de zaaksofficier (het hof begrijpt: mr. [zaaksofficier] ) of hij (of zijn secretaris) haar een overzicht/afschrift kan mailen van zowel de onderzoekswensen van de verdediging als de beslissing van de rechtbank daarop. Dat is voor haar van belang bij het nemen van een aantal strategische beslissingen. Tijdens het werkoverleg van 7 januari 2016 geeft officier van justitie mr. [landelijk officier van justitie 1] aan dat de verklaringen van [getuige] geen panklare verklaringen zijn voor een onderzoek, maar wellicht bruikbaar zijn als ondersteuning. Uit de mutatie van 28 januari 2016 van het landelijk parket met onderwerp: ‘mailwisseling [landelijk officier van justitie 1] - [zaaksofficier] ’ volgt dat mr. [landelijk officier van justitie 1] naar mr. [zaaksofficier] heeft gemaild dat zij het zeer op prijs zou stellen als vervolgverhoren in overleg met hen gepland en ingericht worden, zodat beide zaken elkaar niet in de weg gaan zitten. Ook is er contact over het terugplaatsen van [getuige] naar de zorgafdeling van PI [locatie] . [verbalisant 1] vraagt aan mr. [zaaksofficier] of hij daarin iets kan betekenen. Gezien de medewerking van [getuige] aan het arrondissementsparket en de landelijke eenheid lijkt hem dit een ‘goed’ gebaar. Op 1 februari 2016 muteert [officier van justitie] van het arrondissementsparket in het journaal: Inmiddels heb ik van [zaaksofficier] stukken gehad en gelezen en het journaal gelezen. Bevindingen: [zwart gelakt] Constatering mbt de verhoren van [getuige] . In die verhoren is een overduidelijke breuk, van zwijgen naar alles verklaren. Ik weet hoe dit tot stand is gekomen, dit zal een stevig verhoor bij de RC worden. (…) Bewijs is nog best een harde dobber. [zaaksofficier] heeft het team al meerdere keren erop aangesproken hoe hij dit wil. De verklaringen van [getuige] zijn cruciaal, maar die dienen stuk voor stuk onderbouwd te worden met andere bewijsmiddelen. (…). In de mutatie van 2 februari 2016 gemaakt door mr. [zaaksofficier] in het journaal van het arrondissementsparket staat, onder meer: volgende week afspraak [verbalisant onderzoeksleider 1] en ik met ovj [landelijk officier van justitie 1] en TSG over voortgang rondom [getuige] (het hof begrijpt: [getuige] ). Uit de mutatie van het landelijk parket van 25 februari 2016 volgt dat op 3 maart 2016 een gesprek zal plaatsvinden tussen mr. [landelijk officier van justitie 1] , [getuige] en zijn advocaat op het politiebureau aan de [adres] in [plaats] . In de mutatie staat: Ik heb voor 3 maart tussen 13:00 uur en 16:00 uur een verhoorruimte gereserveerd in het [locatie] aan de [adres] (…) Dit ivm met een dealgesprek dat [landelijk officier van justitie 1] -[zwart gelakt] gaan hebben met [getuige] en zijn advocaat. In aanloop naar dit gesprek mailt mr. [landelijk officier van justitie 1] op 25 februari 2016 aan de raadsman van [getuige] , mr. [advocaat van getuige] , dat een executiedeal de meest praktische en voor [getuige] meest gunstige optie is. Deze mail houdt onder meer in: In vervolg op ons onderhoud van vorige week kan ik u mededelen dat wij voornemens zijn om op 3 maart a.s. een nader onderhoud met uw client te hebben. Wij hebben alles nog eens op een rijtje gezet en daar lijkt uit te volgen dat een zgn. “executiedeal” de meest praktische en voor uw client de meest gunstige optie is. Ik heb daaromtrent nog geen vast format voorhanden, dus ik kan mijn toezegging om u die voor de afspraak toe te zenden helaas niet gestand doen. Op 9 maart 2016 wordt over deze bespreking in het journaal van het landelijk parket het volgende – voor zover relevant – vastgelegd: Onderwerp: sessie advocaat/ [getuige] /OM en TSG Hem zijn de opties mbt de boterbriefjes voorgehouden en dat wij denken dat dit voor hem de beste optie is. Dealen in Maggiora ziet [landelijk officier van justitie 1] niet (nauwelijks) zitten. De opties: cooperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen om daarna in te gaan op een executieverzoek (GRATIE) positief te adviseren vond ook de advocaat ogenschijnlijk de beste optie. De advocaat zocht nog wel wat ruimte, bijv. op het gebied van ontnemen. Tevens vroeg de advocaat advies hoe zich te gedragen wanneer er doorgevraagd wordt op zekere thema’s waarbij [getuige] zelf weet dat hij dit al bij TSG heeft verklaard. Het risico bestaat dan dat niet antwoorden wordt gezien als niet cooperatief, wat dus zijn eerste boterbriefje niet ten goede komt. Hem het advies gegeven dat zijn advocaat hier vaste slimme oplossingen/ideeen over heeft, maar dat wij hier niet in kunnen adviseren. Concreet: wij kunnen niet adviseren hem te zeggen dat hij het zich bijvoorbeeld niet kan herinneren. Daar leek de advocaat op te doelen. Aangegeven dat een deal in Maggiora niet tot de opties behoort maar dat er zeker kans van slagen is middels de boterbriefjes. Tijdens dit gesprek [getuige] en advo ook aangegeven dat wij er alles aan doen om geheimhouding te waarborgen en erop aangedrongen dat [getuige] niet met derden praat over het TSG traject. De deal is immers nog niet rond, doelend op het feit dat hij regelmatig contact zocht met [verbalisant 1] en ogenschijnlijk de trajecten nogal door elkaar haalde. [getuige] nam initiatieven die af en toe ongelukkig waren, met de beste bedoelingen overigens. Hij kon immers bellen vanuit de PI. [getuige] verklaart over deze bespreking dat door mr. [landelijk officier van justitie 1] is gezegd dat er sowieso een deal zou komen, dat hij geduld moest hebben en dat hij vanwege de kluisverklaringen 50% korting op zijn straf in Maggiora zou krijgen. In de mail van teamleider [verbalisant onderzoeksleider 1] van 8 maart 2016 met als onderwerp ‘Horen [getuige] ’ staat onderaan als naschrift: ‘ps Voor alle duidelijkheid; er is GEEN SPRAKE VAN dat in Maggiora een deal met [getuige] … gesloten is of gaat worden.’ Bij de e-mails afkomstig van het landelijk parket bevindt zich ook een ongedateerd stuk genaamd ‘overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’. In deze conceptovereenkomst is onder meer opgenomen dat als getuige XXXX zijn verplichtingen nakomt de officier van justitie bij de indiening van een gratieverzoek door de getuige een positief advies zal uitbrengen tot vermindering van de opgelegde straf met [xxxx] maanden. Vervolgens vinden in het onderzoek Maggiora opnieuw verhoren plaats op 21, 22, 23, 24, 30 en 31 maart en 4, 5 en 6 april 2016. Op 5 juli 2016 informeert mr. [advocaat van getuige] per mail bij mr. [landelijk officier van justitie 1] wanneer een vervolg zijn beslag zou moeten krijgen. Hierop reageert op 14 juli 2016 mr. [landelijk officier van justitie 2] , als plaatsvervanger van mr. [landelijk officier van justitie 1] , dat de politie druk bezig is met het verifiëren/falsifiëren van de door [getuige] afgelegde verklaringen en dat hij zodra dit proces is afgerond bij mr. [advocaat van getuige] op de lijn komt. Op 4 augustus 2016 heeft in de PI [plaats] een gesprek plaatsgevonden tussen [getuige] en het TSG. Tijdens dit gesprek heeft [getuige] onder meer opgemerkt ‘benieuwd te zijn wanneer hij, of zijn advocaat, weer iets horen van justitie mbt zijn deal met justitie’. Uit de mutatie van het landelijk parket van 21 september 2016 met als onderwerp: ‘Overleg OM ivm met vervolg dealtraject’ volgt dat er nog verschillende opties op tafel liggen: ‘De discussie werd gevoerd of het handig is om bepaalde passages in de verklaringen te laten staan. Bijv dat [getuige] namen van verbalisanten Magiorre noemt; zijn gesprek met de Cie OvJ en dat hij buiten het opgenomen verhoor informeel met taktiek heeft gesproken. [landelijk officier van justitie 2] is geen voorstander om te deruit te halen omdat het toch op de band blijft staan. Mocht er een moment komen dat de band beluisterd wordt door de advocatuur en dit komt naar voren dan levert het meer schade op. [landelijk officier van justitie 2] ziet nog wel problemen om na een veroordeling in Maggiore de 3 verklaringen [zwart gelakt] in een keer in een gratie verzoek te stoppen. Verder komt daar nog bij dat [getuige] in de zaak [zwart gelakt] zelf strafbare handelingen heeft verricht. Als hij daarvoor in Maggiore niet veroordeeld is komt deze straf er nog boven op. Volgens [landelijk officier van justitie 2] zijn zienswijze moeten alle drie de zaken afzonderlijk bij de betreffende RC ter toetsing worden aangeboden. Een deal levert ook vermenging van de zaken op, wat zou kunnen beteken als een zaak klapt de ander nog volop bezig is en daarin nog geen openheid gegeven kan worden. (…) Een dan de vraag of het dan handig is om dit nog in Maggiore te stoppen zodat [getuige] gelijk zijn straf krijgt waarop hij dan kan dealen of dat het via een gratie achteraf moet. [landelijk officier van justitie 2] neemt deze vraagstukken mee naar OM en zal dit daar bespreken. Iedereen vond wel dat [getuige] niet de dupe moet worden van deze ingewikkelde juridische constructies. Dit zou dan ook een negatieve reclame kunnen opleveren voor het middel.’ Uit een mutatie van 13 oktober 2016 volgt verder nog dat mr. [landelijk officier van justitie 2] overleg heeft gehad met mr. [zaaksofficier] , waarbij hij heeft geïnformeerd of het mogelijk was om [zwart gelakt] in Maggiora in te brengen. [zaaksofficier] heeft hierop aangegeven dat hij voldoende bewijs heeft in zijn zaak en dat hij dit niet nodig vond. Op 12 oktober 2016 mailt mr. [rechercheofficier van justitie 1] , rechercheofficier van justitie van het parket Noord-Nederland, aan mr. [landelijk officier van justitie 2] – voor zover hier relevant – dat [zaaksofficier] (het hof begrijpt: mr. [zaaksofficier] ) heeft bevestigd dat de kluisverklaringen niet in Maggiora worden gebruikt. Op 25 oktober 2016 wordt met mr. [landelijk officier van justitie 2] en de nieuwe officier mr. [officier van justitie getuigenbescherming] besproken wat de stand van zaken is in [getuige] . De mutatie hierover houdt onder meer in: ‘Nu Maggiore de verklaring omtrent [zwart gelakt] niet nodig heeft en [zwart gelakt] te mager is om een onderzoek te starten wat we nu gaan doen. [landelijk officier van justitie 2] gaat nog met de Recherche officier en [zwart gelakt] bespreken of de verklaring omtrent [zwart gelakt] interessant genoeg is om in [zwart gelakt] te gaan gebruiken. (…)’ Uit de mutatie van mr. [zaaksofficier] van 12 november 2016 in het journaal van het arrondissementsparket volgt dat [getuige] op 21 november 2016 wordt opgeroepen als getuige door de rechter-commissaris en dat hij zich zal beroepen op zijn verschoningsrecht. Dat is bevestigd door raadsman (het hof begrijpt: mr. [advocaat van getuige] ). [getuige] heeft hierover bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij zich moest beroepen op zijn verschoningsrecht, dat mr. [zaaksofficier] en zijn advocaat dit besproken hadden, dat het heel belangrijk was dat hij dat moest doen, dat hij zich op advies van zijn raadsman op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat hij dit advies heeft opgevolgd, omdat hij bang was dat de deal anders niet door zou gaan. Het laatste politieverhoor van [getuige] in het onderzoek Maggiora vindt plaats op 22 februari 2017. Op 6 maart 2017 krijgt mr. [landelijk officier van justitie 2] van het landelijk parket een mail waarin hem gemeld wordt dat [getuige] steeds onrustiger wordt. Dat [getuige] niet weet wie wanneer nog verklaringen van hem willen hebben en wat er gaat gebeuren met hem na de zitting begint echt aan hem te knagen. [getuige] wordt hierdoor moeilijker te managen. De schrijver van de mail denkt dat het wel een legitiem verzoek is gezien de situatie van [getuige] en dat het goed is als er duidelijk gemaakt wordt wat nu de stand van zaken is en waar hij aan toe is. Op 9 maart 2017 informeert mr. [advocaat van getuige] opnieuw bij mr. [landelijk officier van justitie 2] naar de stand van zaken. Mr. [advocaat van getuige] mailt, voor zover relevant: Ongetwijfeld zult u er reeds mee op de hoogte zijn dat de strafzaken in het onderzoek