GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 23/683 uitspraakdatum: 1 april 2025 Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 31 januari 2023, nummer LEE 22/1529, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [adres] 20 te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 879.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) gebruiker niet-woning opgelegd. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde verminderd tot € 655.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2Vaststaande feiten 2.1. Bij brief van 27 maart 2021 heeft mr. D.A.N. Bartels (hierna: Bartels) namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voor het jaar 2021 afgegeven WOZ-beschikking en opgelegde aanslag OZB. Bij het bezwaarschrift is een door “ [belanghebbende] / [naam3] V.O.F.” ondertekende volmacht gevoegd. 2.2. Bij brief van 28 februari 2022 heeft Bartels namens belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de hiervoor bedoelde WOZ-beschikking en aanslag OZB. 2.3. Tot het van de Rechtbank ontvangen dossier behoren, naast de onder 2.1 genoemde volmacht, onder andere e-mails aan Bartels met de volgende inhoud: “Van: [belanghebbende] & [naam4] (…) Verzonden: zaterdag 27 maart 2021 13:17 Aan: Dion Bartels Onderwerp: WOZ Bijlagen: IMG_20210327_0002.pdf Goeden dag, Bij deze. KHN-lidmaatschap nummer: (…) Bij voorbaat dank. Met vriendelijke groet; [naam4] , (…)” en: “Van: [belanghebbende] & [naam4] (…) Verzonden: woensdag 28 april 2021 12:30 Aan: Dion Bartels Onderwerp: volmacht Bijlagen: IMG_20210428_0001.pdf Goede middag, Bij deze. Ik hoop dat het nog op tijd is. Mvg, [naam4] , (…)” 2.4. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de Rechtbank onder andere het volgende overwogen: “4. Omdat bij het beroepschrift geen machtiging van [belanghebbende] was overgelegd, heeft de rechtbank Bartels bij aangetekend verzonden brief 10 mei 2022 verzocht om dit stuk alsnog over te leggen. Daarbij is Bartels een termijn van vier weken gesteld en is Bartels gewezen op de mogelijke gevolgen indien hij niet binnen de gestelde termijn een machtiging over zou leggen, te weten dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Pas op 4 juli 2022, dus acht weken later en buiten de gestelde termijn, heeft Bartels een machtiging opgestuurd van ‘februari/maart/april 2021’ van ‘ [belanghebbende] ’, met daarbij handgeschreven ‘ [naam3] V.O.F.’ . Gelet op de omstandigheid dat Bartels kennelijk zoveel tijd nodig heeft gehad (en de gestelde termijn niet kon halen) om een machtiging van bijna anderhalf jaar oud met daarbij geschreven ‘ [naam3] V.O.F.’ op te sturen, is bij de rechtbank twijfel gerezen over de geldigheid van de volmacht in deze zaak. De rechtbank heeft Bartels daarom in de brief van 5 oktober 2022 verzocht om binnen een termijn van twee weken stukken op te sturen aan hand waarvan de rechtbank kan vaststellen dat sprake is van een geldige volmacht, waaronder en kopie van het identiteitsbewijs van de volmachtgever. 5. De rechtbank heeft geen kopie van het identiteitsbewijs van de volmachtgever ontvangen. 6. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of Bartels beschikt over een rechtsgeldige machtiging om namens [belanghebbende] beroep in te stellen. De rechtbank stelt vast dat weliswaar een machtiging is overgelegd, maar dat zij twijfelt aan de geldigheid van de door Bartels overgelegde machtiging (zie 4.). Verder stelt de rechtbank vast dat de gevraagde kopie van een identiteitsbewijs van de volmachtgever niet is overgelegd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door Bartels overgelegde machtiging niet rechtsgeldig, nu Bartels niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overgelegde machtiging door [belanghebbende] is ondertekend. De rechtbank zal het beroep daarom bij gebreke aan een deugdelijke machtiging niet-ontvankelijk verklaren.” 3Geschil 3.1. In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 3.2. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende, gelet op r.o. 3.4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ingetrokken. 4Beoordeling van het geschil Vooraf 4.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft op de ochtend van de zitting nadere stukken ingediend. Ter zitting heeft hij ermee ingestemd dat deze stukken voor zover die niet reeds tot de gedingstukken behoren, buiten beschouwing worden gelaten. Ontvankelijkheid beroep 4.2. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen partijen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Het tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat van een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, een schriftelijke machtiging kan worden verlangd. 4.3. De Rechtbank heeft bij brief van 10 mei 2022 aan Bartels gevraagd om “een schriftelijke machtiging waaruit blijkt op welke za(a)k(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.