← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:2009

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004253-22 Uitspraak d.d.: 4 april 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 september 2022 met parketnummer 05/880702-19, de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 05/780001-21, 05/780029-21, 05/780039-21 en 05/780039-21A, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 23-000570-17 en 16-090557-17, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, thans verblijvende in [P.I. 1] . Het hoger beroep Verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4, 5, 7 en 29 november 2024, 21 februari 2025 en 27 maart 2025 (tijdens welke zitting het onderzoek is gesloten) en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. S.C. van Klaveren en mr. B.L.M. Ficq, naar voren is gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 14] en [benadeelde partij 15] , en van hetgeen door mr. A.H. Blok, namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 6] naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte voor enkele van de (primair) ten laste gelegde feiten vrijgesproken en hem voor een reeks andere feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaar en tien maanden met aftrek van voorarrest. Ook heeft de rechtbank beslissingen genomen op nog openstaand beslag, op de vorderingen tenuitvoerlegging en op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een aantal andere bewijsbeslissingen, een andere strafoplegging, een aantal andere beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen en een andere beslissing over het beslag komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. Leeswijzer 1. Verkorte inhoud van de tenlastelegging 5 2. Algemene verweren 8 2.1. Verweren met betrekking tot vormverzuimen 8 2.2. Verklaringen van [medeverdachte 4] in het licht van de Vidgen-jurisprudentie 12 2.3. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] (Panter 1) 16 2.4. Getuigenverzoek met betrekking tot journalist [naam 28] 17 3. Bewijsoverwegingen 19 3.1. Inleiding 19 3.2. Bewijsoverwegingen Maldiven (parketnummer 05/880702-19) 21 3.3. Bewijsoverwegingen Navigator (parketnummer 05/780039-21A, feit 1) 33 3.4. Bewijsoverwegingen Panter 1 (parketnummer 05/780001-21 + 05/780029-21) 39 3.5. Bewijsoverwegingen Panter 3 (parketnummer 05/780039-21A, feit 2) 80 3.6. Bewijsoverwegingen Panter 2 (parketnummer 05/780039-21) 88 3.7. De rol van verdachte (samenhang en conclusies) 112 3.8. Eindconclusies 118 4. Eerlijk proces 119 5. Bewezenverklaring 121 6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 142 7. Strafbaarheid van verdachte 144 8. Oplegging van straf 144 9. Beslag 149 9.1. De vordering van het openbaar ministerie 149 9.2. Het standpunt van de verdediging 149 9.3. Het oordeel van het hof 149 10. Vorderingen van de benadeelde partijen 150 10.1. Vordering [benadeelde partij 1] 151 10.2. Vorderingen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] 152 10.3. Vorderingen [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] 154 10.4. Vorderingen [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] 155 10.5. Vorderingen [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] 157 10.6. Vorderingen [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] 158 10.7. Vorderingen [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] 159 10.8. Vorderingen [benadeelde partij 14] en [benadeelde partij 15] 160 10.9. Samenvatting 161 11. Vorderingen tenuitvoerlegging 162 11.1. Parketnummer 23-000570-17 162 11.2. Parketnummer 16-090577-17 162 12. Toepasselijke wettelijke voorschriften 163 BESLISSING 164 Bijlage: de tenlastelegging 176 1Verkorte inhoud van de tenlastelegging De volledige tenlastelegging is als bijlage opgenomen en aan dit arrest gehecht. Het hof volstaat hier met de korte omschrijving van wat aan verdachte wordt verweten: Parketnummer 05/880702-19 (Maldiven) (na een toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging) Medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 1] / [slachtoffer 2] / [fruitbedrijf] door in de periode van 26 mei 2019 tot en met 5 juni 2019 diverse dreigsms-berichten te sturen. Parketnummer 05/780001-21 (Panter 1) (na een toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep) Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 1] in Rosmalen op 10/11 oktober 2020, ten laste gelegd als: 1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade); 2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [straat 1 huisnummer B] in Kerkdriel op 22/23 november 2020, ten laste gelegd als: 3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade); 4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 3] in Hedel op 24/25 november 2020, ten laste gelegd als: 5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade); 6. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Betrokkenheid bij twee verijdelde aanslagen op een woning aan de [straat 2 huisnummer D] in Hilversum, ten laste gelegd als: 7. medeplegen van een mislukte uitlokking in de periode 15-22 december 2020 van brandstichting/het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar subsidiair: medeplegen van voorbereidingshandelingen tot het teweegbrengen van een ontploffing/brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van de voorbereidingshandelingen daartoe in de periode van 13-17 december 2020. Parketnummer 05/780029-21 (Panter 1) 1. medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 1] door in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 diverse dreigsms-berichten te sturen. 2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan [adres 4] in Tiel met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 4/5 oktober 2020. 3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 5] in Vlijmen met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 4 november 2020. 4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 6] in Tiel met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 27/28 oktober 2020. 5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 7] in Breda met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 7/8 oktober 2020. Parketnummer 05/780039-21A (Navigator en Panter 3) Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 8] in Zaandam op 22 september 2020, ten laste gelegd als: 1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade) en/of medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. (Navigator) Betrokkenheid bij een mislukte aanslag op een woning aan de [adres 9] in Kerkdriel op 2 mei 2021, ten laste gelegd als: 2. medeplegen van een mislukte uitlokking van [medeverdachte 10] gericht op het door hem plegen of laten plegen van moord/doodslag/zware mishandeling (met voorbedachten rade) en/of het teweegbrengen van een ontploffing/brandstichting met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar; subsidiair: medeplegen van een mislukte uitlokking van derden tot het plegen van voornoemde feiten; meer subsidiair: uitlokking van de mislukte uitlokking begaan door [medeverdachte 10] van derden gericht op het door hen laten begaan van voornoemde feiten. (Panter 3) Parketnummer 05/780039-21 (Panter 2) (na een toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging) Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [straat 5] 20 in Hedel op 1/2 mei 2021, ten laste gelegd als: 1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [straat] 4 in Kerkdriel op 8/9 mei 2021, ten laste gelegd als: 2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 12] in Velddriel op 9/10 mei 2021, ten laste gelegd als: 3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 13] in Waardenburg op 15/16 mei 2021, ten laste gelegd als: 4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan [adres 14] in Tiel op 4/5 juni 2021, ten laste gelegd als: 5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/ zware mishandeling (met voorbedachten rade) en/of medeplegen van uitlokking van het medeplegen van het teweegbrengen van een brandstichting met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 2Algemene verweren 2.1. Verweren met betrekking tot vormverzuimen WOD-traject Tijdens het opsporingsonderzoek is gebruikgemaakt van een werken onder dekmantel (WOD)-actie. Deze actie hield kort gezegd in dat opsporingsambtenaren op 29 december 2020 met [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) in contact zijn getreden zonder dat zij zich als zodanig hebben bekendgemaakt. Het betrof een actie waarbij de opsporingsambtenaren zich voordeden als personen die duidelijkheid wilden verkrijgen over wie achter de gepleegde aanslagen op (ex)medewerkers van [fruitbedrijf] (hierna: [fruitbedrijf] ) zaten. Tijdens deze inzet heeft [medeverdachte 4] zaken verteld over de betrokkenheid van zichzelf, maar ook van anderen bij die aanslagen. Verweren van de verdediging De verdediging heeft op verschillende punten, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad met nummer 2019:1983, aangevoerd dat aan de inzet van de WOD-actie op [medeverdachte 4] , op de wijze zoals deze in de onderhavige zaak is toegepast, zodanige gebreken kleven dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Deze verzuimen zouden volgens de verdediging moeten leiden tot bewijsuitsluiting van alle door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen. Standpunt van de advocaten-generaal De advocaten-generaal zijn met de rechtbank van mening dat de WOD-inzet rechtmatig is verlopen en dat er aldus geen vormverzuimen bestaan die moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Wettelijk kader De toegepaste WOD-actie is gegrond op artikel 126j, eerste lid, Sv waarin de bevoegdheid is geregeld die wordt aangeduid als stelselmatige inwinning (SI) van informatie. Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over een verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat het inzetten van een SI-traject zijn rechtvaardiging vindt in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving, en waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben. Toetsingskader Voor de beoordeling van het verloop van de WOD-actie zoekt het hof, met inachtneming van hetgeen hieronder nader wordt overwogen, aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen over de Mr. Big-methode in 2019:1982 en 1983, waarbij het gaat om “gevallen (...) die hierdoor worden gekenmerkt dat door een of meer opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een niet-gedetineerde verdachte wordt gewonnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit”. Overwegingen van het hof In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat van het toepassen van de Mr. Big-methode zelf geen sprake is geweest. Het contact met [medeverdachte 4] is, anders dan bij toepassing van de Mr. Big-methode waarbij over een langere periode van enkele weken of maanden steeds intensiever contact wordt opgebouwd om vertrouwen te winnen, beperkt gebleven tot één relatief kort contactmoment overdag. Voorts had de WOD-actie op [medeverdachte 4] niet tot doel hem te verlokken een strafbaar feit te bekennen. Het doel was om relevante informatie te verzamelen over de identiteit van de opdrachtgevers van de aanslagen op (ex)medewerkers van [fruitbedrijf] . Dat één van de undercoveragenten daarbij heeft gezegd dat hij wist wie [medeverdachte 4] was en dat hij uit de bajes had gehoord dat hij mogelijk betrokken was bij het gedoe met de aanslagen, maakt dit nog niet anders. Het voorgaande neemt niet weg dat de toepassing van een WOD-traject in het algemeen het gevaar meebrengt dat een verdachte feitelijk in een verhoorsituatie terechtkomt, waarbij de waarborgen van een formeel politieverhoor ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van die verdachte zijn afgelegd. Het hof zal de vraag naar de toelaatbaarheid van de inzet van de WOD-actie en de vraag of de verklaringsvrijheid van [medeverdachte 4] is geschonden dan ook beoordelen langs de lijn van het door de Hoge Raad in het arrest met nummer 2019:1982 ontwikkelde toetsingskader. Een WOD-inzet dient allereerst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te voldoen, waarbij als uitgangspunt moet worden genomen dat de bijzondere ernst van het misdrijf de WOD-inzet rechtvaardigt en dat andere wijzen van opsporing niet (meer) voorhanden zijn. De rechter kan vervolgens voor de vraag komen te staan of de informatie van verdachte niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Daarbij kan acht worden geslagen op het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens verdachte en op de wettelijke grondslag van het optreden. Het is daarom nodig dat inzicht kan worden verkregen in het concrete verloop van de uitvoering van het WOD-traject en op de interactie van de opsporingsambtenaren met de verdachte. Dit kan door een voldoende nauwkeurige verslaglegging, welke verslaglegging inzicht moet geven in het verloop en de uitvoering van de gehele periode en met name een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met verdachte moet bevatten. Voor zover mogelijk zou de communicatie in het kader van de opsporing auditief of audiovisueel geregistreerd moeten worden. Proportionaliteit en subsidiariteit Het hof is van oordeel dat de WOD-actie in deze zaak voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat sprake is geweest van een stelsel van gewelddadige feiten en van grote maatschappelijke impact staat buiten kijf. Blijkens het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning waren op de verdachten in het onderzoek reeds diverse bijzondere opsporingsmiddelen langdurig ingezet, zoals het afluisteren van telefoongesprekken en vertrouwelijke communicatie. Geen van deze ingezette middelen had tot op dat moment geleid tot meer informatie over de opdrachtgever(