Maggiora hun einde naderen. Het onderzoek naar de feiten op verzoek van de verdediging is nagenoeg afgerond en de behandeling van de verschillende zaken, waaronder die van mijn cliënt [getuige] , staat gepland in de periode 14 tot en met 29 juni 2017 bij de rechtbank te Assen. Hierdoor kwam de vraag bij cliënt op wanneer er van uw kant acties te verwachten zijn om het traject verder af te wikkelen. Mevrouw [landelijk officier van justitie 1] vond het eertijds nodig dat wij kennis zouden nemen van de kluisverklaringen en zij zou een concept overeenkomst opstellen. Tijdens een OM-werkoverleg van 15 maart 2017 is besproken dat [officier van justitie getuigenbescherming] (het hof begrijpt: mr. [officier van justitie getuigenbescherming] ) contact heeft gehad over een kluisverklaring van [getuige] . Hier lijkt toch muziek in te zitten. Uit de mutatie over een OM-werkoverleg van 29 maart 2017 volgt dat, nadat is gesproken over de waarde van de verklaring, waarbij is verteld dat tactiek niet achterover zal vallen van deze verklaring, is besloten om te stoppen met de zaak [getuige] . Op 5 april 2017 is de zaak van [getuige] uitgeschreven bij het landelijk parket. Op 1 mei 2017 mailt de opvolger van mr. [landelijk officier van justitie 1] , mr. [officier van justitie getuigenbescherming] , officier van justitie getuigenbescherming bij het landelijk parket: Deze meneer heeft van TBG al te horen gekregen dat er geen belangstelling is voor zijn verklaringen. Ze zijn niet interessant en concreet genoeg om er iets mee te doen. Ik heb er echt mee lopen leuren, geprobeerd belangstelling te wekken, maar niemand wil/kan iets met de info die hij geeft. Wij hebben hem afgevoerd. Vervolgens volgt uit de mutatie van 8 juni 2017 met als onderwerp ‘overleg OM/advo/ [getuige] /TBG iz afketsen deal’ dat er een bijeenkomst is geweest in de [locatie] met als reden: duidelijkheid verschaffen in het proces dealgetuige. Tijdens deze bijeenkomst wordt gesproken over de strafeis en ondersteuning van een gratieverzoek. De mutatie houdt in: Aanwezig: advo, [getuige] , [officier van justitie getuigenbescherming] [het hof begrijpt mr. [officier van justitie getuigenbescherming] ], [zwart gelakt] [getuige] had van de week contact gezocht met het LP om vervolgens door verbonden te worden met [officier van justitie getuigenbescherming] . Aldus geschiedde. Tot verrassing van [officier van justitie getuigenbescherming] had hij gelijk [getuige] aan de lijn. Boos en geëmotioneerd. Dit omdat hij zojuist had vernomen dat er voor hem geen deal in zat. Daarnaast had ovj [zaaksofficier] ook aangegeven dat hij nog niet wist of hij strafkorting (mildere eis) en of voor het gratieverzoek wilde eisen/vragen. [getuige] en advocaat reproduceerden het gesprek (afstemmingsoverleg ter voorbereiding van een deal), kwam er op neer dat zij vonden dat [landelijk officier van justitie 1] in het gesprek op de [adres] had gezegd dat de deal er was. Daarnaast zou [landelijk officier van justitie 1] hebben gezegd dat ze een conceptovereenkomst naar de advocaat zou sturen. Hiermee is bij hen de indruk gewekt dat het in kannen en kruiken is. De variabelen, de hobbels mbt ctc/pg of minister, werd door advo en [getuige] ‘vergeten’. Ik [zwart gelakt] was echter bij dit gesprek geweest en kon aangeven dat in dit verhaal wel enige nuance zit. Zoals; er moet altijd een afnemer zijn voor een verklaring om te dealen. [landelijk officier van justitie 1] had idd aangegeven dat er veel muziek, in lijkt te zitten, maar dan blijkt dat de toehoorder alleen dat wil horen wat ze wil horen. Nl. er komt een deal en een conceptovereenkomst. Daarnaast in dit gesprek het onderscheid kunnen maken in het traject in magiore en bij ons. Begrijpelijkerwijze zien [getuige] en advo daar niet gelijk onderscheid in. Uiteindelijk gaat het om de uitkomst voor [getuige] en die leek niet hoopvol. [officier van justitie getuigenbescherming] had gister gesproken met [zaaksofficier] . [zaaksofficier] gaat voor een voorwaardelijke strafeis. Heeft hij toegezegd aan [officier van justitie getuigenbescherming] . [officier van justitie getuigenbescherming] heeft dit meegedeeld aan advocaat en aan [getuige] (in ons bijzijn uiteraard). Dit stemde [getuige] en advo een stuk milder. Volgende week is de zitting. Aanvankelijk achter gesloten deuren. [getuige] is door de verdachte, die vertegenwoordigd wordt door [naam] , nog niet opgeroepen als getuige. Maar sluit niet uit dat dit alsnog gebeurt. [officier van justitie getuigenbescherming] stelde dat voor [getuige] eea uiteindelijk nog wel eens gunstig kan gaan uitpakken. Dit omdat de mate van gewicht van de verklaringen in magiora vergeleken met de verklaringen in de kluis te overzien zijn. De verwachting dat men achter [getuige] aan gaat, is volgens [officier van justitie getuigenbescherming] wellicht te overzien. Maar dit blijft speculeren. [getuige] zorgt zelf voor zijn verdere leven (…). Tot slot: [getuige] en advo snappen nu dat het dealtraject stopt. Ze snappen ook waarom, maar ze zijn op het verkeerde been gezet. Ze hebben andere verwachtingen gehad als dat het gesprek op de [adres] als doel had. Ze hebben gedacht. Er komt voor 100 proc. Een deal. Aangezien [getuige] aangaf dat [landelijk officier van justitie 1] andere toezeggingen had gedaan is hier de conclusie: VOORTAAN DIT SOORT GESPREKKEN OPNEMEN. Dit vond [officier van justitie getuigenbescherming] ook een goede suggestie. Geconfronteerd met deze mutatie hebben zowel mr. [zaaksofficier] als mr. [officier van justitie getuigenbescherming] ter zitting in hoger beroep verklaard dat niet is gezegd dat mr. [zaaksofficier] voor een geheel ‘voorwaardelijke strafeis’ gaat. Door mr. [officier van justitie getuigenbescherming] is wel bevestigd dat is gezegd dat een lagere straf zou worden geëist. [getuige] heeft over dit gesprek verklaard dat hij, toen hij hoorde dat er geen deal zou komen, direct boos naar mr. [officier van justitie getuigenbescherming] heeft gebeld. Hij