← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2024:8373

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005330-19 Uitspraak d.d.: 24 juli 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 september 2019 met parketnummer 18-079078-19 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1980, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van hetgeen hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij voornoemd vonnis ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van het bewezenverklaarde. De politierechter heeft verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2018 tot en met 11 maart 2018, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten: - 1232 kweekpotjes en/of - zes (kweek)tenten en/of - 12 koolstoffilters en/of - 84 armaturen en/of - 29 assimilatie lampen en/of - 81 transformatoren en/of - zes slakkenhuizen en/of - vier ventilatoren en/of - zes kachels, waarvan verdachte en verdachtes mededader(

  1. s)wisten of ernstige reden hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van een of meer feiten(
  2. en)strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet te weten: - het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of het afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet, behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2.hij op of omstreeks 11 maart 2018, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een loods, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot eventuele vormverzuimen Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de politie geen bevoegdheid had om de loods binnen te treden, omdat er op het moment van binnentreden geen sprake was van een concrete verdenking. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie op rechtmatige wijze de loods is binnengetreden. Er is dan ook geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Oordeel van het hof Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 11 maart 2018 kreeg de politie een melding van een verdachte situatie in de loods aan de [adres1] te [plaats] . De melder betrof de eigenaar van de loods aan de [adres2] te [plaats] die in zijn loods aan het werk was. Hij hoorde een enorm kabaal vanuit de loods aan de [adres1] en zag dat er in het dak van die loods een gat zat. Hierop is de politie ter plaatse gekomen. De politie zag dat de twee deuren welke toegang gaven tot de loods afgesloten waren en hoorden eveneens vanuit de loods geluid. De politie dacht op dat moment aan een mogelijke heterdaadsituatie van een inbraak in het pand. Nadat de politie de loods had omsingeld en zich kenbaar had gemaakt als politie, werd de deur van de loods geopend door één van de in de loods aanwezige mannen. Verbalisant [verbalisant] is vervolgens de loods ingelopen, omdat hij het vermoeden had dat er meer aan de hand was en omdat hij wilde kijken waar het gat in het dak zat. In de loods trof hij een hennepkwekerij in aanbouw aan. Hierop werden de vier mannen die zich in de loods bevonden aangehouden in verband met voorbereidingshandelingen voor het inrichten van een hennepkwekerij. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging meent, is het hof van oordeel dat er een toereikende wettelijke grondslag aanwezig is voor de politie om op grond van bovengenoemde omstandigheden de loods binnen te treden. Het binnentreden van en het rondkijken in de loods is in dit geval gebaseerd op de algemene opsporingstaak van de politie, zoals geformuleerd in artikel 3 van de Politiewet 2012 in samenhang met artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen reden om een schending van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering aan te nemen. Het verweer van de verdediging dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim wordt derhalve verworpen. Overwegingen met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Hoewel er volgens de raadsvrouw wettig bewijs voorhanden is in het dossier, zou het hof daaruit niet de overtuiging moeten bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. De raadsvrouw heeft daarbij haar twijfels geuit over de oprechtheid van de bij de politie afgelegde bekennende verklaring van verdachte, nu hij als huurder van het pand alle verantwoordelijkheid op zich heeft willen nemen. De verdediging heeft op de terechtzittingen van de politierechter en het hof een alternatief scenario geschetst. Er was wel iets in aanbouw in de loods, maar dit betrof geen hennepkwekerij. Verdachte had namelijk 15.000 tomatenzaadjes en komkommerzaadjes. Verder is er volgens de verdediging geen sprake van een, voor medeplegen vereiste, nauwe en bewuste samenwerking. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt. Alternatief scenario Het hof stelt vast dat verdachte bij de politie onder meer heeft verklaard dat hij de loods huurde, dat hij verantwoordelijk is voor de aangetroffen in aanbouw zijnde hennepkwekerij en dat hij meerdere personen opdracht heeft gegeven om in de loods aan het werk te gaan. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte voor het eerst verklaard dat hij voornemens was om iets anders te kweken dan hennep, namelijk tomaten en komkommers. Het hof is van oordeel dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Het hof overweegt hiertoe dat verdachte in een laat stadium met een alternatief scenario is gekomen en dat daaraan nauwelijks concrete informatie is toegevoegd. Behalve de suggestie van medeverdachte Karadavut bij de politie dat er ook tomaten gekweekt zouden kunnen worden in de loods, is er in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden dat het alternatieve scenario van verdachte steunt. De omstandigheden in de loods duiden naar het oordeel van het hof op het gaan kweken van illegale hennep. Zo was er sprake van een dichte loods in plaats van een tuinkas, was het huurcontract afgesloten voor de opslag van spullen in plaats van voor tuinbouw, was de elektriciteit in de loods op illegale wijze aangelegd en zijn de aangetroffen goederen in de loods bij uitstek geschikt voor een hennepkwekerij. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. Medeplegen Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte af dat verdachte een belangrijke bijdrage had in het geheel, ondanks dat verdachte niet in de loods aanwezig was. Zo huurde verdachte de loods en wist hij wat er zich in de loods afspeelde. De medeverdachten kwamen de loods binnen met de sleutel die verdachte aan hen gaf. De medeverdachten gingen vervolgens voor verdachte aan het werk. Verdachte gaf opdrachten aan de medeverdachten en de medeverdachten voerden vervolgens de opdrachten uit. De medeverdachten werden aangestuurd door verdachte. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. Conclusie Resumerend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Overwegingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel “wederrechtelijk” niet kan worden bewezen, nu er sprake was van een huurovereenkomst en hier de regels van het burgerlijk recht van toepassing zijn. Oordeel van het hof Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof vast dat de loods aan de [adres1] te [plaats] op 11 maart 2018 eigendom was van [slachtoffer] . Dit pand had als bestemming opslagloods dan wel productie- en opslagruimte. [slachtoffer] verhuurde dit pand aan verdachte. Er was sprake van een huurcontact tussen beiden, waarin de huurvoorwaarden en de rechten en plichten van beide partijen waren vastgelegd. Op 11 maart 2018 constateerden verbalisanten een rond gat in het dak van de loods die voor een gedeelte dicht gemaakt was. Verdachte had als huurder van de loods geen toestemming van de verhuurder om een gat in het dak te (laten) maken. Het hof is van oordeel dat de beschadigingen aan het dak een gevolg zijn van de werkzaamheden die in de gehuurde loods zijn uitgevoerd bij en ten behoeve van het inrichten van een hennepkwekerij. In wezen gaat het om verbouwingen van het gehuurde met het oog op het gebruik daarvan. Dit is niet wederrechtelijk als bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht, ook niet als het feitelijk gebruik dat aldus van het gehuurde gemaakt wordt, afwijkt van de bestemming van het gehuurde volgens het huurcontract. Eventuele beschadigingen die tijdens de huurperiode aan het gehuurde ontstaan, moeten in beginsel ongedaan worden gemaakt bij het einde van de huur. Dit alles wordt beheerst door de regels van burgerlijk recht. Eventuele wanprestatie van de huurder is op zichzelf geen wederrechtelijke beschadiging of vernieling. Van het opzettelijk toebrengen van – in het licht van het gebruik van het gehuurde -niet-functionele beschadigingen is niet gebleken. De verdachte zal daarom van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij in de periode van 15 februari 2018 tot en met 11 maart 2018, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten: - 1232 kweekpotjes en/of - zes (kweek)tenten en/of - 12 koolstoffilters en/of - 84 armaturen en/of - 29 assimilatie lampen en/of - 81 transformatoren en/of - zes slakkenhuizen en/of - vier ventilatoren en/of - zes kachels, waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van een of meer feiten(
  3. en)strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet te weten: - het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of het afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet, behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van stoffen/voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van hennepteelt. Hiertoe heeft hij een grote hoeveelheid voorwerpen voorhanden gehad die bestemd zijn om een hennepkwekerij in te richten en hennep te telen. Van deze bestemming is verdachte op de hoogte geweest. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale circuit betreffende teelt en handel in (soft)drugs, met alle daarbij komende (maatschappelijke) problemen. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 3 juni 2024. Hieruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het onderhavige bewezenverklaarde feit onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige feiten. Het hof heeft voorts geconstateerd dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die terechtzitting van het hof door de raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Verdachte beschikt inmiddels over een eigen woning, heeft een fulltime baan en draagt zorg voor zijn drie kinderen. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden die invloed zouden kunnen hebben op de op te leggen straf is het hof niet gebleken. Met betrekking tot het verzoek van de raadsvrouw om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze situatie geen recht doet aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het hof zal dit verzoek daarom niet volgen. Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal geëiste straf in beginsel passend en geboden is voor het onder 1 bewezenverklaarde, nu verdachte een belangrijke rol speelde in het geheel. Het hof houdt echter ten voordele van verdachte rekening met het enorme tijdsverloop in de onderhavige strafzaak en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het bewezenverklaarde dateert van 2018. De redelijke termijn is in hoger beroep met meer dan 2 jaren en 9 maanden overschreden. Het hof zal met deze schending rekening houden door slechts een voorwaardelijke straf op te leggen. Alles afwegende komt het hof tot oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op artikel 11a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis. Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. B. Stapert, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Zieleman, griffier, en op 24 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.