GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.347.179 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 318036) arrest van 4 december 2024 in de zaak van [appellante] die woont in [woonplaats] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als verzoekster hierna: [appellante] advocaat: mr. H.C. van der Weide 1De procedure bij de rechtbank De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), heeft bij vonnis van 14 oktober 2024 het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis. 2De procedure bij het hof 2.1. Bij op 21 oktober 2024 bij het hof ingekomen beroepschrift heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 14 oktober 2024. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat zij alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegelaten. 2.2. Het hof heeft naast het beroepsschrift met zes bijlagen kennisgenomen van de door mr. Van der Weide op 18 november 2024 en 21 november 2024 ingediende aanvullende stukken. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Hierbij is [appellante] verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. Van der Weide. Ook is de beschermingsbewindvoerder van [appellante] , de heer [naam1] (hierna: de beschermingsbewindvoerder), verschenen. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep Feiten en omstandigheden en het oordeel van de rechtbank 3.1. [appellante] , 38 jaar oud, is een alleenstaande vrouw en vormt samen met haar zoon van 14 jaar een gezin in een huurwoning. Op dit moment is [appellante] niet in staat om te werken vanwege psychische klachten. Voor deze klachten is zij in behandeling bij Mediant. [appellante] ontvangt een PW-uitkering. Sinds 28 juli 2022 staat [appellante] onder beschermingsbewind. 3.2. [appellante] heeft volgens de crediteurenlijst ruim € 53.000,- aan schulden, waaronder twee schulden aan de Belastingdienst van € 6.395,- en € 21.884,-, een schuld aan CZ Zorgverzekering van € 5.297,28 en een schuld van € 3.129,93 aan Odido Netherlands B.V. Daarnaast heeft zij een studieschuld bij DUO van ongeveer € 30.000. 3.3. De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven (artikel 288 lid 1, aanhef en onder c Fw). Volgens de rechtbank staat [appellante] aan het begin van een langdurig behandeltraject van haar psychische problematiek en is zij gedurende dat traject niet in staat (betaalde) arbeid te verrichten. Dat maakt dat [appellante] tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling haar inspanningsplicht wat betreft het verrichten van betaalde arbeid niet kan nakomen, aldus de rechtbank. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet meer (online) gokt. Tijdens de toelatingszitting zou [appellante] hierover tegenstrijdig hebben verklaard. Gokgedrag verhoudt zich bovendien niet tot de beginselen van de schuldsaneringsregeling. Als sprake is van een gokverslaving is het niet aannemelijk dat de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zullen worden nagekomen. Voor zowel de inspanningsplicht als het gokgedrag oordeelt de rechtbank dat niet kan worden gesproken over de schuldsaneringsregeling als sluitstuk van een traject waarin de situatie op orde is gekregen. Het standpunt van [appellante] 3.4. [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen en dat daardoor haar verzoek is afgewezen. [appellante] stelt dat de rechtbank miskent dat artikel 288 lid 1, aanhef en onder c Fw niet alleen op de inspanning ziet om betaalde arbeid te verrichten. Volgens [appellante] bestaat in het geval dat sprake is van arbeidsbeperkingen, de inspanning om weer arbeidsgeschikt te worden. Daar voldoet zij aan, aldus [appellante] . [appellante] volgt namelijk de benodigde therapieën, behandelingen en begeleiding om zodanige vooruitgang te boeken dat zij op termijn weer in staat is aan het arbeidsproces deel te nemen. Bovendien is [appellante] vrijwillig onder bewind gesteld. Inmiddels heeft zij zelfs € 1.400 gespaard. Daarmee toont [appellante] aan dat zij alles in het werk stelt om stabiel te blijven, haar verplichtingen na te komen en haar maatschappelijke positie te herstellen. Volgens [appellante] kan en mag het niet aan haar worden tegengeworpen dat zij – gelet op haar problematiek – eerst aan zichzelf dient te werken om een blijvende terugkeer op de arbeidsmarkt te kunnen maken. Verder is [appellante] het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet meer gokt en dat sprake zou zijn van een gokverslaving. Volgens haar is van een verslaving nooit sprake geweest en als dat door het hof wel zo wordt gezien, is die problematiek al geruime tijd onder controle. Bovendien ging het enkel om een gezelschapsspel dat zij samen met een vriend speelde en ging het om (relatief) lage bedragen, die zij vervolgens contant terugkreeg van de hiervoor genoemde vriend. Daarnaast is, met de komst van haar beschermingsbewindvoerder, een beperking gesteld aan het leefgeld van [appellante] . Ook kan zijn geen onlinebetalingen meer doen en heeft ze zich voor de zekerheid sinds 2024 geregistreerd bij het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (CRUKS). Tot slot benadrukt [appellante] dat haar schulden niet zijn ontstaan door het gokken. De schulden, die volgens [appellante] (ongeveer) tien jaar oud zijn, komen primair voort uit de omstandigheden na de beëindiging van haar relatie met de vader van haar zoon en de daaruit voortvloeiende inkomensbeperkingen, gecombineerd met de zorg voor haar zoon en haar eigen gezondheid, aldus [appellante] . Het oordeel van het hof 3.5. Op grond van artikel 288 lid 1 Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen toegewezen als voldoende aannemelijk is geworden dat hij (onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.