heeft toen gezegd dat hij alles op zitting zou gaan vertellen. Hierop nodigde mr. [officier van justitie getuigenbescherming] hem uit voor een gesprek in Nederland. [getuige] is naar Nederland gekomen en naar de [locatie] gebracht voor dat gesprek. [getuige] wilde de toezegging ‘dat het nu goed zou komen’ en anders zou hij alles zeggen. Dat laatste wilden ze niet, dat lag blijkbaar heel gevoelig. [getuige] heeft het daarom bewust zo ingezet. [getuige] moest niet alles bekend maken. Omdat het niet bekend was bij de rechtbank, zij wisten niets van de afspraken. Ze wilden niet dat het bekend zou worden en zouden het op een andere manier oplossen. Door mr. [officier van justitie getuigenbescherming] is gezegd dat hij met mr. [zaaksofficier] zou regelen dat er een mooie eis zou komen en dat hij zou regelen dat [getuige] geen straf hoefde uit te zitten. In de [locatie] is heel duidelijk gezegd: je gaat alles vertellen over Maggiora (het hof begrijpt: ter zitting bij de rechtbank), maar niet over de afspraken en de kluisverklaringen. Een week later, op 16 juni 2017, start de inhoudelijke behandeling van de zaak bij de rechtbank. De officier van justitie mr. [zaaksofficier] eist in de zaak tegen [getuige] een gevangenisstraf van 3,5 jaar. [getuige] verklaart ter zitting niets over zijn contacten met het Openbaar Ministerie, hij wil (desgevraagd) niet verklaren waarom hij niet bij de rechter-commissaris heeft willen verklaren en hij verklaart dat hij geen deal met justitie heeft. In een mail van mr. [advocaat van getuige] aan [getuige] (datum onbekend, waarbij boven de mail is opgenomen ‘zitting vrijdag 16 juni’) na de zitting schrijft hij: ‘Ik denk, gelet op wat de rechtbank aangaf, dat we ook met de aftrek hoger moeten dus niet 2 maar 3 dagen aftrekken bijvoorbeeld. Dan kan men een redelijk pittige straf hoog houden maar hoef je niet te zitten. Het is heel simpel: als ze willen dan kan er veel maar als ze niet willen… Ze moeten een rechtvaardiging (ook naar de anderen) hebben om of 1. Van de oriëntatiepunten af te wijken of 2. Om zo een aftrek te bepalen. Of misschien wel beide. (…) De Ovj berichtte mij na de zitting nog dat het goed was gegaan. Lees: je hebt je keurig aan de voorwaarden gehouden. Nu het OM nog… Voor wat betreft het bijwonen van requisitoir etc kwam je duidelijk over, geeft ook iets van betrokkenheid weer waarmee de rechtbank rekening kan houden. Weten ze natuurlijk niet dat je daarmee het OM in de gaten houdt.’ [getuige] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat met “voorwaarden” werd bedoeld: niks over andere dingen zeggen, heel simpel. Op 1 augustus 2017 wordt [getuige] bij vonnis van de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van het voorarrest. Uit een brief van mr. [rechercheofficier van justitie 1] , rechercheofficier van justitie, gericht aan mr. [advocaat van getuige] met als onderwerp: ‘Reactie op mailberichten van uw cliënt [getuige] ’ van 28 september 2017 volgt dat [getuige] het Openbaar Ministerie verschillende mailberichten heeft gestuurd, waarin hij aangeeft dat hem toezeggingen zijn gedaan betreffende het achterwege laten van de executie van een eventueel opgelegde gevangenisstraf. Mr. [rechercheofficier van justitie 1] heeft naar aanleiding hiervan navraag gedaan bij het landelijk parket en het parket Noord Nederland en daaruit blijkt – zo schrijft zij – dat dergelijke toezeggingen niet zijn gedaan en dat het ook niet tot de bevoegdheid van officieren van justitie behoort om geen uitvoering te geven aan opgelegde gevangenisstraffen. In hoger beroep heeft mr. [rechercheofficier van justitie 1] hierover een aantal vragen schriftelijk beantwoord. Door haar is – kort weergegeven – geantwoord dat zowel mr. [zaaksofficier] als mr. [officier van justitie getuigenbescherming] hebben aangegeven dat er geen sprake was van een toezegging over het achterwege laten van de executie van een eventueel opgelegde gevangenisstraf. Verder geeft mr. [rechercheofficier van justitie 1] aan dat zij mr. [advocaat van getuige] na de brief nog telefonisch heeft gesproken. Tijdens dat gesprek gaf mr. [advocaat van getuige] aan dat er zijns inziens wel toezeggingen waren gedaan aan [getuige] betreffende het achterwege laten van de executie van een eventueel opgelegde gevangenisstraf. Bij de raadsheer-commissaris heeft mr. [rechercheofficier van justitie 1] verklaard dat mr. [advocaat van getuige] tijdens het gesprek heel boos was, omdat er volgens hem een toezegging gedaan was over de wijze van executie. De toezegging was volgens mr. [advocaat van getuige] gedaan door mr. [landelijk officier van justitie 1] en mr. [officier van justitie getuigenbescherming] . Toegezegd was dat [getuige] niet terug zou hoeven naar de gevangenis. Bij de stukken bevindt zich een bericht van mr. [advocaat van getuige] aan [getuige] . Het bericht bevat geen datum. Het bericht houdt in: Dag [getuige] , Ik begrijp je ongeduld maar geef alsjeblieft nog even wat tijd voordat alles op scherp komt te staan. Ik heb duidelijk gemaakt dat het 5 voor 12 is en dat jij maar 1 ding wilt: niet zitten. En desnoods een taakstrafje op St. Maarten. En ik heb nog even duidelijk gemaakt dat ze in beroep een goede getuige zullen gaan missen en dat jij bereid bent om alles van A tot Z te vertellen. Het OM heft wat te verliezen. Er was contact met de vraag: hoe gaan we dit oplossen? Daar heb ik mijn mening op gegeven. In het belang van de kwestie en ter bescherming van jezelf vertel ik nog even niet met wie ik heb gesproken, het is eerder ook informeel geweest. De formele kant staat in de brief. Dat doe ik omdat je er het grootste belang bij hebt dat het zo zou worden opgelost, dat is altijd beter. Ik heb gezegd dat als het zo gaat als door jou (ongeveer) gewenst er een streep onder kan en dan zand erover dat ze van jou geen last meer zullen hebben. Vanuit het landelijk parket is begin maart 2018 contact opgenomen met [getuige] om een afspraak te maken voor een oriënterend gesprek