  1. s)van de aanslagen. De op dat moment reeds aangehouden verdachten (vermeende uitvoerders) beriepen zich allemaal op hun zwijgrecht. Het ging om zeer ernstige strafbare feiten, namelijk een reeks aanslagen met mortierbommen (shells) op de woningen van (ex)werknemers van [fruitbedrijf] , gepleegd in de nachtelijke uren terwijl de bewoners veelal in de woning verbleven. Ondanks dat een aantal verdachten in voorlopige hechtenis zat, bleven de aanslagen doorgaan en werd aangekondigd dat de aanslagen in ernst zouden toenemen. Dat gebeurde ook daadwerkelijk, zoals al blijkt uit de aanslag in Hedel op 25 november 2020 waar een woning volledig afbrandde en de bewoners ternauwernood nog uit de woning konden komen. Na deze aanslag heeft de politie in december 2020 nog twee aanslagen in Hilversum verijdeld. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de bijzondere ernst van de aanhoudende en steeds gewelddadigere aanslagen de toepassing van de betreffende opsporingsbevoegdheid, mede gezien de omstandigheid dat andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet meer voorhanden waren. De verklaringsvrijheid Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaring van [medeverdachte 4] niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Daarbij wordt voorop gesteld dat voor de beantwoording van deze vraag van belang is of het hof inzicht heeft gekregen in het concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode en de interactie met [medeverdachte 4] die daarbij heeft plaatsgevonden. Zoals hiervoor is vermeld is daarvoor een voldoende nauwkeurige verslaglegging van belang. De verslaglegging dient een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met [medeverdachte 4] te omvatten. Naast verslaglegging door middel van verbalisering ligt het bij een WOD-traject in de rede dat, voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd. Het hof stelt vast dat de communicatie tijdens de WOD-actie niet auditief of audiovisueel is geregistreerd. Zoals ook is aangevoerd door de verdediging, valt het voor het hof niet goed in te zien waarom dit niet is gebeurd. Die vorm van registratie maakt namelijk de controle op de inzet van het bijzondere en vergaande opsporingsmiddel veel beter mogelijk. Het hof is zich ervan bewust dat een auditieve of audiovisuele registratie van de communicatie tussen de betrokken opsporingsambtenaren en verdachte geen vereiste is om tot de rechtmatigheid van een dergelijk traject te kunnen concluderen, maar ziet zich dan wel voor de vraag gesteld of op een andere wijze voldoende kan worden vastgesteld hoe de WOD-actie is uitgevoerd. In het dossier zitten verschillende processen-verbaal die in het kader van die WOD-actie zijn opgesteld. Het gaat om op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de bij de WOD-actie van 29 december 2020 betrokken opsporingsambtenaren en de verklaringen die zij als getuigen bij de rechter-commissaris en later bij de raadsheer-commissaris over deze inzet hebben afgelegd, als ook om de verklaringen die door [medeverdachte 4] zijn afgelegd. Deze verklaringen, ook die van de WOD-ers onderling, verschillen inhoudelijk echter over de wijze waarop de WOD-actie is uitgevoerd, de mate van druk die op [medeverdachte 4] is uitgeoefend en over hetgeen tijdens deze actie is besproken. In het licht van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat in dit geval onvoldoende controleerbaar is of [medeverdachte 4] in zijn verklaringsvrijheid is aangetast, volgens het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader (waarbij onder meer van belang is hoe het verloop van het opsporingstraject is gegaan en wat de mate van druk is geweest die in het traject op een verdachte is uitgeoefend). Door het ontbreken van een auditieve of audiovisuele opname in combinatie met het feit dat er aanwijzingen zijn dat de verslaglegging van de busverklaring ook niet zonder meer toereikend is geweest, is het voor het hof onvoldoende controleerbaar hoe die verklaring van [medeverdachte 4] tot stand is gekomen en welke precieze mate van druk op hem is uitgeoefend. Daarmee heeft het hof onvoldoende inzicht gekregen in de uitvoering van de WOD-actie. Het hof acht in dit verband sprake van een vormverzuim. Rechtsgevolg Volgens de Hoge Raad hoeft in de te berechten zaak, in dit geval de zaak van verdachte [verdachte] , in de regel geen rechtsgevolg te worden verbonden aan een verzuim als het niet verdachte is die door het verzuim bij de toepassing van de bevoegdheid van het stelselmatig inwinnen van informatie is getroffen. Het gaat namelijk om het beroep op de verklaringsvrijheid van de persoon die benaderd en ‘gehoord’ wordt, in dit geval [medeverdachte 4] , en niet om de vraag of de WOD-actie tegen verdachte [verdachte] gericht was. De Hoge Raad overweegt in het aangehaalde arrest dat het gebruik van de betreffende verklaring, in dit geval de busverklaring van [medeverdachte 4] , in een dergelijk geval ook niet in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is, mits de bruikbaarheid voor het bewijs van de betreffende verklaring – in het bijzonder de betrouwbaarheid en de accuraatheid daarvan – door de verdediging kan worden betwist en door de rechter kan worden onderzocht. Er is grond voor bewijsuitsluiting als vast komt te staan dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van de verklaring wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust de bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt. Tussenconclusie WOD-actie Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat (de inzet van) de WOD-actie onvoldoende controleerbaar is en dat de bruikbaarheid voor het bewijs van de busverklaring van [medeverdachte 4] onvoldoende kan worden onderzocht en betwist. In het verlengde hiervan acht het hof de busverklaring van [medeverdachte 4] niet bruikbaar voor het bewijs. Het hof zal de door [medeverdachte 4] op 29 december 2020 afgelegde verklaring dan ook niet gebruiken. Anders is het oordeel van het hof als het gaat om de door [medeverdachte 4] als getuige (5 en 7 januari 2021) en als verdachte (23, 24 en 25 februari 2021) afgelegde verklaringen. Het hof heeft geen aanwijzingen dat daarbij tegenover [medeverdachte 4] op zodanige wijze is gehandeld of zodanige dingen zijn gezegd dat een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte 4] ná zijn busverklaring heeft afgelegd niet meer mogelijk is. Horen van [medeverdachte 4] als getuige Het hof is van oordeel dat, zoals de verdediging ook heeft aangevoerd, [medeverdachte 4] op 5 en 7 januari 2021 ten onrechte als getuige en niet als verdachte is verhoord. [medeverdachte 4] had op 29 december 2020 zijn betrokkenheid bij meerdere aanslagen erkend. Daarmee was vanaf dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Dat maakt dat hij vanaf dat moment als verdachte had moeten worden verhoord en op zijn rechten als verdachte (cautie en recht op consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat) had moeten worden gewezen. Nu dat niet is gebeurd, levert dat weliswaar in de zaak van [medeverdachte 4] een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv, maar hieraan verbindt het hof in de zaak van verdachte geen consequenties. Enerzijds gelet op de Schutznorm en anderzijds omdat er geen wezenlijke verschillen zijn tussen de verklaringen die [medeverdachte 4] als getuige en de verklaringen die hij als verdachte in het bijzijn van zijn raadsman heeft afgelegd. Het verweer wordt daarom verworpen. Eindconclusie Met inachtneming van al het voorgaande komt het hof tot de eindconclusie dat de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat het hof ten aanzien van de busverklaring van oordeel is dat aan de verslaglegging van de totstandkoming daarvan zodanige gebreken kleven dat het hof die verklaring niet zal gebruiken. 2.2. Verklaringen van [medeverdachte 4] in het licht van de Vidgen-jurisprudentie Verweren van de verdediging De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaringen van [medeverdachte 4] , maar dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest hem te ondervragen. Daarbij is er door de verdediging op gewezen dat een goede reden ontbreekt voor het niet (nogmaals) bieden van het ondervragingsrecht en dat factoren ontbreken die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De verklaringen van [medeverdachte 4] kunnen volgens de verdediging om deze redenen niet voor het bewijs worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. Standpunt van de advocaten-generaal De advocaten-generaal zijn van mening dat bij het gebruiken van de verklaringen van [medeverdachte 4] van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM geen sprake is. [medeverdachte 4] heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen uit angst voor represailles en vanwege de druk die door verdachte op hem en zijn familie is uitgeoefend. Nu de dreiging uitgaat van verdachte, al dan niet in samenspraak met medeverdachten, heeft verdachte zijn recht om [medeverdachte 4] te horen prijsgegeven. Daarnaast zijn de verklaringen van [medeverdachte 4] onderdeel van het dossier, maar vormen zij niet in beslissende mate het bewijs tegen verdachte en zijn zij niet aan te merken als ‘sole or decisive’. Ook is het niet kunnen effectueren van het ondervragingsrecht van [medeverdachte 4] in voldoende mate gecompenseerd door het horen van deskundige Van Koppen. Alle door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen, als getuige en als verdachte, kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Verklaringen van [medeverdachte 4] Het hof stelt vast dat [medeverdachte 4] op verschillende momenten door de politie is verhoord: als getuige en als verdachte. Deze verklaringen zijn belastend voor verdachte. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is het verzoek van de verdediging toegewezen om [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris/raadsheer-commissaris als getuige te laten horen. In eerste aanleg heeft [medeverdachte 4] één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en in hoger beroep heeft [medeverdachte 4] zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. Dit betekent dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, tot op heden geen reële en effectieve gelegenheid heeft gehad om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] te toetsen. Anders dan de verdediging, is het hof – zoals hieronder nader wordt onderbouwd – van oordeel dat het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid in deze zaak niet meebrengt dat de voor verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte 4] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. Ook niet wanneer ten aanzien van bepaalde feiten zou moeten worden geoordeeld dat een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaringen van [medeverdachte 4] . Gelet op het onder 2.1 overwogene gaat het hier overigens alleen om de als getuige (5 en 7 januari 2021) en de als verdachte (23, 24 en 25 februari 2021) afgelegde verklaringen van [medeverdachte 4] . Wettelijk kader De Hoge Raad heeft in 2013:BX5539 bepaald dat uit beslissingen van het EHRM (onder meer) kan worden afgeleid dat ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte, verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven. Daarnaast heeft de Hoge Raad in 2021:1418 overwogen en in 2022:86 herhaald, dat voor de beoordeling of in het geval van het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid met het gebruik van een getuigenverklaring wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie, een belangrijke beoordelingsfactor is. Daarnaast is ook de mogelijke aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren van belang voor de beoordeling, waarbij de verschillende beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er in dat geval compenserende factoren zijn. Toetsingskader Het gaat er hier dus om dat het kan zijn dat een verdachte het recht om een getuige (nader) te (doen) horen, heeft prijs gegeven ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen als op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte. Daarnaast gaat het er om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden kunnen bevestigen waarop de getuigenverklaring ziet. Van belang kunnen ook zijn verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige. Overwegingen van het hof Het hof overweegt in het licht van het voorgaande het volgende. (
