← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:7798

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000774-24 Uitspraak d.d.: 17 december 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2024 met het parketnummer 18-182109-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (O) op [geboortedag] 2003, zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 december 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: bevestiging van het vonnis van de politierechter met uitzondering van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ; volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , deze te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.W. Bouwman, naar voren is gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde] in het kader van het spreekrecht en haar verzoek tot schadevergoeding naar voren is gebracht. De ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit

  1. Nu verdachte geen belang heeft om tegen de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep te komen, zal het hof verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging. Het vonnis waarvan beroep Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter: het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte; verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren; de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 900,- (bestaande uit een bedrag van € 300,- aan materiële schade en € 600,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van verdachte op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal dan ook het vonnis ten aanzien van deze onderdelen bevestigen. Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Oplegging van straf Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft – kort samengevat – aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Volgens de verdediging is aan verdachte een onjuiste mededeling gedaan over de kosten voor bijstand van een raadsman bij het politieverhoor, nu verdachte wel een beroep had kunnen doen op gefinancierde verhoorbijstand door een advocaat op basis van de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid van de Raad voor Rechtsbijstand. Verdachte heeft dus op basis van onjuiste c.q. onvolledige informatie afstand gedaan van rechtsbijstand. Voorts stelt de verdediging dat verdachte kennelijk kwetsbaar is en dat niet is gebleken dat zij vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand. Gelet op de ernst van het vormverzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, verzoekt de verdediging het hof hieraan als rechtsgevolg te verbinden dat het vormverzuim wordt gecompenseerd in de eventuele strafmaat. Het oordeel van het hof (Betaalde) rechtsbijstand Artikel 6, derde lid, onder c, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 28 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman. Een verdachte kan op grond van artikel 28a, eerste lid, Sv afstand doen van het recht op rechtsbijstand. Deze afstand moet vrijwillig en ondubbelzinnig worden gedaan door verdachte. Hierbij is van belang dat verdachte ermee bekend is dat hij recht heeft op rechtsbijstand, dat hij wordt ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand en dat hem wordt medegedeeld dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Waar het gaat om het (eerste) politieverhoor van een aangehouden verdachte, geeft het Wetboek van Strafvordering voor een aantal gevallen aanvullende regels over de aanwijzing van een raadsman en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Dat is onder meer het geval als de aangehouden verdachte vanwege bijvoorbeeld een psychische stoornis of verstandelijke beperking een kwetsbare verdachte betreft, zoals bedoeld in artikel 28b lid 1 Sv. Op grond van artikel 28b lid 1 Sv moet dan een raadsman worden aangewezen. De rechtsbijstand van deze raadsman is op grond van artikel 43 lid 1 Wrb voor de verdachte kosteloos. Vooralsnog voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in specifieke, op het (eerste) politieverhoor van een niet-aangehouden kwetsbare verdachte toegesneden bepalingen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556, volgt dat dit er echter niet aan af doet dat voor beantwoording van de vraag of een kwetsbare verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand in verband met het (eerste) politieverhoor, van belang kan zijn of verdachte voorafgaand aan het verhoor bijstand heeft gehad van een raadsman, dan wel door een raadsman is voorgelicht over de gevolgen van het doen van afstand. Als daarvan geen sprake is geweest, moet de rechter zich er anderszins van vergewissen dat verdachte – gegeven de concrete beperkingen die samenhangen met de kwetsbaarheid van verdachte – redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over mogelijke gevolgen van het doen van afstand van recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand. Tijdelijke Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid (RATZ) Verder geldt dat naar aanleiding van de toeslagenaffaire en de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag sinds juli 2021 een tijdelijke regeling in het leven is geroepen die vanwege toegenomen complexiteit in de samenleving burgers ook een toevoeging (gefinancierde rechtsbijstand) toekent wanneer zij tussen wal en schip dreigen te raken. Wanneer het inkomen en of vermogen van de burger binnen de grenzen van de gefinancierde rechtsbijstand vallen, hoeft deze, anders dan in reguliere gevallen waarin iemand voor een toevoeging in aanmerking zou komen, daarnaast geen eigen bijdrage te betalen. De betreffende regeling is ook van toepassing op strafzaken en in die zaken kan een aanvraag rechtstreeks bij de Raad voor de Rechtspraak worden ingediend. Met het oog op het beantwoorden van de vraag of sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, stelt het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder de stukken in het dossier, het volgende vast. Verdachte is een niet-aangehouden verdachte en is verhoord op 20 juni