met mr. [officier van justitie getuigenbescherming] . Uit de mutatie van 9 maart 2018 blijkt dat [getuige] zich voor dit gesprek wil laten bijstaan door mr. [naam] . Die wilde hem een ‘coulant tarief’ in rekening brengen van € 600 euro. Mr. [officier van justitie getuigenbescherming] heeft aangegeven dat mr. [naam] de rekening direct bij hem kan indienen. Uit de mutatie van 20 maart 2018 met onderwerp: ‘ [getuige] gesprek met Ovj over restdetentie zitten’ volgt dat op 19 maart 2018 in [gemeente] een gesprek heeft plaatsgevonden tussenmr. [officier van justitie getuigenbescherming] en [getuige] . Het doel van dit gesprek was om bij [getuige] bepaalde verwachtingen weg te nemen die ten onrechte waren geschapen. De mutatie houdt onder meer het volgende in: [getuige] heeft een oude straf openstaan. [getuige] is veroordeeld tot een straf van 3 jaar gevangenisstraf met aftrek van 14 maanden voorarrest. Dit had eigenlijk 6 jaar geweest maar [getuige] heeft zo open verklaard (contra [medeverdachte 3] en consorten) dat de rechter oordeelde tot een strafvermindering van 50% ivm zijn proceshouding. [getuige] heeft wel verklaringen afgelegd bij TBG LE maar daarover zijn we nooit en tot een afspraak gekomen en zijn dus nooit gebruikt. [getuige] heeft het voorarrest voornamelijk in een zwaar regime uitgezeten ivm zijn eigen veiligheid omdat hij contra [medeverdachte 3] had verklaard (22 uur op cel en niet luchten met anderen). Alles bij elkaar moet [getuige] nu nog een gevangenisstraf van 9 maanden uitzitten. Op dit moment heeft [getuige] hoger beroep lopen, en dat kan [getuige] in vrijheid afwachten. [getuige] kan dit beroep nog intrekken tot het in 1e aanleg is. Nadat het in eerste aanleg is kan dit niet meer ingetrokken worden. [getuige] heeft meerdere gesprekken gehad met zijn advocaat en de ovj. Gesprek: [getuige] gaf eigenlijk al heel snel aan dat hij een paar punten had die hij dit gesprek wilde aankaarten. [landelijk officier van justitie 1] behouden, veiligheid gedurende detentie, detentiefasering en de duur en wijze van de detentie. (…) Afspraken De QvJ gaat de volgende vragen uitzoeken bij DJI voor [getuige] en terugkoppelen aan de advocaat van [getuige] : - moet de detentie aaneengesloten worden uitgezeten of kan dit ook in 2 delen? - strengregime, geen fasering is dan een strafkorting mogelijk? - wanneer kan de detentie in gaan? (hierbij al aangegeven dat [getuige] dan eerst zijn beroep moet intrekken en dan zou het kort daarna kunnen). Dit bovenstaande is als service van de Ovj naar [getuige] . In het mailbericht van 29 augustus 2018 afkomstig van mr. [officier van justitie getuigenbescherming] en gericht aanmr. [naam] , advocate van [getuige] , wordt gerefereerd aan het gesprek van 19 maart 2018 waarin het voorstel is gedaan om de restantstraf in twee tranches uit te zitten. In reactie op de vraag van de advocate of die toezegging nog steeds geldt, meldt mr. [officier van justitie getuigenbescherming] dat hij in overleg met mr. [zaaksofficier] heeft besloten dat hij [getuige] nog één keer de toezegging doet dat de restantstraf in twee delen kan worden uitgezeten. Daarbij merkt [officier van justitie getuigenbescherming] op dat de straf alleen ten uitvoer kan worden gelegd als deze onherroepelijk is en dat dit betekent dat [getuige] zijn hoger beroep moet intrekken. Op 11 oktober 2018 mailt mr. [officier van justitie getuigenbescherming] opnieuw naar mr. [naam]: Ik heb vandaag meermalen via de app contact gehad met uw cliënt [getuige] . Hij meldde mij dat hij blij is met de mogelijkheid van gesplitste executie, maar verzocht mij ook dit op te schuiven naar deels in 2020 en deels in 2021. (…) Bij een positief antwoord zou hij u verzoeken zijn appèl in te trekken. Ik heb hierop contact opgenomen met mijn collega [zaaksofficier] (…) en hij meldde mij dat hij akkoord ging met executie van de reststraf van [getuige] in 2020 en 2021. Dus dat is geregeld. Mijn verzoek aan u is om, als u het appèl intrekt, dit ook meteen aan collega [zaaksofficier] te melden. (…) Op 24 oktober 2018 trekt [getuige] zijn hoger beroep in. [getuige] zegt hierover bij de raadsheer-commissaris dat hij in hoger beroep wilde, omdat hij het niet eens was met de hele gang van zaken, maar dat hij op advies van zijn advocaat en de opvolgend advocaat uiteindelijk heeft besloten ‘om de straf te pakken’ en hij ‘de deal’ niet kreeg als hij ging praten. Vervolgens is er contact via Whatsapp tussen mr. [officier van justitie getuigenbescherming] en [getuige]: 15 november 2018 [getuige] : Geachte Mr. [officier van justitie getuigenbescherming] , weet u ook of het inmiddels geregeld is? Mvg [getuige] [officier van justitie getuigenbescherming] : Ik vraag het morgen aan [zaaksofficier] ; aan de mails die ik gecc’t van hem krijg, zie ik dat hij met DJI in dr slag is om het te regelen; het is ongebruikelijk wat er geregeld moet worden, maar iedereen wil dat wel; dus ga er van uit dat het (hopelijk) vlot geregeld wordt, maat het kost wel even tijd; je hoort van mij, groeten, [officier van justitie getuigenbescherming] 9 januari 2019 Beste meneer Mr. [officier van justitie getuigenbescherming] , Alles met dat hoger beroep daar klopt helemaal niks van. U en het OM etc hebben al heeel lang geleden gezegd hoger beroep komt er aan en dat ik toen moest kiezen wel of geen beroep. Onderzoekswensen moesten er worden ingediend en wat blijkt nu, geen enkele andere persoon die in beroep is gegaan heeft ook nog maar iets gehoord van het OM of van het hof echt 0,0 niks. Dat klopt gewoon niet, dit is puur gedaan om mij over de streep te trekken. (…) 10 januari 2019 Geachte meneer [officier van justitie getuigenbescherming] , De rechtbank wil in juni een regiezitting plannen voor de ontneming. (…) U zei dat u vond dat ik genoeg gestraft ben. (…) Valt hier nog wat te regelen? (…) Bovendien als zon zitting komt regiezitting ga ik ook alles bespreken daar wat mevrouw [landelijk officier van justitie 1] heeft gezegd etc Daar