  2. i)Er is inbreuk gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [medeverdachte 4] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen. [medeverdachte 4] heeft zich bij het verhoor bij de rechter- en raadsheer-commissaris vrijwel geheel beroepen op zijn verschoningsrecht en ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak aangegeven dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw te zullen doen vanwege de bedreigingen richting hem en zijn familie zoals die vanaf 18 april 2021 bestaan. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte direct of indirect achter het op 18 april 2021 aan de moeder van [medeverdachte 4] verstuurde dreigbericht zit. In dat bericht wordt onder meer gesproken over “de advocaten van alle verdachten”, wat een dreiging impliceert ook uit de richting van verdachte. Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte 10] verklaard dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat die jongen (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) de verklaringen ingetrokken had. Dat de dreiging nog steeds reëel is maakt het hof ook op uit het proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 4] van 9 februari 2024, waar de raadsheer-commissaris op grond van het bepaalde in artikel 190 lid 3 Sv de personalia van [medeverdachte 4] niet heeft opgenomen in het proces-verbaal. Het hof is dan ook van oordeel dat daarmee voldoende vast staat dat de bedreigingen, die [medeverdachte 4] ervan weerhouden te willen verklaren, door of vanuit de zijde van verdachte komen. Reeds daarom is het hof van oordeel dat verdachte zijn recht op het opnieuw horen van [medeverdachte 4] heeft prijsgegeven. (
  3. ii)Uit de regels die voortvloeien uit de Vidgen-jurisprudentie en de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat het gebruik van een in het vooronderzoek afgelegde verklaring afkomstig van een niet-ondervraagde getuige onverenigbaar is met artikel 6 lid 3 EVRM indien die verklaring niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring. Naar het oordeel van het hof is het gewicht van de verklaringen van [medeverdachte 4] , binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit niet dusdanig groot dat die verklaringen van [medeverdachte 4] aan te merken zijn als ‘sole or decisive’. Het hof overweegt hieromtrent dat de verklaringen van [medeverdachte 4] steun vinden in verschillende objectieve gegevens, waaronder de ANPR-gegevens van de bewegingen van auto’s zoals bijvoorbeeld die van [medeverdachte 4] zelf, maar ook van de auto van [naam 1] in de zaak Rosmalen, de locatiegegevens van telefoons van medeverdachten, verklaringen van derden en de vastgestelde betrokkenheid van medeverdachten. Bovendien, zoals hieronder in de bewijsoverwegingen aan de orde zal komen, is er in de afzonderlijke onderzoeken ander bewijs aanwezig op basis waarvan het hof later zal oordelen dat verdachte de opdrachtgever is geweest van de aanslagen. Desalniettemin moet het hof bezien of sprake is van voldoende compenserende factoren om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen. Naar het oordeel van het hof bestaan de volgende compenserende factoren: ‒ het proces-verbaal van bevindingen over de WOD-actie opgemaakt door de A- en B-nummers, waarbij schriftelijk is gereageerd op de vragen van de raadslieden; ‒ de processen-verbaal opgemaakt door de officier van justitie en de rechercheofficier van justitie over de WOD-actie; ‒ de verhoren bij de rechter-commissaris van alle politiemensen die bij de WOD-actie betrokken zijn geweest (A-nummers, B-nummers en OT-nummers); ‒ de verhoren bij de raadsheer-commissaris van vier politiemensen die bij de WODactie betrokken zijn geweest (A-nummers); ‒ de verhoren van [medeverdachte 4] als getuige zijn auditief vastgelegd en konden door de verdediging worden beluisterd; ‒ de verhoren van medeverdachten bij de rechter- en raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige; ‒ de verhoren bij de rechter-commissaris van getuigen die voor verdachte belastend hebben verklaard bij de politie (zoals [naam 1] en [naam 2] ); ‒ prof. dr. Van Koppen is op verzoek van de verdediging als deskundige benoemd en heeft een rapport over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 4] opgemaakt; ‒ de rechtbank heeft ambtshalve een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [medeverdachte 4] zoals hij deze ter terechtzitting heeft afgelegd en deze ambtshalve aan het dossier van verdachte toegevoegd; ‒ naar aanleiding van die verklaring heeft de rechtbank prof. dr. Van Koppen aanvullend laten rapporteren waarbij ook enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord, waarna deze aanvullende rapportage ambtshalve aan het dossier van verdachte is toegevoegd; ‒ de verdediging heeft de mogelijkheid gehad om prof. dr. Van Koppen ter terechtzitting als deskundige (nader) te bevragen en daarvan gebruik gemaakt; ‒ het hof heeft op verzoek van de verdediging een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [medeverdachte 4] zoals hij deze ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, deze aan de verdediging verstrekt en de verdediging de gelegenheid gegeven om zich daarover uit te laten ter terechtzitting en ‒ het feit dat de rechtbank ambtshalve heeft beslist dat alle raadslieden bij alle getuigenverhoren door de rechter-commissaris aanwezig konden zijn, ook als zij daar niet zelf om hadden verzocht, geldt als extra procedurele waarborg. Wanneer al de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren (de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, het gewicht van de verklaringen en het bestaan van compenserende factoren) in onderling verband worden bezien, komt het hof tot de slotsom dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen reële en effectieve ondervragingsmogelijkheid ten aanzien van [medeverdachte 4] heeft gehad, niet eraan in de weg staat dat zijn verklaringen bij de politie afgelegd als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Conclusie Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van [medeverdachte 4] voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder dat het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden. 2.3. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] (Panter 1) Het hof concludeert dat [medeverdachte 4] op verschillende momenten (als getuige en als verdachte) verklaringen heeft afgelegd waarin hij zichzelf, [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 3] heeft belast. Het gaat om de verklaringen van: 5 en 7 januari 2021 (als getuige); 23, 24 en 25 februari 2021 (als verdachte). Het hof is van oordeel dat de hier genoemde verklaringen van [medeverdachte 4] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De verklaringen zijn in de kern gelijkluidend en vinden op diverse punten bevestiging in objectieve onderzoeksresultaten. Het hof zal daar bij het bespreken van de afzonderlijke zaaksdossiers dieper op ingaan. Naast de objectieve onderzoeksresultaten wijst het hof ook op het rapport en het aanvullende rapport van prof. dr. Van Koppen (hierna te noemen de deskundige) die op verzoek van de verdediging vanuit rechtspsychologisch perspectief onderzoek heeft gedaan naar de validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Daaruit komt onder meer naar voren dat bij de verklaringen die [medeverdachte 4] als getuige en als verdachte heeft afgelegd de manier van vragen stellen goed was. De manier waarop [medeverdachte 4] zijn verhalen vertelde komt overeen met de manier waarop het menselijk geheugen pleegt te werken: sommige dingen weten we zeker, over sommige dingen zijn we onzeker en van sommige dingen weten we zeker dat we ze niet weten. Volgens de deskundige is voorts van belang dat [medeverdachte 4] ook regelmatig details weet te benoemen die de validiteit van zijn verhaal ondersteunen. Op de beschreven manier tonen de verklaringen van [medeverdachte 4] in januari en februari zich volgens de deskundige als verklaringen die valide zijn. De deskundige merkt ook op dat verklaringen die zich valide tonen, niet valide hoeven te zijn. In dit verband verwijst de deskundige naar de omstandigheid dat - gelet op de gebrekkige verslaglegging van de WOD-actie - niet vastgesteld kan worden of de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaring op 29 december 2020 in het busje van invloed is geweest op de latere verklaringen. Volgens de deskundige kan die invloed niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Hoewel het hof die invloed ook niet kan uitsluiten en hiervoor reeds heeft overwogen dat het hof de verklaring die is afgelegd in het busje niet zal gebruiken vanwege de gebrekkige verslaglegging, ziet het hof ook geen aanwijzingen voor een dergelijke invloed. Hierbij speelt mee dat [medeverdachte 4] op enig moment onder meer heeft verklaard over de betrokkenheid van hemzelf en (onder meer) verdachte bij een aanslag in Zaandam (onderzoek Navigator), die losstaat van [fruitbedrijf] en die bij het politieteam nog niet in beeld was en steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verklaringen van [medeverdachte 4] kunnen niet gevoed zijn door vragen van de opsporingsambtenaren in de WOD-actie, maar moeten uit zijn eigen geheugen voortkomen. Het hof heeft geen reden aan te nemen dat dit anders is voor de overige gedeeltes van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Integendeel: het hof ziet in de verklaring van [medeverdachte 4] over zijn betrokkenheid bij een aanslag in Zaandam en ook in de door deskundige Van Koppen benoemde punten die vóór de validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 4] pleiten concrete steun voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Dit alles maakt dat het hof de eerder genoemde verklaringen van [medeverdachte 4] als betrouwbaar aanmerkt. Wat betreft de verklaringen van [medeverdachte 4] van 17 en 18 mei 2021 overweegt het hof nog het volgende. Dat [medeverdachte 4] op 17 en 18 mei 2021 heeft verklaard dat alles wat hij eerder had gezegd gelogen was en zich verder op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt niet dat zijn eerdere verklaringen daadwerkelijk feitelijk onjuist of onvolledig zijn. Reden voor zijn latere opstelling was volgens [medeverdachte 4] zelf een aan zijn moeder gerichte dreig-sms van 18 april 2021 met een ultimatum aan [medeverdachte 4] om zijn verklaring in te trekken omdat het leven voor hem en zijn familie anders een hel zou worden. Het hof acht het aannemelijk dat deze sms - gelet op de inhoud afkomstig van de dader(
