GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 24/459 uitspraakdatum: 10 december 2024 Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 21 december 2023, nummer LEE 21/4001, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Westerwolde (hierna: de heffingsambtenaar). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 40 te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 108.000. 1.2 De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 21 december 2023 ongegrond verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn ouders, [naam1] en [naam2] , alsmede [naam3] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam4] . 1.6 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende heeft als huurder van de woning de hiervoor – onder 1.1 – bedoelde beschikking, met dagtekening 26 februari 2021, ontvangen. 2.2 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Dit bezwaarschrift is niet gedateerd en is door de heffingsambtenaar ontvangen op 5 juli 2021. In de brief staat niet vermeld waarom het bezwaar buiten de termijn van zes weken is ingediend. 2.3 Bij uitspraak van 10 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 2.4 De heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde vervolgens nog wel ambtshalve beoordeeld op grond van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken, maar geconcludeerd dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. 2.5 In eerste aanleg heeft belanghebbende geen redenen gegeven voor de termijnoverschrijding in de bezwaarfase. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding bij de indiening van het bezwaarschrift. Als belanghebbendes bezwaarschrift ontvankelijk is, is in geschil of de beschikte waarde op waardepeildatum onjuist is. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden waarde tot € 98.000. 3.3 De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil 4.1 Het onderwerp van geschil is - ook in hoger beroep – de uitspraak op bezwaar, waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. 4.2 De Rechtbank heeft met juistheid vooropgesteld dat een belanghebbende niet bij de belastingrechter kan opkomen tegen een ambtshalve beoordeling, zoals in dit geval door de heffingsambtenaar na het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar is gegeven. Het gesloten stelsel van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), in verbinding met artikel 231 van de Gemeentewet, brengt dat mee. 4.3 Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking van een beschikking geschiedt op grond van artikel 3:41 Awb in beginsel door toezending of uitreiking van de beschikking. Op grond van artikel 22j, onder a van de AWR vangt de termijn evenwel aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dagtekening van de beschikking is gelegen vóór de bekendmaking van de beschikking. Gesteld noch gebleken is dat de dagtekening van de onderwerpelijke beschikking van 26 februari 2021, pas nadien bekend is gemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde daarom op 9 april 2021. 4.4 Op grond van artikel 6:9, eerste lid van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn door de heffingsambtenaar is ontvangen. Belanghebbende heeft niet betwist dat het bezwaarschrift op 5 juli 2021 door de heffingsambtenaar is ontvangen, waardoor het aannemelijk is dat belanghebbende het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn (uiterlijk 8 april 2021) heeft ingediend. 4.5 Op grond van artikel 6:11 van de Awb moet niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijven indien er sprake is van redenen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. In geval van indiening van een bezwaarschrift is daarvan sprake indien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.