heeft niemand wat aan. Wellicht een idee om eens te gaan praten op een rustige manier als het OM daar open voor staat. Ik denk dit wordt alleen maar gedoe en problemen. [officier van justitie getuigenbescherming] : Wat betreft het eerste: je bent belazerd, niet in de val gelokt oid. Dat het gerechtshof kennelijk niet snel reageert heeft niets te betekenen. Besef dat je echt gematst bent: geen deal betekent ook geen extra dreiging van boze criminelen, geen getuigenbescherming waarbinnen je vrijheid totaal weg is; wel een 50% straf, die je met een deal ook gehad zou hebben en mooie executie afspraken die ongekend zijn. (…) Als je nu een deal het gesloten zou je nu waarschijnlijk vast zitten, vele malen moeten getuigen bij RC en rechtbank bij boze criminelen en advocaten die je doorzagen en die je hoe dan ook een rat en leugenaar noemen. (…) Wat betreft de ontneming: ik heb daar echt geen bemoeienis mee; ik raad je aan daar een goede advocaat voor te nemen. (…) [getuige] : Maar mevrouw [landelijk officier van justitie 1] heeft echt gezegd daar naar te kijken destijds. (…) Kan die ontneming niet eraf? En ik bedoel het echt niet dreigend maar als ik met zon zaak op zitting Dan ga ik mij uiteraard verdediging en alles er aan doen Om niet te hoeven betalen of zo weinig mogelijk Dus ik ga dan wel alles vertellen hoe dat gelopen is Ik kan dan niet anders Dus beter achter gesloten deuren dan Ik wil niet het OM dwarszitten [officier van justitie getuigenbescherming] : Je weet dat me [landelijk officier van justitie 1] niets meer kan bevestigen… Mw [landelijk officier van justitie 1] [getuige] : (…) Maar [naam] advocaat was erbij Bij dat gesprek.. Die heeft dat ook gehoord En u had geschreven dat u vond dat ik genoeg straf had U zei er wel bij dat noord Nederland daar over gaat 24 januari 2019 [getuige] : Geachte meneer [officier van justitie getuigenbescherming] , ik heb een vraagje ik moet binnenkort als getuige gehoord worden en ik ze gaan mij vast vragen of deals/afspraken etc en ik wil graag goed bijgestaan worden mijn advocaat zegt dat ik dat zelf moet betalen voor getuigenverhoren. Bent u (het OM) bereid dat te betalen getuigen verhoren die plaatsvinden in Maggiora 1 of Maggiora 2. Dit is ook in het belang van het OM en ik ga niks zeggen over afspraken of ontmoetingen. Maar om daar alleen te gaan zitten zonder advo dat lijkt mij helemaal niks en niey verstandig (…) [officier van justitie getuigenbescherming] : Laat je advo contact met mij opnemen! [getuige] : U bedoeld dat mijn advocaat contact opneemt met u voor die verhoren? Niet over politie die langs kwam toch [officier van justitie getuigenbescherming] : Nee over de kosten! [getuige] : Super bedankt! 16 april 2019 Geachte meneer [officier van justitie getuigenbescherming] , Ik heb het bewijs dat het OM zeer onterecht gehandeld heeft en zelfs niet de waarheid heeft verteld. Ik moest destijds kiezen voor mijn hoger beroep. Er zou een zitting op korte termijn gepland worden. En wat blijkt nu Wat ik al dacht De andere heren worden voorlopig nog lang niet vervolgd Alles ligt stil gewoon (…) Binnenkort regiezitting ontneming Ik kijk er al naar uit Het klopt niet wat hier gedaan is. (…) Aangezien de andere ook meer “uitstel” krijgen In de hele zaak Wil ik ook meer uitstel. Wat betreft de executie. Vind u dat goed? (…) [officier van justitie getuigenbescherming] : Ik ga wel eens informeren. 3 mei 2019 (…) Ik heb wel met [zaaksofficier] gesproken en hij verzekerde mij dat de vervolging van de anderen in hoger beroep gewoon doorloopt. [officier van justitie getuigenbescherming] : Verder weet ik niet goed wat wij nog te bespreken hebben; Ik ga niet over de executie van dr straf noch over de ontneming Ik ben ook niet je advocaat [getuige] : Ok [officier van justitie getuigenbescherming] : Maar ook; het is kansloos om van je straf af te komen – is mijn verwachting. Je hebt het maximaal haalbare gekregen mbt de tijd waarop de straf wordt ten uitvoer wordt gelegd; dat is al heel uitzonderlijk [getuige] : Ik heb wat meer uitstel nodig Afspraak was ook dat ik mijn werk kon behouden [officier van justitie getuigenbescherming] : Ik stel voor dat je je zaken met [zaaksofficier] bespreekt en ik begrijp van hem dat hij vooral met je advocaat wil spreken. [getuige] : (…) Het zal erg helpen als ik mijn straf kan ondergaan als in ieder geval het project met Rusland af is (…) Ik weet dat het lastig is Eind juli 2020 is dat project in de basis klaar Als alleen dat nog kan Ga ik dan verder daar om heen plannen [officier van justitie getuigenbescherming] : Je zult dit goed gedocumenteerd aan [zaaksofficier] moeten voorleggen, maar wees niet verbaasd als hij denkt dat na Rusland weer wat anders komt en het kan zo niet doorgaan…. En ik moet nu uit de lucht! 15 mei 2019 [getuige] : Mijn advocaat gaat meneer [zaaksofficier] vragen om de straf nog iets te verlagen (…) Ik hoop wel dat dit voor 29 mei besloten kan worden ik moet dan naar de RB voor de ontneming (…) En ik gedraag mij op zitting 29 mei hoe dan ook dat beloof ik Ik kom mijn beloftes wel altijd na Een mutatie van 31 juli 2019 houdt in dat [getuige] opnieuw contact heeft opgenomen metmr. [officier van justitie getuigenbescherming] . Hij stuurde mr. [officier van justitie getuigenbescherming] een krantenbericht over de moord op het echtpaar [naam] in [plaats] en gaf aan dat hij van alles en nog wat weet. In de mutatie staat verder onder meer: Gelet op het feit dat [getuige] contact met FvS zoekt wil niet zeggen dat [getuige] bereid is om met ons te praten. [getuige] schijnt wel vaker berichten naar FvS te hebben gestuurd. Het kan echter geen kwaad om [getuige] te polsen of hij met ons in gesprek wil. Eerder schijnt [getuige] te hebben aangegeven dat hij alleen met ons wil praten. Als het niets voor ons is dan kunnen we hem eventueel altijd nog als informant aanbieden. Lang verhaal kort: FvS heeft [getuige] een bericht gestuurd dat wij contact met hem gaan opnemen. Dit om te polsen wat hij wil en weet. FvS gaf aan dat er mogelijk nog wel iets te regelen valt mbt tot zijn eerder opgelegde straf. Dat zou FvS dan met executies moeten regelen. Zover is het nog lang niet, eerst maar even polsen. Na telefonisch contact blijkt [getuige] niet over nieuwe informatie te beschikken. Op 12 november 2019 wordt in de uitzending van het tv-programma [tv-programma] een reportage gewijd aan [getuige] . Hij openbaart daarin voor het eerst dat sprake is geweest van contacten met het Openbaar Ministerie. In een persbericht bestrijdt het Openbaar Ministerie het beeld dat gewekt wordt in deze reportage. Uit de laatste bijgevoegde mutatie van het landelijk parket volgt dat [getuige] zich in januari 2020 heeft gemeld bij PI [locatie] . 