  4. s)van de aanslagen - voor [medeverdachte 4] reden is geweest om zijn proceshouding aan te passen en zich vanaf dat moment als verdachte op zijn zwijgrecht en als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen. Iets wat [medeverdachte 4] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak ook heeft verklaard. Het hof hecht om die reden geen waarde aan de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij alles wat hij eerder had verklaard, heeft gelogen. 2.4. Getuigenverzoek met betrekking tot journalist [naam 28] Namens verdachte is het (voorwaardelijke) verzoek gedaan dat ertoe strekt dat journalist [naam 28] (opnieuw) wordt gehoord als getuige. Dit verzoek is gedaan onder de voorwaarden dat het hof tot een bewezenverklaring komt en een verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] gebruikt voor het bewijs voor die bewezenverklaring. Ter onderbouwing van het getuigenverzoek is onder meer aangevoerd dat de raadsheer-commissaris tijdens het getuigenverhoor van 11 september 2024 het verschoningsrecht van journalist [naam 28] te ruim heeft uitgelegd. De raadsheer-commissaris heeft het toegestaan dat journalist [naam 28] zich in essentie bij alle gestelde vragen heeft verschoond van de beantwoording daarvan, terwijl daar ook vragen tussen zaten die niet onder het verschoningsrecht vallen. Zoals hieronder zal blijken komt het hof tot een bewezenverklaring en gebruikt het hof een verklaring van [medeverdachte 4] voor het bewijs. De gestelde voorwaarden worden dus vervuld, waardoor het hof op het getuigenverzoek zal beslissen. Het hof wijst het getuigenverzoek af en onderbouwt deze beslissing als volgt. Bij de beoordeling van het getuigenverzoek heeft het hof onder meer gelet op artikel 218a Sv. Dat artikel, dat onder meer over het journalistieke verschoningsrecht gaat, luidt als volgt. “1. Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens. 2. De rechter-commissaris kan het beroep van de getuige, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien hij oordeelt dat bij het onbeantwoord blijven van vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.” [naam 28] is een journalist die een boek (‘ [titel] ’) heeft uitgebracht over de poging tot afpersing van [fruitbedrijf] . Dat boek gaat dus onder meer over misdrijven die in deze strafzaak tegen verdachte op de tenlastelegging staan. In het boek van journalist [naam 28] wordt onder meer ingegaan op de WOD-actie tegen medeverdachte [medeverdachte 4] . Het getuigenverzoek betreft in het bijzonder een fragment uit dat boek waarin wordt gesteld dat undercoveragenten tegenover een politiecollega uitspraken hebben gedaan over bedreigingen die door hen bij de WOD-actie zijn geuit tegenover medeverdachte [medeverdachte 4] . In de regiefase van dit strafproces is namens verdachte al initiatief genomen tot een ondervraging van journalist [naam 28] . Als gevolg daarvan heeft het hof bij tussenarrest van 14 maart 2024 de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris, met de volgende opdracht. “Het hof stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris met de volgende (halfopen) opdracht, waarbij af te nemen getuigenverhoren dienen plaats te vinden in onderstaande volgorde. 1. Journalist [naam 28] horen als getuige Eerst dient journalist [naam 28] te worden gehoord als getuige. Dit getuigenverhoor strekt er onder meer toe dat de raadsheer-commissaris onderzoekt wat de mogelijkheden zijn om de bron van journalist [naam 28] te horen als getuige. Op dit moment is niet bekend wie de bron van journalist [naam 28] is en kan die persoon dus niet worden gehoord. De raadsheer-commissaris dient journalist [naam 28] te vragen naar de bereidheid van zijn bron om te worden gehoord als getuige (eventueel op een zodanige wijze dat de identiteit van de bron verborgen wordt gehouden voor anderen dan de raadsheer-commissaris). 2. De bron van [naam 28] horen als getuige Indien de raadsheer-commissaris naar aanleiding van het verhoor van journalist [naam 28] van oordeel is dat er voldoende informatie is over de identiteit van de bron van journalist [naam 28] om die persoon te kunnen oproepen voor een getuigenverhoor, kan de raadsheer-commissaris beslissen dat die persoon vervolgens wordt gehoord als getuige. Het is ter beoordeling van de raadsheer-commissaris op welke wijze dit getuigenverhoor zal plaatsvinden. 3. WOD-agenten A-4341, A-4342, A-4343 en A-4344 horen als getuige Tot slot dienen de vier genoemde WOD-agenten te worden gehoord als getuige.” Naar aanleiding van deze opdracht is journalist [naam 28] op 11 september 2024 bij de raadsheer-commissaris gehoord als getuige. Tijdens dat verhoor heeft journalist [naam 28] zich (met toestemming van de raadsheer-commissaris) verschoond van de beantwoording van onder meer de volgende vragen. ‒ Moet het citaat in het onderhavige fragment van het boek zo worden geïnterpreteerd dat de bron van journalist [naam 28] tegen [naam 28] heeft gezegd dat één van de undercoveragenten heeft gezegd dat gepast geweld een eufemisme is en dat het dus gaat om een indirect citaat? ‒ Heeft [naam 28] de informatie van zijn bron (direct of indirect) gecheckt? ‒ Heeft de bron aan [naam 28] verteld waarom diegene contact heeft opgenomen met [naam 28] ? ‒ Ziet de bron zichzelf als klokkenluider? ‒ Hoe heeft [naam 28] de keuze gemaakt wat wel en niet in zijn boek is opgenomen (het hof begrijpt: in verband met de informatie die [naam 28] heeft verkregen van de onderhavige bron)? ‒ Wat heeft [naam 28] gehoord over de manier waarop [medeverdachte 4] met de dood is bedreigd. Daarnaast heeft journalist [naam 28] zonder toestemming van de raadsheer-commissaris geen antwoord willen geven op de vraag of één bron voor journalist [naam 28] voldoende is om iets te publiceren of te schrijven. Op 18 oktober 2024 zijn vervolgens WOD-agenten A-4341, A-4342, A-4343 en A-4344 bij de raadsheer-commissaris gehoord als getuige. Op basis van het voorgaande overweegt het hof het volgende. Het fragment van het boek van journalist [naam 28] houdt in dat [naam 28] een bron heeft die informatie heeft over de mate van druk die op [medeverdachte 4] is uitgeoefend bij de WOD-actie van 29 december 2020. Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat verdachte belang heeft bij een ondervraging van die bron van journalist [naam 28] . De identiteit van die bron is echter niet bekend, waardoor die persoon niet kan worden gehoord. De relevantie van een (nieuwe) ondervraging van [naam 28] zou erin gelegen zijn dat [naam 28] informatie kan verstrekken over de identiteit van die bron. Uit het getuigenverhoor van 11 september 2024 blijkt echter dat journalist [naam 28] daartoe niet bereid is. Naar het oordeel van het hof komt journalist [naam 28] op dat punt het verschoningsrecht toe. Datzelfde geldt voor andere vragen waarvan de beantwoording eraan zou kunnen bijdragen dat de identiteit van de bron van journalist [naam 28] bekend wordt bij de deelnemers aan het strafproces. Mede gelet op de onderbouwing van het getuigenverzoek en de vragen die gesteld zijn tijdens het getuigenverhoor van 11 september 2024 is het hof niet gebleken dat de verdediging vragen wil stellen aan journalist [naam 28] die niet vallen onder het journalistieke verschoningsrecht en waarvan de beantwoording noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Concluderend is het hof van oordeel dat, voor zover de verdediging aan journalist [naam 28] vragen wil stellen die niet vallen onder het (journalistieke) verschoningsrecht van [naam 28] , een (nader) getuigenverhoor van journalist [naam 28] niet noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek. 3Bewijsoverwegingen 3.1. Inleiding Poging(
  5. en)tot afpersing van [fruitbedrijf] (Maldiven en Panter) De tenlastelegging betreft grotendeels feiten die deel uitmaken van een langdurige poging tot afpersing van [fruitbedrijf] (hierna: [fruitbedrijf] ). Over die feiten gaan de politieonderzoeken Maldiven, Panter 1, Panter 2 en Panter 3. Op 21 mei 2019 trof een medewerker van [fruitbedrijf] in een container met bananen een verdacht pakket aan. Daarop heeft [fruitbedrijf] de politie gebeld. Het bleek te gaan om een partij cocaïne van ongeveer 400 kilogram. In de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 ontving (één van de directeuren van) [fruitbedrijf] een reeks dreigende berichten met de strekking dat [fruitbedrijf] een geldbedrag of bitcoins moet betalen ter vergoeding van de schade die is geleden door het verlies van de partij cocaïne. Over deze dreigberichten gaat het politieonderzoek Maldiven. In het kader van het onderzoek Maldiven is een personeelslijst van [fruitbedrijf] in het dossier gevoegd, met daarop namen en woonadressen van medewerkers en ex-medewerkers van het bedrijf. [verdachte] beschikte over die personeelslijst. Op verschillende adressen vermeld op die personeelslijst is vervolgens één of meer aanslagen gepleegd. Politieonderzoek Panter 1 gaat onder meer over zeven woningaanslagen, gepleegd in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 25 november 2020, en over twee verijdelde woningaanslagen op hetzelfde adres in Hilversum in december 2020. Verder gaat Panter 1 over een volgende reeks dreigberichten, verstuurd in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021, waarin wordt verwezen naar die woningaanslagen. Die aanslagen vonden plaats op een adres dat voorkomt op de personeelslijst of bij de woning van een familielid van de directeuren van [fruitbedrijf] . Politieonderzoek Panter 2 gaat over vijf woningaanslagen die zijn gepleegd in de periode van 2 mei 2021 tot en met 5 juni 2021. De aanslagen vonden plaats op een adres dat voorkomt op de personeelslijst, of nabij een adres op de personeelslijst waarbij dat adres op de personeelslijst kennelijk het beoogde doelwit was. Politieonderzoek Panter 3 gaat over een incident op 2 mei 2021 bij een woning op een adres dat voorkomt op de personeelslijst van [fruitbedrijf] . Waar [verdachte] ten laste is gelegd dat hij betrokken is geweest bij woningaanslagen, wordt hem verweten dat hij daarvan de opdrachtgever (oftewel uitlokker) is geweest. De aanslagen zijn door anderen uitgevoerd. Woningaanslag in Zaandam (Navigator) Daarnaast betreft de tenlastelegging een woningaanslag in Zaandam, die plaatsvond op 22 september 2020 (parketnummer 05/780039-21A, feit 1). Daarover gaat het politieonderzoek Navigator. Dit incident staat los van de poging tot afpersing van [fruitbedrijf] . Mortierbommen/shells Bij een aantal aanslagen is een ontploffing teweeggebracht door middel van een mortierbom (ook wel ‘shell’ genoemd). Een mortierbom bestaat uit een onderdeel met uitstootlading en een onderdeel met effect- en/of breeklading. De uitstootlading is bedoeld om het onderdeel met effect- en/of breeklading de lucht in te schieten. Het hof leidt hieruit af dat het aansteken van een mortierbom in beginsel leidt tot twee explosies, doordat eerst de uitstootlading ontploft en daarna de effect- en/of breeklading. Mortierbommen van 2,5 inch en groter kunnen botbreuken veroorzaken. Als een persoon aan het hoofd geraakt wordt, kan dodelijk letsel optreden. Het ontsteken van een mortierbom zonder gebruik te maken van een mortier zal tot gevolg hebben dat de mortierbom op de grond tot ontploffing komt. Afhankelijk van het kaliber van de mortierbom zullen de brandende delen en andere fragmenten tientallen tot enkele honderden meters worden weggeslingerd vanaf het centrum van de explosie. Mortierbommen zijn doorgaans voorzien van een krachtige breek- en/of knallading. Personen en objecten in de nabijheid van een dergelijke ontploffing lopen gevaar voor letsel en schade. De ernst van het letsel is afhankelijk van de plaats van treffen, de afstand tot het lichaamsdeel en het kaliber van de mortierbom. Als de breek- of knallading van een mortierbom ontploft in de onmiddellijke nabijheid van het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon kan ernstig letsel ontstaan. Afhankelijk van de exacte plaats van treffen en het kaliber van de mortierbom kan dit letsel dodelijk zijn. Verder ontstaat op grotere afstand – afhankelijk van het kaliber en de afstand – gevaar voor onder meer gehoorbeschadiging en oogletsel. 3.2. Bewijsoverwegingen Maldiven (parketnummer 05/880702-19) 3.2.1. Standpunt van het OM Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder dit parketnummer tenlastegelegde. Volgens het openbaar ministerie is er voldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte heeft geprobeerd (kort gezegd) [fruitbedrijf] af te persen en daarbij degene is die de sms-berichten heeft verstuurd. 3.2.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de feiten verschillende (bewijs)verweren gevoerd en geconcludeerd dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Waar nodig zal het hof op die verweren hieronder ingaan. 3.2.3. Oordeel van het hof [slachtoffer 1] en zijn broer [slachtoffer 2] waren ten tijde van het tenlastegelegde beiden directeur van [fruitbedrijf] . [slachtoffer 1] gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( [telefoonnummer 1] ). 