GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.333.183/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 132540) beschikking van 25 februari 2025 in de zaak van [verzoeker] (de vader),die woont in [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. E. Blokzijl te [woonplaats1] , en [verweerster] (de moeder), die woont in [woonplaats1] , verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Noord-Nederland, locatie Groningen. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van de procedure tot 14 mei 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - een brief van het NIFP van 21 november 2024 met een voordracht voor twee gedragsdeskundigen en een offerte; - een brief van de raad van 10 december 2024, waarin de raad mededeelt niet op de zitting op 11 februari 2025 te zullen verschijnen; - een journaalbericht namens de moeder van 28 januari 2025; - een journaalbericht namens de vader van 28 januari 2025. 1.3 Op 11 februari 2025 heeft een aanvullende mondelinge behandeling plaatsgevonden, ten overstaan van een deels andere samenstelling dan de samenstelling die de beschikking van 14 mei 2024 heeft gegeven. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2De motivering van de beslissing 2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 14 mei 2024 voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. 2.2 Het hof heeft een aanvullende mondelinge behandeling bepaald op 11 februari 2025 om, alvorens over te gaan tot het benoemen van de deskundigen, met partijen te spreken over de actuele stand van zaken en over de persoon van de deskundigen, de vraagstelling aan de deskundigen en de hoogte van het voorschot. 2.3 De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige1] problemen heeft op lichamelijk vlak, waarvoor hij de afgelopen 2,5 jaar hulp heeft gehad van onder andere een bekkenbodemtherapeut, een fysiotherapeut en de poep- en plaspoli van [naam1 ] . Als gevolg van deze problemen gaat [de minderjarige1] niet naar een reguliere bassischool, maar naar een medische school, op dit moment drie dagen per week. Uitbreiding naar vier dagen per week is volgens de bij [de minderjarige1] betrokken hulpverleners nog niet mogelijk. De hulpverleners van [de minderjarige1] hebben vanwege de medische problematiek van [de minderjarige1] , en de pijn en stress die daarmee gepaard gaat, ook geadviseerd om hem op dit moment nog geen statusvoorlichting te geven. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] dat er nu een deskundigenonderzoek gaat plaatsvinden. Het gaat om een heel intensief onderzoek, terwijl er op dit moment al veel hulpverlening bij [de minderjarige1] betrokken is vanuit [naam2] en [naam3] . Het onderzoek zal volgens de moeder bovendien een te grote weerslag hebben op het hele gezin, terwijl het juist weer wat beter lijkt te gaan met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . 2.4 De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij nog steeds volledig achter het voorgenomen onderzoek staat. Hij vindt het belangrijk dat het onderzoek op korte termijn zal worden opgestart. 2.5 Het hof ziet in hetgeen de moeder ter zitting naar voren heeft gebracht geen aanleiding om af te zien van het gelasten van het voorgenomen deskundigenonderzoek. Het hof staat nog altijd achter wat is overwogen in rechtsoverweging 5.5 van de beschikking van 14 mei 2024 en ziet het onderzoek juist gelet op de zorgen die er over [de minderjarige1] zijn ook als een mogelijkheid om goed zicht te krijgen op de ontwikkeling en het functioneren van [de minderjarige1] en wat hij nodig heeft. 2.6 Het NIFP heeft in de brief van 21 november 2024 als deskundigen voorgedragen [naam4] (psycholoog) en [naam5] (orthopedagoog-generalist). Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij instemmen met de persoon van deze deskundigen. Het hof volgt daarom de voordracht van het NIFP en zal [naam4] en [naam5] tot deskundigen benoemen. 2.7 Het hof ziet aanleiding om de vraagstelling zoals voorgesteld in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 aan te vullen zoals door het NIFP is voorgesteld. Partijen zijn daarmee ter zitting akkoord gegaan. De onderzoeksvragen luiden dan als volgt:1. Hoe kunnen de persoonlijkheid en het functioneren van zowel de vader als de moeder worden beschreven? 2. Zijn er redenen om op grond daarvan contact en omgang tussen [de minderjarige1] en de vader af te wijzen? 3. Wat is er nodig om eventuele belemmeringen in de contacten tussen de vader en [de minderjarige1] weg te nemen en welke hulpverlening zou hiervoor passend kunnen zijn? 4. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de eventueel te nemen beslissingen? 5. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van [de minderjarige1] worden omschreven? Wat zijn eventuele aandachtspunten? Indien sprake is van een verstoorde ontwikkeling op een of meer gebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn? 6. Wat zijn de specifieke pedagogische en affectieve behoeften van [de minderjarige1] ? 7. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.