2.2.1 Voortdurende contacten tussen [getuige] en het Openbaar Ministerie en de invloed daarvan op de waarheidsvinding Nadat de verklaringsbereidheid van [getuige] is aangewakkerd op 14 oktober 2015, is hij gaan meewerken in het onderzoek Maggiora. Het Openbaar Ministerie beloont deze meewerkende (coöperatieve) houding door [getuige] na het politieverhoor op 14 oktober 2015 in de gelegenheid te stellen spullen op te halen, met vader en vriendin te bellen en de mediabeperking er af te halen. Hiermee komt het Openbaar Ministerie ook na wat tijdens het gesprek en het verhoor in het vooruitzicht is gesteld. Vervolgens ontstaat in de weken, maanden en jaren hierop volgend een situatie waarin telkens toezeggingen worden gedaan, waardoor het Openbaar Ministerie zich verzekerd van de voortdurende medewerking van [getuige] in het onderzoek Maggiora en hij zich in dit onderzoek, buiten de gesprekken met het OM, niet uitlaat over de contacten met het Openbaar Ministerie en de toezeggingen die hem worden gedaan. In deze paragraaf bespreekt het hof op welke wijze de contacten na het gesprek tussen [getuige] en mr. [zaaksofficier] / [verbalisant onderzoeksleider 1] met het Openbaar Ministerie de waarheidsvinding hebben beïnvloed. Invloed van het TBG-traject op het onderzoek Maggiora Op 10 november 2015 is tijdens een overleg tussen landelijk officier mr. [landelijk officier van justitie 1] en mr. [advocaat van getuige] besproken of [getuige] wil doorgaan met het traject onder verantwoordelijkheid van het landelijk parket in [plaats] , oftewel: als kroongetuige bij het TBG. De uitkomst van dit gesprek is niet vastgelegd, maar kennelijk is aangegeven dat [getuige] wil meewerken, want op 30 november arriveert hij in [plaats] . Na aankomst in [plaats] heeft [getuige] een kennismakingsgesprek met mr. [landelijk officier van justitie 1] die hem vertelt over zijn rechten en plichten, over het afleggen van verklaringen en aangeeft dat hij misschien kan rekenen op 50% korting op zijn straf als hij zijn medewerking verleend. Op 4 december 2015 wordt [getuige] aangemeld voor het TBG. Omdat de verhoren in het onderzoek Maggiora nog niet zijn afgerond, wordt [getuige] in [plaats] op 2, 3, 7 en 9 december 2015 eerst opnieuw gehoord in het onderzoek Maggiora. Om te voorkomen dat [getuige] over zaken gaat verklaren die van belang zijn voor de nog af te leggen kluisverklaringen (in een ander onderzoek) is besloten dat deze verhoren worden gedaan door een verbalisant van het TBG in samenwerking met een verbalisant van het arrondissementsparket. Hoewel het onderzoek in Maggiora en het TBG-traject twee afzonderlijke onderzoeken betreffen, wordt [getuige] op de locatie in [plaats] , een afzonderlijke locatie waar hij ongestoord zou kunnen verklaren in het TBG-traject, eerst nog uitgebreid verhoord in Maggiora. Met die verhoren in Maggiora valt de opstart van het TBG-traject in [plaats] samen, een traject waar veel voor [getuige] vanaf zou hangen vanwege een mogelijk in dat traject te verdienen strafkorting waarbij – zo wordt hem tussen de verhoren in Maggiora door nog eens verteld – dan wel zijn volledige medewerking een voorwaarde is. Wanneer de verhoren in het TBG-traject beginnen, wordt hij vervolgens in dat traject gehoord door een verhoorkoppel dat mede bestaat uit een verbalisant die (ook) betrokken was bij verhoren in Maggiora. Door het afnemen van verhoren in Maggiora onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof een situatie gecreëerd die van invloed kan zijn geweest op [getuige] houding in het onderzoek Maggiora. Het hof acht het aannemelijk dat [getuige] reeds toen meende dat hij zich coöperatief diende op te stellen in het onderzoek Maggiora om voor strafvermindering in aanmerking te kunnen komen. Dat ook het Openbaar Ministerie dit zo zag, blijkt uit de hiervoor weergegeven mutatie van 9 maart 2016 van het gesprek dat mr. [landelijk officier van justitie 1] had met [getuige] . Die mutatie betreft weliswaar een latere datum, maar het geeft wel weer dat meewerken in Maggiora voor het Openbaar Ministerie een voorwaarde was voor een mogelijke deal. Coöperatieve houding in het onderzoek Maggiora vereist voor deal Na de aanmelding op 4 december 2015, het oriënterende gesprek op 10 december 2015 en het gesprek ‘potentiële getuige 226g Sv’ op 14 december 2015 starten de gesprekken van [getuige] met het TBG in [plaats] . Intermezzo Het belang van het Openbaar Ministerie bij de verklaringen van [getuige] in de zaak Maggiora is groot. Op 1 februari 2016 muteert officier van justitie mr. [officier van justitie] dat zij stukken geeft ingezien en het journaal heeft gelezen. [officier van justitie] verwacht een stevig verhoor bij de rechter-commissaris (het hof begrijpt: het getuigenverhoor van [getuige] ) vanwege de overduidelijke breuk van zwijgen naar alles verklaren. Ook merkt zij op dat het bewijs ‘nog best een harde dobber’ is en dat de verklaringen van [getuige] cruciaal zijn. Na het afleggen van de (kluis)verklaringen volgt een zoektocht van het landelijk parket naar een mogelijkheid om (ook) in Maggiora te kunnen dealen. Uiteindelijk volgt op 3 maart 2016 een ‘dealgesprek’ tussen [getuige] , mr. [advocaat van getuige] en mr. [landelijk officier van