3.2.3.1. Poging tot afpersing 1 (26-30 mei 2019): onvoltooide geldoverdracht in Zaltbommel 26 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 2] Op 26 mei 2019 omstreeks 18.30 uur ontving [slachtoffer 1] het volgende sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 2] ( [telefoonnummer 2] ). BESTE [slachtoffer 1] , BIJ DEZE LATEN WIJ JOU WETEN DAT WE JOU EN BEN PERSOONLIJK AANSPRAKELIJK STELLEN VOOR HET VERLIES VAN ONZE HANDEL. JULLIE KRIJGEN EEN BOETE VAN 1,2 MILJOEN EURO. WIJ WETEN INMIDDELS VEEL OVER JULLIE FAMILIE. JE KRIJGT 3 DAGEN DE TIJD OM TE BESLISSEN. ALS ER NIET BETAALD WORDT ZULLEN WIJ OP KORTE TERMIJN EEN WILLEKEURIGE MEDEWERKER VAN [fruitbedrijf] LIQUIDEREN. NA ELKE AANSLAG VERHOGEN WE DE BOETE MET 150DUIZEND EURO. INDIEN WIJ MERKEN DAT JE DE POLITIE INLICHT ZULLEN WE DAT MET EXTREEM GEWELD BEANTWOORDEN. WIJ HEBBEN EEN HELE LANGE ADEM, EN DE POLITIE ZAL JE NIET EEUWIG BEWAKEN. DIT TOESTEL WORDT OM 18.50 VERNIETIGD. WOENSDAGAVOND SMSEN WIJ JOU MET EEN ANDER NR EN DAN KAN JE JULLIE BESLISSING SMSEN. 29 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 3] Op 29 mei 2019 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) een sms-bericht van telefoonnummer [telefoonnummer 3] ( [telefoonnummer 3] ). Dat bericht vormde het begin van de volgende berichtenwisseling. Tijdstip Afzender Bericht 15.20 uur [telefoonnummer 3] JE HEBT 18MIN OM PER SMS TE REAGEREN. GA JE BETALEN? 15.24 [slachtoffer 1] We willen dit oplossen, hoe moeten we dit doen? 15.35 [telefoonnummer 3] BETAAL JE? 15.37 [slachtoffer 1] Hoe moeten we dat doen dan? (...) 15.40 [telefoonnummer 3] MORGEN KRIJG JE VERDERE INSTRUCTIES. DIT TOESTEL WORDT NU VERNIETIGD 15.42 [slachtoffer 1] Ja ik begrijp dat hoe houden we contact 15.44 [slachtoffer 1] We hebben 150.000 euro liggen ik wil hier vanaf 15.46 [telefoonnummer 3] MORGEN BENADER IK JE 15.49 [slachtoffer 1] Oké hoe laat. Ik kan niet hele dag wachten hierop. Ik ben onderweg morgen 15:53:19 [slachtoffer 1] Ik lever vandaag het geld 15:53:38 [slachtoffer 1] Liever vandaag (...) 15.57 [slachtoffer 1] Laat me iets weten 16.23 [slachtoffer 1] Ik begrijp dat je nu geen interesse hebt in 150.000. Om 18.00 uur moet we het afstortten en hebben het niet meer. 29-30 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 4] en de (onvoltooide) geldoverdracht Op 29 mei 2019 ontving [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) een sms-bericht van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] ( [telefoonnummer 4] ). Dat bericht vormde het begin van de volgende berichtenwisseling. Tijdstip Afzender Bericht 29 mei 2019 18.25 uur [telefoonnummer 4] jullie betalen 150 duizend en wij gebruiken eenmalg jullie route voor 900kilo. hebben we een deal? 18.34 [telefoonnummer 4] 8min dan gaat dit toestel uit 18.41 [slachtoffer 1] Ik wil bellen met je 18.44 [telefoonnummer 4] als je ons naait, zet je het leven van je dochter in, bellen gaat niet 18.57 [slachtoffer 1] 150000 is oké! Met dat ander wil ik niets te maken hebben! 19.17 [telefoonnummer 4] kom het geld morgen naar amsterdam brengen , akkoord? 19.22 [slachtoffer 1] 150.000 euro vanavond, ik wil dat het klaar is 19.24 [telefoonnummer 4] morgen, ik stuur een junkie om het te halen 19:32:00 [telefoonnummer 4] Je moet wel lang nadenken he 19:32:32 [slachtoffer 1] Vanavond! En anders pas maandag, ik ben het hemelvaartsweekend weg 19.40 [telefoonnummer 4] ik contacteer je rond 22uur dan stuur ik ze naar je toe 19.43 [slachtoffer 1] Niet naar mijn huis, ik zoek nu even een plek 19:46:40 [slachtoffer 1] Van der Valk Zaltbommel is in de buurt 19:46:41 [telefoonnummer 4] locatie krijg je vanavond, als ze in de val lopen lig ik er niet wakker van, maar jullie wel, 20.36 [telefoonnummer 4] rond 23,15 staat er iemand bij de afgesproken plek 20.42 [slachtoffer 1] Dan zorg ik dat het geld in Zaltbommel is 20.46 [telefoonnummer 4] niet praten met die persoon’, geld afgeven en weggaan, zij weten niet waar het geld van is 20.49 [slachtoffer 1] Ik zet daar een auto van de zaak neer met de deuren open en het geld op de achterbank (...) 22.58 [slachtoffer 1] De auto staat eral (...) 22.59 [telefoonnummer 4] stuur mij het kenteken 23:01:25 [slachtoffer 1] [kenteken 1] 21:01:55 [slachtoffer 1] Staat naast de valk bij [bedrijf] 23.02 [slachtoffer 1] De valk was druk 23.04 [telefoonnummer 4] jij bent niet de persoon die deze auto bracht, wie was dat? 23.05 [slachtoffer 1] Klopt, was een vriend van me 23.07 [telefoonnummer 4] je hebt een probleem 23.08 [slachtoffer 1] Waarom? Ik heb me aan de afspraak gehouden, geld ligt erin 23.10 [telefoonnummer 4] er is recherche (...) 23.13 [slachtoffer 1] Ik heb me aan de afspraak gehouden, hoe serieus neem je mij? 23.15 [telefoonnummer 4] je kent de gevolgen, parkeer voor de ingang van valk 23.16 [slachtoffer 1] Ik ben daar niet, auto staat er echt en hij is open 23.21 [telefoonnummer 4] geregeld, ze zijn er met een ruim half uur (...) 23.33 [telefoonnummer 4] laat ze de auto nu voor valk parkeren 23.36 [slachtoffer 1] Jij wilde toch geen contact? Ik ook niet, de auto staat daar gewoon naast de Valk 23.38 [telefoonnummer 4] ze gaan je bellen als ze er bijna zijn (...) 30 mei 2019 00.16 [telefoonnummer 4] ze kunnen er elk moment zijn (...) 00.28 [slachtoffer 1] Waar blijft hij? 00.38 [telefoonnummer 4] ze vertrouwen het niet dus gaat niet door vandaag 00.41 [slachtoffer 1] Nou dan niet, dan laat ik de auto ophalen (...) 00.43 [telefoonnummer 4] doe dat je krijgt rekeoing [het hof begrijpt: rekening] waar je op mag storten mogen Op 30 mei 2019 omstreeks 00.05 uur reed een groene bestelauto met het kenteken [kenteken 2] een parkeerplaats van het Van der Valk-hotel in Zaltbommel op. De bestuurder van de auto was een vrouw, de bijrijder een man. Het voertuig scheen met de koplampverlichting in de richting van de ter plaatse aanwezige ambtenaren van de marechaussee. Een van de ambtenaren had oogcontact met de bijrijder. Het voertuig reed van de parkeerplaats af en reed weg. De auto met het kenteken [kenteken 2] werd uiteindelijk geparkeerd op de [straat 3] in Hilversum ter hoogte van perceel [huisnummer E] . Op 29 en 30 mei 2019 vond de volgende sms-berichtenwisseling plaats tussen de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] ( [telefoonnummer 5] ). Tijdstip Afzender Bericht 29 mei 2019 23.25 uur [telefoonnummer 4] sms als jullie bij hotel zijn (...) 23.30 [telefoonnummer 4] [kenteken 1] dat is kenteken 23.36 [telefoonnummer 4] [telefoonnummer 1] bel dit nr als je er bijna bent (...) 30 mei 2019 00.25 uur [telefoonnummer 5] Sorry ik kon het niet!!! Ik ben al op de terug weg ! Op 30 mei 2019 omstreeks 00.00 uur werd met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] telefonisch contact opgenomen met [slachtoffer 1] . De gebruiker van [telefoonnummer 5] zei in dat gesprek onder meer: ‘ik moest jou bellen als ik er bijna was’. Het telefoonnummer [telefoonnummer 5] stond op naam van [naam 4] , die stond ingeschreven op het adres [straat 3 huisnummer E] in Hilversum. [naam 4] (het hof begrijpt: [naam 4] ) was in die periode de vriendin van [naam 5] . [naam 5] heeft verklaard dat iemand hem had verzocht om tegen betaling ergens heen te rijden om geld op te halen. Op 29 mei 2019 zei [naam 5] tegen [naam 4] dat zij mee moest om wat op te halen. [naam 5] moest naar het Van der Valk-hotel in Zaltbommel rijden om geld op te halen. Hij en [naam 4] zaten samen in de auto. In de auto heeft [naam 5] via de telefoon van [naam 4] contact gehad met de persoon die hem had gevraagd geld op te halen. Tussenconclusies Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende tussenconclusies. In de periode van 26 mei 2019 tot en met 30 mei 2019 is een (eerste) poging gedaan tot afpersing van (kort gezegd) [slachtoffer 1] . De afperser heeft geprobeerd door middel van dreigende sms-berichten [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag. De dreigberichten naar [slachtoffer 1] zijn verstuurd door middel van verschillende telefoonnummers, maar afkomstig van dezelfde afperser. Dit oordeel baseert het hof op de overweging dat die berichten een samenhangend geheel vormen. Zo deed [slachtoffer 1] op 29 mei 2019 in een bericht aan telefoonnummer [telefoonnummer 3] het voorstel om een geldbedrag van € 150.000,- te betalen en werd vervolgens op dat voorstel gereageerd door middel van telefoonnummer [telefoonnummer 4] . De afperser en [slachtoffer 1] hadden afgesproken dat de geldoverdracht zou plaatsvinden op 29 mei 2019 om 23.15 uur bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel. [naam 5] en [naam 4] zijn met de auto naar dat hotel gereden en kwamen daar aan op 30 mei 2019 omstreeks 00.05 uur. [naam 4] bestuurde de auto en [naam 5] had door middel van de telefoon van [naam 4] contact met zowel de afperser als met [slachtoffer 1] . [naam 5] was door de afperser gevraagd om naar het Van der Valk-hotel te rijden om daar geld op te halen. Dit leidt het hof af uit het gegeven dat [naam 5] tijdens de autorit via de telefoon van [naam 4] contact heeft gehad met de afperser ( [telefoonnummer 4] ) en [naam 5] heeft verklaard in de auto via de telefoon van [naam 4] contact te hebben gehad met de persoon die hem had gevraagd geld op te halen. Kort nadat [naam 5] en [naam 4] de parkeerplaats bij het hotel waren opgereden, verlieten zij de parkeerplaats weer en reden zij weg van het hotel. De geldoverdracht heeft niet plaatsgevonden. 3.2.3.2. Contact tussen [verdachte] en [naam 5] [verdachte] heeft verklaard dat [naam 5] een goede vriend van hem is. Op 29 mei 2019 omstreeks 20.31 uur vond een WhatsApp-gesprek van drie minuten en dertien seconden plaats tussen [verdachte] en [naam 5] . [naam 5] heeft verklaard dat hij ‘die woensdag’ (het hof begrijpt: 29 mei 2019) omstreeks 23.00 uur klaar was met werken en dat [verdachte] hem toen met de auto heeft opgepikt en daarna heeft afgezet bij [naam 4] . [naam 5] heeft niet verklaard dat er naast hemzelf en [verdachte] nog een derde persoon in de auto zat. [naam 5] werkte bij restaurant [restaurant] , op het adres [adres] in Hilversum. Volgens Google Maps is de reisafstand met de auto tussen [restaurant] en de woning van [naam 4] ( [straat 3 huisnummer E] in Hilversum) ongeveer vijf minuten. Op 29 mei 2019 om 23:05:01 uur straalde de telefoon van [naam 4] (telefoonnummer [telefoonnummer 5] ) de zendmast aan bij het adres [adres 15] in Hilversum. Volgens Google Maps is de hemelsbrede afstand tussen dat adres en de woning van [naam 4] ( [straat 3 huisnummer E] in Hilversum) ongeveer 400 meter. Het hof leidt hieruit af dat de woning van [naam 4] gelegen is binnen het dekkingsgebied van die zendmast. De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 tussen 23.04:51 en 23:05:29 uur dezelfde zendmast aan bij het adres [adres 15] in Hilversum. Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies. [naam 5] , zijnde degene die op verzoek van de afperser naar het Van der Valk-hotel in Zaltbommel is gegaan om geld op te halen, is een bekende van [verdachte] . Het benaderen van [naam 5] met de vraag om geld op te halen bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel, heeft plaatsgevonden tussen 29 mei 2019 om 19.46 uur, zijnde het tijdstip waarop [slachtoffer 1] voorstelde om de geldoverdracht te laten plaatsvinden bij dat hotel, en 30 mei 2019 om 00.05 uur, zijnde het tijdstip waarop [naam 5] bij dat hotel aankwam. In dat tijdsbestek van ruim 4 uur heeft [verdachte] meermalen contact gehad met [naam 5] . Omstreeks 20.31 uur hebben [verdachte] en [naam 5] een telefoongesprek gevoerd en omstreeks 23.00 uur is [naam 5] door [verdachte] naar de woning van [naam 4] gebracht. Op 29 mei 2019 om 20.36 uur liet de afperser aan [slachtoffer 1] weten dat rond 23.15 uur iemand bij de afgesproken plek zou staan. Kort daarvoor, omstreeks 20.31 uur, had [verdachte] telefonisch contact met [naam 5] . Op 29 mei 2019 omstreeks 23.05 uur was [verdachte] bij de woning van [naam 4] om [naam 5] daar af te zetten. Die woning van [naam 4] bevindt zich in het dekkingsgebied van de zendmast bij het adres [adres 15] in Hilversum. De telefoon van de afperser bevond zich op dat tijdstip ook in het dekkingsgebied van die zendmast. 