  2. Uit het proces-verbaal van het verhoor van verdachte volgt dat is gebleken dat verdachte voorafgaand aan het verhoor kennis heeft genomen van de brochure ‘Mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat verdachte voorafgaand aan het verhoor erop is gewezen dat zij recht heeft op consultatiebijstand en dat zij tijdens het verhoor recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat. Hierbij is opgemerkt dat zij daarvan afstand kan doen, maar dat dit nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd kan terugkomen op haar beslissing. Verdachte heeft daarop verklaard dat zij geen gebruik wilde maken van verhoorbijstand van een advocaat, omdat zij dit niet kan betalen. Vervolgens is verdachte verhoord over haar persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat bij haar PDD-NOS, een sociale angststoornis en een depressie is geconstateerd. Verder heeft zij verklaard dat uit de gesprekken met haar psycholoog is gebleken dat zij last heeft van een complexe PTSS. Daarna heeft een zaakinhoudelijk verhoor plaatsgevonden. Het hof overweegt als volgt. Vormverzuim? Het hof constateert dat verdachte voorafgaand aan haar verhoor door de politie is gewezen op haar recht op consultatie- en verhoorbijstand. Daarbij heeft de politie meegedeeld dat verdachte tijdens het verhoor recht heeft op een zelf te betalen advocaat. In beginsel heeft een verdachte die niet is aangehouden recht op bijstand van een door hem of haarzelf te betalen advocaat, tenzij sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid waardoor verdachte redelijkerwijs niet in staat is te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Van die bijzondere kwetsbaarheid is bij verdachte ten tijde van het verhoor en ook daarna niet gebleken. Alhoewel het hof vaststelt dat verdachte is gediagnostiseerd met een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis en daarnaast een sociale stoornis en in zoverre zou kunnen kampen met een zekere kwetsbaarheid, is het hof ook van oordeel dat daarmee geen sprake is van de bedoelde “bijzondere kwetsbaarheid” op basis waarvan zij in aanmerking zou komen voor toewijzing van kosteloze rechtsbijstand. Het gaat dan om gevallen waarin een verdachte niet in staat is te begrijpen welke vragen in een verhoorsituatie worden voorgelegd. Mede op basis van de wijze waarop het verhoor is verlopen, de beantwoording van de vragen door verdachte tijdens de verhoorsituatie en de indruk van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof vast dat daarvan geenszins sprake is. De raadsvrouw heeft in dit verband ook een beroep gedaan op de ‘Tijdelijke Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid’. In dat kader overweegt het hof als volgt. Voor zover de voornoemde regeling al van toepassing is op bijstand tijdens het eerste politieverhoor, begrijpt het hof de regeling zo dat van gefinancierde rechtsbijstand sprake kan zijn – kort gezegd – in gevallen waarin sprake is van complexe juridische vraagstukken die gespecialiseerde rechtshulp vereisen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De politie heeft verdachte in dit geval dus niet onjuist voorgelicht. Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en dat het verweer van de verdediging wordt verworpen. Oordeel van het hof ten aanzien van de straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en bedreiging van het slachtoffer met enig misdrijf tegen het leven gericht. Zij heeft gepoogd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar met een koekenpan tegen het hoofd te slaan. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer waardoor zij ook letsel heeft opgelopen. Bovendien is het handelen van verdachte voor het slachtoffer bijzonder beangstigend geweest zo blijkt ook uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 29 oktober 2024, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten. Na het onderhavige feit heeft verdachte zich echter wel schuldig gemaakt aan een overtreding. Gelet hierop houdt het hof rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Verder houdt het hof rekening met verdachte ’s persoonlijke omstandigheden, zoals door verdachte en haar raadsvrouw naar voren gebracht op de terechtzitting van het hof. Uit de diagnostiekbrief van de huisarts volgt dat bij verdachte een stoornis in het autismespectrum is vastgesteld. Verder is bij verdachte sprake van een matig-ernstige depressieve stoornis die neerkomt op een dysthyme stoornis. Verdachte heeft last van somberheidsklachten in die zin dat bij haar sprake is van aanhoudend verdriet, prikkelbaarheid, eet- en slaapproblemen, vermoeidheidsklachten en suïcidegedachten. Verdachte ontvangt op dit moment professionele hulp. Zij is samen met haar behandelaar bezig om een behandelplan op te stellen. Alhoewel verdachte dit graag zou willen, lukt het haar gelet op alle omstandigheden op dit moment niet om te werken of om een opleiding te volgen. Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit en de erkenning van de eigen verantwoordelijkheid door verdachte, is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Het voorwaardelijke deel van de straf wordt opgelegd als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst wederom aan enig strafbaar feit schuldig zal maken. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.224,60, bestaande uit € 624,60 aan materiële schade en € 600,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 900,-, bestaande uit € 300,- aan materiële schade en € 600,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en haar vordering gehandhaafd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de oorspronkelijk gevorderde schadevergoeding. Het hof wijst de vordering met betrekking tot de immateriële schade toe omdat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 sub b BW heeft opgelopen. Gelet op de onderbouwing van de vordering en de verwijzing naar vergelijkbare gevallen stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op € 600,-.Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat het incident waarbij verdachte Kraaijinga met een koekenpan heeft geslagen, heeft plaatsgevonden op 9 maart
  3. Verdachte is sinds april 2023 vertrokken uit de woning en de nota ten aanzien van de huur van het busje voor de verhuizing van de benadeelde partij dateert van 17 juli
  4. Dit is een datum gelegen (ver) na het bewezenverklaarde en het moment van vertrek van verdachte uit de woning. Gelet hierop is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte op 9 maart 2023 rechtstreeks de opgevoerde – en door de verdediging betwiste – materiele schade heeft geleden. Verdachte is niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen. Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 maart
  5. Bevestigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - voor het overige. Aldus gewezen door mr. E.C.M. Wolfert, voorzitter, mr. F.E.J. Goffin en mr. R. Godthelp, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier, en op 17 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid - rvr.org

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.