justitie 1] op het politiebureau aan de [adres] in [plaats] . Tijdens dit gesprek wordt een ‘executiedeal’ als meest praktische en gunstige optie voorgesteld. De opties voor [getuige] zijn: een coöperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen om daarna in te gaan op een executieverzoek (gratie) positief te adviseren. Dealen in Maggiora ziet mr. [landelijk officier van justitie 1] niet (nauwelijks) zitten, maar er is zeker kans van slagen middels ‘de boterbriefjes’. Verder wordt opgemerkt dat [getuige] ‘ogenschijnlijk de trajecten nogal door elkaar haalde’. Het hof begrijpt, gelet op de inhoud van de mutatie, dat met ‘boterbriefjes’ werd gedoeld op de toezeggingen met betrekking tot de lagere strafeis en het positieve advies bij een gratieverzoek. Het hof leidt dat af uit de mutatie waarin staat vermeld dat een niet coöperatieve houding [getuige] ‘eerste boterbriefje niet ten goede komt’. De coöperatieve houding van [getuige] was eerder in die mutatie verbonden aan een lagere strafeis. De tijdens dit gesprek besproken ‘executiedeal’ is ook beschreven in een zich in het dossier bevindende concept-overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken van het landelijk parket. In deze conceptovereenkomst is onder meer opgenomen dat als getuige XXXX (het hof begrijpt: [getuige] ) zijn verplichtingen nakomt de officier van justitie bij de indiening van een gratieverzoek door de getuige een positief advies zal uitbrengen tot vermindering van de opgelegde straf met [xxxx] maanden. Dit stuk bevestigt dat het landelijk parket bezig is geweest met het tot stand brengen van een overeenkomst zoals aan de [adres] is besproken. [getuige] heeft over het gesprek aan de [adres] verklaard dat door mr. [landelijk officier van justitie 1] is gezegd dat er sowieso een deal zou komen, maar dat hij geduld moest hebben en dat hij vanwege de kluisverklaringen 50% korting op zijn straf in Maggiora zou krijgen. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het Openbaar Ministerie [getuige] een ‘executiedeal’ in Maggiora in het vooruitzicht heeft gesteld. Deze deal hield in dat een lagere straf zou worden geëist en positief zou worden geadviseerd op een executieverzoek in Maggiora, terwijl hiervoor een meewerkende houding van [getuige] in Maggiora werd verlangd. Er ontstaat een ‘voor wat, hoort wat’ situatie: voor strafvermindering in Maggiora is [getuige] meewerkende houding in Maggiora (en het TBG-traject) vereist. Het hof stelt op grond van het voorgaande tevens vast dat niet alleen [getuige] , maar ook het Openbaar Ministerie de trajecten nogal door elkaar haalt. Wel of geen overeenkomst 226g Sv In het onderzoek Maggiora vinden op 21, 22, 23, 24, 30 en 31 maart en 4, 5 en 6 april 2016 opnieuw verhoren plaats. [getuige] blijft zich meewerkend opstellen. In de periode tot en met april 2017 zijn er verschillende overleggen en contactmomenten geweest over het vervolg van het TBG-traject. Als mr. [advocaat van getuige] op 5 juli 2016 informeert naar de stand van zaken laat mr. [landelijk officier van justitie 2] , als vervanger van mr. [landelijk officier van justitie 1] , weten dat de politie druk bezig is met verifiëren/falsifiëren van de door [getuige] afgelegde verklaringen. Op 21 september 2016 is er opnieuw overleg geweest binnen het landelijk parket over hoe het verder moet met het dealtraject met [getuige] . Er wordt besproken of het handig is om de zaken nog in Maggiora te stoppen zodat [getuige] gelijk zijn straf krijgt waarop hij kan dealen of dat het via een gratie achteraf moet. De mutatie wordt afgesloten met de opmerking dat iedereen vond dat [getuige] niet de dupe moest worden van deze ingewikkelde juridische constructies. Dit zou dan ook negatieve reclame kunnen opleveren voor ‘het middel’, naar het hof begrijpt: de kroongetuigeregeling. Naar aanleiding van het overleg in september informeert mr. [landelijk officier van justitie 2] bij mr. [zaaksofficier] of het mogelijk is om stukken in Maggiora in te brengen. [zaaksofficier] slaat dit aanbod af, omdat hij voldoende bewijs in zijn zaak heeft. Op 12 oktober 2016 mailt mr. [rechercheofficier van justitie 1] , rechercheofficier van justitie, aan mr. [landelijk officier van justitie 2] dat de kluisverklaringen niet in Maggiora worden gebruikt. Intermezzo In mutatie 155 noteert [zaaksofficier] op 12 november 2016 dat [getuige] op 21 november wordt opgeroepen als getuige door de RC. Kennelijk is er tussen het Openbaar Ministerie en de raadsman van [getuige] hierover contact geweest, [zaaksofficier] noteert namelijk: “Zal beroepen op verschoningsrecht (bevestigd door raadsman)”. Uit de verklaring van [getuige] bij de raadsheer-commissaris volgt dat hij zich op advies van zijn raadsman op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, dat zijn raadsman dit had besproken met mr. [zaaksofficier] en dat hij dit advies heeft opgevolgd, omdat hij bang was dat de deal anders niet door zou gaan. Uit de mutaties blijkt niet dat met [getuige] of mr. [advocaat van getuige] is gecommuniceerd over het al dan niet gebruiken van de kluisverklaringen van [getuige] in Maggiora (dan wel andere onderzoeken). Integendeel, begin maart 2017 wordt [getuige] onrustiger, omdat hij nog steeds geen duidelijkheid heeft en ook mr. [advocaat van getuige] informeert opnieuw naar de afwikkeling van het traject. Het oplopen van de onrust valt samen met het naderen van de inhoudelijke behandeling van de zaken uit het onderzoek Maggiora. Het laatste politieverhoor van [getuige] in het onderzoek Maggiora heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017. [getuige] is ook tijdens dit verhoor meewerkend. Even lijkt er op 15 maart 2017 toch (weer) muziek te zitten in de kluisverklaringen, maar na een OM-werkoverleg op 29 maart 2017 is (definitief) besloten om te stoppen met het TBG-traject en wordt de zaak betreffende [getuige] op 5 april 2017 uitgeschreven. Uit de bovenstaande contacten volgt dat [getuige] gedurende deze periode