3.2.3.3. Poging tot afpersing 2 (30 mei 2019 – 3 juni 2019): onvoltooide bitcointransactie 30 mei 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 4] Op 30 mei 2019 had [slachtoffer 1] om 00.43 uur van de afperser het volgende bericht ontvangen. doe dat je krijgt rekeoing waar je op mag storten mogen 1 juni 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 6] Op 1 juni 2019 om 17.56 uur ontving [slachtoffer 1] de volgende sms-berichten van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] ( [telefoonnummer 6] ). Tijdstip Bericht 17.56:06 uur dag beste man je hebt het verpest, je gaat 1.5m betalen. je ontvangt maandag een bitcoin adres. dan heb je 3dagen om de eerste 20 bitcoins te betalen. Om 17.56:11 dat ik me altijd aan me woord hou zal ik je straffen voor je kunstje in zaltbommel. we hebben een leuke medewerker uitgekozen . ik hoop voor je dat het b 18.01 fijn weekend alvast 2 juni 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 7] Op 2 juni 2019 ontving [slachtoffer 1] de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 7] ( [telefoonnummer 7] ): Tijdstip Bericht 19.26 uur dit is je laatste kans en je hebt precies 10min om te reageren dan verdwijnt dit toestel in de sloot. betaal je morgen de bitcoins ja of nee? 19.31 je ontvangt morgen sowieso het bitcoin reknr wij stoppen onze aanslagen pas als de eerste 20 bitcoins ontvangen zijn 3 juni 2019: telefoonnummer [telefoonnummer 8] Op 3 juni 2019 ontving [slachtoffer 1] de volgende sms-berichten van telefoonnummer [telefoonnummer 8] ( [telefoonnummer 8] ): Tijdstip Bericht 09.50 uur Neem De Code Exact Over Inclusief Hoofdletters Die Je In Het Volgende Smsje Krijgt 09.53 [code] 10.13 Ik Dump Zo Dit Toestel, Zorg Dat Ik Uiterlijk Woensdag 20bitcoin Heb In Dat Account 10.17 We Nemen Vanaf Nu Ook Geen Contact Meer Op Totdat Je De Eerste Betaling Gedaan Hebt, Na Woensdag Krijg Je De Eerste Aanslag Als Er Niet Betaald Is Tussenconclusies Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies. In de periode van 30 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 is een tweede poging gedaan tot afpersing van [slachtoffer 1] . De afperser heeft geprobeerd door middel van dreigende sms-berichten [slachtoffer 1] te dwingen tot betaling van een aantal bitcoins. Deze tweede serie dreigberichten naar [slachtoffer 1] , die wederom met verschillende telefoonnummers zijn verstuurd, zijn afkomstig van dezelfde afperser als de eerste serie dreigberichten. Dit oordeel baseert het hof op de overweging dat de eerste en de tweede serie dreigberichten een samenhangend geheel vormen. Zo werd in een bericht van 1 juni 2019 verwezen naar wat daarvóór had plaatsgevonden in Zaltbommel, waarmee kennelijk werd gedoeld op de onvoltooide geldoverdracht tijdens de nacht van 29 op 30 mei 2019. De bitcointransactie heeft niet plaatsgevonden. 3.2.3.4. Bitcoinadres en contact tussen [verdachte] en [naam 6] Op 3 juni 2019 om 09.53 uur had [slachtoffer 1] van de afperser een bericht ontvangen waarin alleen het volgende bitcoinadres wordt genoemd. [code] Op 2 juni 2019 om 16.26 uur had [naam 6] een WhatsApp-bericht ontvangen met daarin datzelfde bitcoinadres, gevolgd door een QR-code die codeert voor dat bitcoinadres. [verdachte] heeft verklaard dat [naam 6] een vriend van hem is. Op 1, 2 en 3 juni 2019 hebben [verdachte] en [naam 6] via WhatsApp berichten naar elkaar gestuurd. Die berichtenwisseling bestond onder meer uit de volgende berichten. Tijdstip Afzender Bericht 3 juni 2019 15.03 uur [verdachte] Ga checken oké 15.10 [naam 6] Heb ik net gedaan nog niks [hof: gevolgd door emoji’s] 3.2.3.5. Locatiegegevens [verdachte] en telefoon van de afperser In dit onderdeel van het arrest bespreekt het hof (verschillende soorten) locatiegegevens van [verdachte] en de afperser. Ten eerste gaat het om zogenoemde historische verkeersgegevens van telefoons. Historische verkeersgegevens houden kort gezegd in dat een bepaalde telefoon op een bepaald tijdstip een bepaalde zendmast heeft aangestraald. Daaruit kan dus worden afgeleid dat die telefoon zich op dat tijdstip bevond in het dekkingsgebied van die zendmast. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van telefoonnummer [telefoonnummer 9] ( [telefoonnummer 9] ). Daarnaast gaat het om zogenoemde ANPR-registraties van de auto van [verdachte] . Uit een ANPR-registratie volgt dat een bepaalde auto op een bepaald tijdstip op een bepaalde locatie door een camera is geregistreerd. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van een Toyota Aygo met het kenteken [kenteken 3] . Uit het voorgaande blijkt dat [slachtoffer 1] op de volgende dagen sms-contact heeft gehad met de afperser: 26 mei 2019, 29 mei 2019, 30 mei 2019, 1 juni 2019, 2 juni 2019 en 3 juni 2019. Voor die dagen heeft de politie historische verkeersgegevens verkregen van zowel de telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 9] ) als de telefoon van de afperser, die gebruikmaakte van verschillende telefoonnummers. De door de politie verkregen historische verkeersgegevens zijn weergegeven in het rapport ‘Tijdlijn telecom’, dat vanaf pagina 1253 deel uitmaakt van politiedossier Maldiven. Naast historische verkeersgegevens zijn in dat rapport ook twee ANPR-registraties van de auto van [verdachte] verwerkt. Naast de twee ANPR-registraties die in het rapport worden genoemd, is de auto van [verdachte] op 29 mei 2019 om 15.39 uur door een ANPR-camera geregistreerd op de [straat] in Amsterdam-Duivendrecht. Wat betreft de locatiegegevens die betrekking hebben op de telefoon ( [telefoonnummer 9] ) of auto ( [kenteken 3] ) van [verdachte] , gaat het hof ervan uit dat [verdachte] op dat moment de gebruiker was van die telefoon of auto. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van aanwijzingen dat die telefoon of auto op een of meer onderzochte tijdstippen door iemand anders werd gebruikt. Over de verkregen locatiegegevens – dit betreft dus de historische verkeersgegevens en ANPR-registraties zoals genoemd in het genoemde rapport ‘Tijdlijn telecom’ plus de genoemde ANPR-registratie van 29 mei 2019 in Amsterdam-Duivendrecht – overweegt het hof in zijn algemeenheid het volgende. Voor alle dagen waarop de afperser en [slachtoffer 1] contact hebben gehad, geldt dat er geen enkel tijdstip is waarvoor geldt dat uit de locatiegegevens blijkt dat (de telefoon of auto van) [verdachte] niet op dezelfde locatie kan zijn geweest als de telefoon van de afperser. Het doet zich dus niet voor dat uit de locatiegegevens blijkt dat [verdachte] en de telefoon van de afperser op hetzelfde tijdstip op verschillende locaties waren of dat zij op verschillende tijdstippen op verschillende locaties waren waarbij de afstand tussen die locaties zodanig groot was dat die niet (met de auto) kon worden overbrugd in het tijdsbestek tussen die twee tijdstippen. Verder overweegt het hof over de verkregen locatiegegevens het volgende. 26 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 2] ) De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 2] ) straalde om op 26 mei 2019 om 18:48:49 uur de zendmast aan bij het adres [adres] in [plaats] . De telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 9] ) straalde om 18:49:01 uur diezelfde zendmast aan. Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 26 mei 2019 omstreeks 18.49 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de genoemde zendmast. 29 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 3] ) De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 3] ) straalde op 29 mei 2019 om 15:35:17 de zendmast aan bij het adres [adres] in Amsterdam-Duivendrecht. De auto van [verdachte] ( [kenteken 3] ) is op 29 mei 2019 om 15.39 uur door het ANPR-systeem geregistreerd op de [straat] in Amsterdam-Duivendrecht, twintig meter voorbij de [adres] , rijdend in de richting zuidwest. Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen het adres [adres] in Amsterdam-Duivendrecht en de locatie van de ANRP-registratie (hemelsbreed) ongeveer 450 meter. Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 15.35 - 15.39 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] in Amsterdam-Duivendrecht was. 29 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen: ‒ om 18:42:59 uur: [adres 16] in Hilversum; ‒ om 18:43:22 uur: [adres 17] in Hilversum. De auto van [verdachte] (kenteken [kenteken 3] ) is op 29 mei 2019 om 18.43 uur geregistreerd door een ANPR-camera bij het kruispunt van [adres] in Hilversum. Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen dat kruispunt in Hilversum en de adressen [adres 16] en [adres 17] (hemelsbreed) ongeveer 200 respectievelijk 50 meter. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 18.43 uur zowel de telefoon van de afperser als de auto van verdachte in Hilversum was. De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 om 19:26:22 uur de zendmast aan bij het adres bij [adres] in [plaats] . De telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 9] ) straalde om 19:27:29 uur diezelfde zendmast aan. Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 19.27 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de genoemde zendmast. De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 29 mei 2019 om 20:33:17 uur en om 20:50:41 uur de zendmast aan bij het adres [adres 18] in [plaats] , zijnde de zogenoemde thuismast van [verdachte] . Tussen die tijdstippen heeft die telefoon van de afperser geen andere zendmast aangestraald. De telefoon van [verdachte] straalde diezelfde zendmast aan op 29 mei 2019 om 20.23:06 uur en om 20.54:08 uur. Tussen die tijdstippen heeft de telefoon van [verdachte] geen andere zendmast aangestraald. De zendmast bij het adres [adres 18] in [plaats] was de zogenoemde thuismast van [verdachte] , oftewel de zendmast die door de telefoon van [verdachte] (telefoonnummer [telefoonnummer 9] ) het vaakst is aangestraald in de periode waarvoor historische verkeersgegevens zijn opgevraagd. [verdachte] woonde toen op het adres [adres] in [plaats] . Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen het adres [adres 18] in [plaats] en het genoemde woonadres van [verdachte] (hemelsbreed) ongeveer 310 meter. Het hof leidt hieruit af dat de woning van [verdachte] gelegen is binnen het dekkingsgebied van die zendmast. Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 tussen 20.33 en 20.50 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de zogenoemde thuismast van [verdachte] . De telefoon van de afperser was daarmee ook in de buurt van de woning van [verdachte] . 30 mei 2019 (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) De telefoon van de afperser (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ) straalde op 30 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen: ‒ 00:25:47 00:25:47 uur: [adres 18] in [plaats] (thuismast van [verdachte] ); ‒ 00:25:47 00:37:05 uur: [adres] in Muiderberg; ‒ 00:25:47 00:38:05 uur: [adres] in Muiden; ‒ 00:25:47 00:38:40 uur: [adres] in Muiden; ‒ 00:25:47 00:41:28 uur: [adres] in Diemen; ‒ 00:25:47 00:49:25 uur: [adres] in Diemen. Aan de hand van de kaart op pagina 1271 van politiedossier Maldiven, op welke kaart de locaties van de genoemde zendmasten zijn weergegeven, en informatie ontleend aan Google Maps, leidt het hof hieruit af dat de telefoon van de afperser tussen 00.37 en 00:41 uur over de A1 is vervoerd op het traject tussen [plaats] en Diemen (in de richting van Diemen) en dat die telefoon om 00.49 uur nog in Diemen was. De telefoon van [verdachte] straalde op 30 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen: ‒ 00:28:09 00:28:09 uur: [adres 18] in [plaats] (thuismast van [verdachte] ); ‒ 00:28:09 00:53:13 uur: [adres] in Muiden; ‒ 00:28:09 00:53:23 uur: [adres] in Muiden. Aan de hand van de kaart op pagina 1270 van politiedossier Maldiven, op welke kaart de locaties van de genoemde zendmasten zijn weergegeven, en informatie ontleend aan Google Maps, leidt het hof hieruit af dat de telefoon van de afperser omstreeks 00:53 uur over de A1 is vervoerd op het traject tussen Diemen en [plaats] in de richting van [plaats] . Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser over de A1 heeft gereden of werd vervoerd op het traject tussen [plaats] en Diemen. Naar het oordeel van het hof zijn deze reisbewegingen van [verdachte] en de telefoon van de afperser verenigbaar met het scenario waarin [verdachte] de telefoon van de afperser heeft vervoerd en tussen 00.37 en 00.41 uur van Muiderberg naar Diemen is gereisd en vervolgens tussen 00.49 en 00.53 uur van Diemen naar Muiden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat volgens Google Maps de reistijd voor het traject over de A1 tussen de genoemde zendmasten bij de [adres] in Diemen en de [adres] in Muiden vier minuten is. Tussenconclusies Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies. Voor alle zes de dagen waarop de afperser en [slachtoffer 1] telefonisch contact hebben gehad, geldt dat er geen enkel tijdstip is waarvoor geldt dat uit de verkregen locatiegegevens kan worden afgeleid dat [verdachte] niet op dezelfde locatie kan zijn geweest als de telefoon van de afperser. Op een aantal dagen waren [verdachte] en de telefoon van de afperser min of meer tegelijkertijd aanwezig in het dekkingsgebied van een bepaalde zendmast. Dit geldt voor: 26 mei 2019 omstreeks 18.49 uur: de zendmast bij het adres [adres] in [plaats] ; 29 mei 2019 omstreeks 19.27 uur: de zendmast bij het adres [adres] in [plaats] ; 29 mei 2019 tussen 20.33 en 20.50 uur: de zogenoemde thuismast van [verdachte] ( [adres 18] in [plaats] ); 30 mei 2019 omstreeks 00.28 uur: de thuismast van [verdachte] . Op de volgende dagen waren [verdachte] en de telefoon van de afperser min of meer tegelijkertijd aanwezig op een locatie die op enige afstand is gelegen van de woonplaats van verdachte. Op 29 mei 2019 omstreeks 15.35-15.39 uur was zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser in Amsterdam-Duivendrecht. Op 29 mei 2019 omstreeks 18.43 uur was zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser in Hilversum. Op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur bevond zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser zich op de A1 op het traject tussen [plaats] en Diemen. Zoals eerder geconcludeerd bevonden [verdachte] en de telefoon van de afperser zich ook op 29 mei 2019 omstreeks 23.05 uur min of meer tegelijkertijd in het dekkingsgebied van een bepaalde zendmast, namelijk de zendmast bij het adres [adres 15] in Hilversum. Het hof is van oordeel dat deze tussenconclusies, bezien in onderlinge samenhang, een sterke aanwijzing vormen dat [verdachte] de gebruiker was van de telefoon die gebruikt werd voor het afpersen van [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van het hof is dat samenstel van tussenconclusies namelijk veel waarschijnlijker in het scenario waarin [verdachte] telkens de gebruiker was van die telefoon dan in het scenario waarin iemand anders dan [verdachte] de afperser was en die afperstelefoon onafhankelijk van [verdachte] werd vervoerd. Bij het voorgaande heeft het hof in aanmerking genomen dat niet een scenario aannemelijk is geworden waarin [verdachte] niet de gebruiker was van de telefoon maar hij wel vaak bij (de gebruiker van) die telefoon in de buurt was. Hier komt het hof verderop in dit arrest op terug bij het besprek van het (alternatieve) scenario van [verdachte] . 3.2.3.6. Conclusie Het hof acht op basis van het voorgaande bewezen dat [verdachte] het onder parketnummer 05/880702-19 tenlastegelegde heeft begaan. Zoals eerder overwogen, is het hof van oordeel dat de locatiegegevens van [verdachte] en de telefoon van de afperser een sterke aanwijzing vormen dat [verdachte] de gebruiker was van die telefoon. Daar komt bij dat, zoals eerder geconcludeerd, [verdachte] niet alleen een bekende is van de persoon ( [naam 5] ) die door de afperser is benaderd om geld te op halen bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel, maar bovendien contact heeft gehad met [naam 5] in het vrij korte tijdsbestek waarin dat benaderen van [naam 5] heeft plaatsgevonden. Daarbij is het hof van oordeel dat het tijdsverband tussen het telefoongesprek om 20.31 uur tussen [verdachte] en [naam 5] en het sms-bericht van de afperser van 20.36 uur (inhoudend dat rond 23.15 uur iemand bij de afgesproken plek zou staan) een aanwijzing vormt dat in dat telefoongesprek van 20.31 uur tussen [verdachte] en [naam 5] is afgesproken dat [naam 5] later die avond naar Zaltbommel zou gaan om geld op te halen. Daar komt ook nog bij dat de afperser op 3 juni 2019 om 09.53 uur een bericht naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd met daarin een bitcoinadres dat een dag eerder was ontvangen door een vriend van [verdachte] ( [naam 6] ) met wie [verdachte] in die periode dagelijks contact had. Bovendien verstuurde [verdachte] ongeveer vijf uur nadat het bitcoinadres naar [slachtoffer 1] was verstuurd naar [naam 6] het bericht ‘Ga checken oké’, waarop [naam 6] antwoordde ‘Heb ik net gedaan nog niks’. Naar het oordeel van het hof duidt de inhoud van die berichten er in combinatie met het moment van het versturen van het bitcoinadres naar [slachtoffer 1] op dat [verdachte] bij [naam 6] informeerde of [slachtoffer 1] al bitcoins had overgemaakt naar dat adres. Op basis van het voorgaande, bezien in onderlinge samenhang, acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 tweemaal een poging heeft gedaan tot het afpersen van [slachtoffer 1] , waarbij de eerste poging gericht was op betaling van een geldbedrag en de tweede poging strekte tot betaling van bitcoins. Alternatief scenario verdachte [verdachte] heeft verklaard dat iemand anders dan hijzelf de afperser is en dat hij ook weet wie de afperser is, maar dat hij redenen heeft om de naam van diegene niet te noemen. Er is daarbij ook gewezen op de mogelijkheid dat die persoon vaak in zijn gezelschap verkeerde, waardoor de overeenkomsten tussen de genoemde locatiegegevens van [verdachte] en de telefoon van de afperser verklaarbaar zijn. Hierbij is ook verwezen naar delen van de verklaringen van [naam 5] en [naam 6] die over verdachte ontlastend heeft verklaard. Het hof acht dit scenario van [verdachte] niet aannemelijk geworden, ook niet als de voor verdachte ontlastende delen van de verklaring van [naam 5] en [naam 6] daarbij worden betrokken. Ter onderbouwing daarvan overweegt het hof in de eerste plaats dat [verdachte] niet heeft verklaard wie de gestelde afperser is. Mede daardoor zijn er onvoldoende aanknopingspunten om de juistheid van het scenario van [verdachte] te kunnen onderzoeken. Maar ook overigens is het niet aannemelijk dat iemand anders dan [verdachte] in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 de afperser van [slachtoffer 1] is geweest. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [naam 5] weliswaar aanvankelijk bij de politie heeft verklaard dat ene Pedro hem heeft benaderd om geld te gaan ophalen bij het Van der Valk-hotel in Zaltbommel, maar dat onderzoek door de politie naar de betrokkenheid van een Pedro niets heeft opgeleverd en dat [naam 5] later bij de rechtbank Gelderland heeft verklaard dat Pedro ‘gedeeltelijk verzonnen’ is. Tenslotte betrekt het hof hierbij de omstandigheid dat [naam 5] heeft verklaard dat [verdachte] hem die woensdag (29 mei 2020) rond 23.00 uur met de auto heeft opgepikt en daarna heeft afgezet bij [naam 4] , maar daarbij niet heeft verklaard dat er naast hemzelf en [verdachte] nog een derde persoon in de auto zat. Dat zou, uitgaande van het scenario van verdachte, wel het geval moeten zijn geweest omdat op dat moment ook de telefoon van de afperser de zendmast bij het adres [adres 15] in Hilversum, aanstraalde. 3.3. Bewijsoverwegingen Navigator (parketnummer 05/780039-21A, feit 1) Onderzoek Navigator is een zaak die geen direct verband houdt met [fruitbedrijf] , maar zoals later zal blijken, heeft het feit wel overeenkomsten met de incidenten tegen [fruitbedrijf] . Op 22 september 2020 omstreeks 23:20 uur is een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) tot ontploffing gebracht bij de voordeur van een woning aan de [adres 8] in Zaandam. Het betrof de woning van [benadeelde partij 1] (de moeder van [naam 7] , ook wel bekend als ‘ [pseudoniem] ’). [benadeelde partij 1] stond op het moment van ontploffing in de hal. De VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd. Als gevolg van de explosie is de voordeur naar binnen geslagen, kwam er zwarte rook naar binnen, zijn de bovenlichten van de toegangsdeuren van de nummers 58, 60 en 62 gebroken en lagen er in de omgeving glasscherven. Daarnaast was er schade aan beplanting en decoraties. Op camerabeelden is te zien dat één persoon om 23:20 uur in de richting van de voorzijde van de [adres 8] loopt, ter hoogte van de woning vermoedelijk iets aansteekt en daarna wegrent. Om 23:26 uur is een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 4] ) twee ANPR-camera’s in de omgeving van de plaats delict gepasseerd. Het voertuig kwam vanuit de richting van Zaandam en bewoog in de richting van de Rijksweg A8. 3.3.1. Standpunt van het OM Anders dan de rechtbank hebben de advocaten-generaal het standpunt ingenomen dat voorbedachte raad bewezen kan worden verklaard en dat daarmee het grondfeit gekwalificeerd kan worden als poging tot moord en als het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing waarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was. Er is sprake van eendaadse samenloop. Volgens de advocaten-generaal is er tevens voldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat de uitlokking door verdachte van die poging tot moord wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de feiten verschillende (bewijs)verweren gevoerd en geconcludeerd dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Waar nodig zal het hof op die verweren hieronder ingaan. 3.3.3. Oordeel van het hof Vaststaat dat op 22 september 2020 in Zaandam een VBC tot ontploffing is gebracht bij de voordeur van de woning van [benadeelde partij 1] . De vraag die het hof moet beantwoorden is wie hierbij betrokken zijn geweest. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 3] in Zaandam een aanslag heeft gepleegd op de woning van een treitervlogger. Hij heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 3] is benaderd om hem ergens naar toe te brengen tegen een vergoeding. [medeverdachte 3] zou daar vuurwerk afsteken. Hij reed (in een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 4] ) en stond op de uitkijk, terwijl [medeverdachte 3] het vuurwerk afstak, een shell. [medeverdachte 3] vertelde hem later dat de opdracht van [verdachte] kwam en hij ( [medeverdachte 3] ) daarvoor € 150,- of € 200,- kreeg. De verklaring van [medeverdachte 4] - die inhoudt dat hij samen met [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund: de ANPR-hits met het voertuig dat op dat moment door [medeverdachte 4] werd gebruikt die passen bij de terugrit vanaf de plaats delict; op de camerabeelden is slechts één persoon te zien (hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij de bestuurder was en [medeverdachte 3] de shell gooide); het type zwaar vuurwerk (shell) dat bij de aanslag is gebruikt. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] bij dit feit betrokken zijn geweest. Opzet op de dood? De vraag die het hof, gelet op de tenlastelegging, vervolgens moet beantwoorden is of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] opzet op de dood van de bewoner hebben gehad. Van vol opzet is niet gebleken. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Volgens het onderzoek van de brandonderzoeker kon door de explosieve verbranding van een zwaar stuk vuurwerk een drukgolf ontstaan. Door die drukgolf zijn vrijwel alle ramen van de aan deze portiek gelegen voordeuren vernield geraakt. Door de kracht van de explosie zijn glasdelen met grote kracht in diverse richtingen weggeschoten, met de beschreven schade tot gevolg. Personen die zich op dat moment in de omgeving hadden bevonden, al dan niet in de woning zelf, hadden als gevolg van weggeschoten fragmenten of glasdelen ernstig tot dodelijk letsel kunnen oplopen. Ook kon de ontploffing van de VBC tot een heftige explosie leiden, waarbij door de ontbranding van de motorbenzine een grote vuurbal kon ontstaan. Het ontstaan van deze vuurbal, in combinatie met de constructie van de betreffende portiek en de vernielde ruiten van de voordeuren, kon tot een zeer snelle tot explosieve branduitbreiding in verschillende woningen leiden. Personen die op dat moment in de woningen of in de omgeving daarvan aanwezig waren konden daardoor ernstig tot dodelijk (brand)letsel oplopen. Met betrekking tot [medeverdachte 4] overweegt het hof dat niet kan worden vastgesteld dat hij de aanmerkelijke kans dat er mensen konden overlijden of zwaar lichamelijk letsel konden oplopen willens en wetens heeft aanvaard. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij dacht dat het om lichter vuurwerk ging dat in een tuin tot ontploffing zou worden gebracht ter afschrikking. Dat [medeverdachte 3] een VBC heeft gebruikt en deze bij een voordeur van een woning tot ontploffing heeft gebracht wist [medeverdachte 4] (vooraf) niet. Zijn rol ging niet verder dan het besturen van de auto en het op de uitkijk staan, waardoor hij ook niet tussentijds van het gebruik van de VBC op de hoogte is geraakt. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die het tegendeel onderbouwen. Om die reden acht het hof niet bewezen dat er bij [medeverdachte 4] sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners. Dat betekent dat hij niet als (mede)pleger van de ten laste gelegde poging tot moord/doodslag/zware mishandeling kan worden gezien. Met betrekking tot [medeverdachte 3] overweegt het hof dat de mortierbom die hij bij de voordeur van de woning tot ontploffing heeft gebracht op zichzelf genomen al zwaar illegaal vuurwerk is dat een enorme knal en drukgolf veroorzaakt. Daarbij is tevens door hem gebruik gemaakt van een met motorbenzine gevulde jerrycan. Deze VBC heeft hij bij de voordeur nabij glas tot ontploffing gebracht. Mede in het licht van de bevindingen van de brandonderzoeker, beoordeelt het hof de kans dat personen in/nabij de woningen als gevolg van de ontploffing hadden kunnen overlijden als aanmerkelijk. Voorts is het hof van oordeel dat [medeverdachte 3] de aanmerkelijke kans op overlijden ook bewust heeft aanvaard. Op het moment van de ontploffing stond [benadeelde partij 1] overigens daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur. Zij is door de kracht van de explosie haar woning ingeworpen. Voorbedachte raad? De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of [medeverdachte 3] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet bewezen worden dat een verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Het hof overweegt in dat kader dat [medeverdachte 3] met een door hem op voorhand verkregen explosief naar een op voorhand bepaalde woning is gegaan om dat explosief daar tot ontploffing te laten komen bij de voordeur van die woning. Dit betrof een woning in een andere stad en hij heeft hiervoor [medeverdachte 4] benaderd om hem daar met de auto naartoe te brengen. Deze gang van zaken getuigt van een planmatige aanpak. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om dat explosief bij de voordeur van de woning tot ontploffing te laten komen. [medeverdachte 3] heeft dus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven, zodat naar het oordeel van het hof sprake is van voorbedachte raad. Eendaadse samenloop met opzettelijk ontploffing teweegbrengen Hetzelfde feitencomplex is tevens aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ten laste gelegd als het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit het opzet van een verdachte slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan. Van belang is of het gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Gelet op het tijdstip (laat in de avond), de locatie waar de VBC tot ontploffing is gebracht (bij de voordeur), de kracht van de ontploffing die af te leiden is uit de schade die door de ontploffing is veroorzaakt én waarbij benzine als brandversneller is gebruikt en de feitelijke aanwezigheid van de bewoonster in de woning, is het hof van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voor [medeverdachte 3] voorzienbaar moet zijn geweest dat door dit handelen gemeen gevaar voor (de inboedel van) de woning, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van die woning te duchten was. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat voor [medeverdachte 4] , ten aanzien van wie alleen kan worden vastgesteld dat hij dacht dat het om lichter vuurwerk ging dat in een tuin tot ontploffing zou worden gebracht ter afschrikking en dat hij is opgetreden als degene die de auto bestuurde en op de uitkijk stond, naar algemene ervaringsregels niet zonder meer voorzienbaar kan worden geacht dat door het handelen van [medeverdachte 3] gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor de bewoners van een woning te duchten was. Wel acht het hof bewezen dat voor [medeverdachte 4] voorzienbaar moet zijn geweest dat door het tot ontploffing brengen van vuurwerk in een tuin gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Conclusie ten aanzien van de uitvoerders Concluderend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord in eendaadse samenloop met het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Van een bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 4] die is vereist voor het bestanddeel ‘medeplegen’ is niet gebleken, zodat daarvan vrijspraak volgt. [medeverdachte 4] is medeplichtig geweest aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen, door met de wetenschap die hij had, [medeverdachte 3] naar de plaats delict te rijden en daar op de uitkijk te staan. Nu is vastgesteld door wie deze aanslag in Zaandam is gepleegd, is de vraag of verdachte (al dan niet met anderen) hen daartoe heeft aangezet. Met andere woorden, heeft verdachte deze aanslag uitgelokt? De rol van verdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij (samen met [medeverdachte 3] ) de aanslag op 22 september 2020 in Zaandam heeft gepleegd in opdracht van [verdachte] . De aanslag had te maken met een conflict tussen [naam 8] (een jeugdvriend van [verdachte] , hierna: [naam 8] ) en een andere vlogger. [naam 8] had [verdachte] gevraagd of er wat kon gebeuren bij die vlogger in Zaandam. Onderweg naar Zaandam vertelde [medeverdachte 3] hem wat hij daar ging doen en dat de opdracht van [verdachte] kwam. [medeverdachte 3] zou daarvoor € 150,- of € 200,- krijgen. [verdachte] heeft bemiddeld in de zaak door mensen te regelen die de aanslag zouden plegen. Met betrekking tot het verkrijgen van het adres door verdachte overweegt het hof het volgende. Op 10 september 2020 rond 16:00 uur laat verdachte in een WhatsApp-gesprek aan zijn partner [naam 9] weten dat ‘die hond zsm dood gaat’ en dat hem verzekerd is dat hij vermoord gaat worden. Verdachte heeft verklaard dat dat gesprek gaat over [naam 7] , die eerder die dag [naam 8] zou hebben mishandeld. Daarna vindt de volgende communicatie plaats tussen [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11] ) en [medeverdachte 12] . Om 16:49:17 uur stuurt [medeverdachte 11] naar [medeverdachte 12] : ‘Ik heb je nu nodig, bel me op’ (…) Om 17:17:07 uur vindt een telefoongesprek van 27 seconden plaats tussen [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12] . Tussen 17:23 - 18:32 uur vraagt [medeverdachte 12] de persoonsgegevens van [naam 7] en diens familie op. Hierbij wordt onder andere het adres [adres 8] Zaandam (het adres van de moeder van [naam 7] ) zichtbaar. Verdachte erkent actief navraag naar de persoonsgegevens van [naam 7] en familieleden van hem te hebben gedaan. Op de telefoon van verdachte is een WhatsApp-gesprek van 10 september 2020 tussen 18:08-18:10 uur tussen hem en [naam 10] aangetroffen waarin verdachte spreekt over een ‘shell’ en ‘drie stuks’. Ook wordt een screenshot aangetroffen van een chat waarin de adressen [adres 19] in Zaandam en [adres 8] in Zaandam worden doorgegeven. Dit screenshot is gemaakt op 10 september 2020 om 18:36 uur. Op 11 september 2020 vindt vervolgens een eerste aanslag plaats op het adres [adres 19] in Zaandam (het adres van de vader van [naam 7] ). Aangever [slachtoffer 7] werd wakker van twee harde knallen, ging naar beneden en rook de geur van rook. Hij zag dat er veel glas op straat lag en dat de stroom was uitgevallen. Toen de politie ter plaatse kwam heeft hij zijn zoon gebeld en zijn zoon gaf aan dat hij vaker bedreigd is. Op beelden van een beveiligingscamera zijn vermoedelijk twee ontploffende projectielen te horen (de verbalisant kan niet met zekerheid zeggen of het één, twee of meerdere projectielen betroffen omdat er mogelijk sprake is van een echo-effect) en is een lichtflits waarneembaar. Uit forensisch onderzoek is aannemelijk geworden dat op het trottoir voor perceel 5 een shell/mortier tot ontploffing is gebracht. Diezelfde avond heeft verdachte een WhatsApp-gesprek met [naam 11] waarin wordt gesproken over een aanslag op ‘ [pseudoniem] ’ en verdachte in dat verband zegt: ‘haha nee joh dit is pas het startschot’ en ‘die van afgelopen nacht gaat alleen maar erger worden’. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben op 13-14 september 2020 contact via WhatsApp. Tijdens dat gesprek vraagt verdachte herhaaldelijk of ‘hij ready is’. Ook vraagt verdachte of ‘hij alles compleet heeft’. Daarbij geeft verdachte aan dat ‘hij zelf geen vervoer heeft’ en ‘laat ook hem proberen te fixen’. Vervolgens vindt op 15 september 2020 een tweede aanslag plaats, dit keer op de [adres 8] in Zaandam (de eerste aanslag op dit adres). Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat zij televisie aan het kijken was toen zij een explosie hoorde. Ze zag dat het glas naar binnen geblazen werd en zag donkere rook en vuur. Op beelden van een beveiligingscamera is te zien dat er vermoedelijk iets ontstoken/aangestoken werd, dat het brandende voorwerp in de richting van de woning aan de [adres 8] werd gegooid, dat er een ontbranding plaatsvond die afnam, waarna een tweede zeer sterke vermoedelijke ontbranding volgde. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat er zowel een explosief als een drinkfles motorbenzine is gebruikt bij de aanslag. Op 19 september 2020 vraagt verdachte via WhatsApp aan [naam 12] actief informatie op over de adressen van [naam 7] en familieleden van hem. Op 22 september 2020 vindt vervolgens een derde aanslag plaats op de [adres 8] in Zaandam. Dit betreft de tweede aanslag op dit adres en dit is de aanslag waarvan het hof hiervoor reeds heeft vastgesteld dat die is gepleegd door [medeverdachte 3] . [benadeelde partij 1] heeft opnieuw aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij een enorme knal hoorde, dat haar voordeur opensloeg en dat zij vuur en zwarte rook zag. Bij deze aanslag is een VBC gebruikt. De VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd. Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte een conflict met [naam 7] had, hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [medeverdachte 4] . Ook beschikte verdachte kort voor de eerste aanslag over het adres van zowel de vader als de moeder van [naam 7] . Die adressen kreeg hij via [medeverdachte 12] en [medeverdachte 11] . Daarbij is opvallend dat verdachte kort voordat hij de adressen krijgt een gesprek voert met [naam 10] over shells, want de opvolgende nacht vindt de eerste aanslag plaats waarbij een shell is gebruikt. Kort na die aanslag weet verdachte ook al te vertellen ‘dat dit pas het startschot is’ en ‘het alleen maar erger gaat worden’. Die opmerking van verdachte wordt bevestigd door het feit dat bij de tweede aanslag naast een explosief ook een drinkfles motorbenzine is gebruikt en bij de derde aanslag naast een explosief zelfs een jerrycan motorbenzine. Een paar dagen later na de tweede aanslag voert verdachte een gesprek met [medeverdachte 2] waarin hij vraagt of hij (verwijzend naar een iemand) klaar staat en of diegene alles compleet heeft. Uiteindelijk blijkt dat diegene alleen nog geen vervoer heeft waarna verdachte aangeeft dat diegene dat moet proberen te fixen. Ook dit past wat de modus operandi betreft bij de verklaring van [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] bij de volgende aanslag heeft gevraagd hem naar Zaandam te brengen. Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien kan volgens het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte de opdrachtgever van deze aanslag op 22 september 2020 is geweest. 3.4. Bewijsoverwegingen Panter 1 (parketnummer 05/780001-21 + 05/780029-21) Het hof komt nu toe aan de beoordeling van de vraag door wie de (chronologisch en inhoudelijk met elkaar verweven) dreigberichten en aanslagen in Panter 1 zijn gepleegd en hoe die moeten worden gekwalificeerd. Daarbij is voor de beoordeling van dat wat verdachte wordt verweten als uitlokker van aanslagen relevant of hij ander(
  6. en)tot aanslagen heeft aangezet. Het hof zal evenwel eerst moeten vaststellen dat en door wie de ten laste gelegde aanslagen zijn gepleegd en onder welke strafbepalingen dat handelen valt. Daarna komt het hof toe aan de rol van verdachte. 3.4.1. Standpunt van het OM Poging tot afpersing Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot afpersing (feit 1 onder parketnummer 05/780029-21). Volgens het openbaar ministerie is er voldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte de verzender (al dan niet in de vorm van medeplegen) is geweest van de telefoonberichten die naar [slachtoffer 1] zijn gestuurd. Woningaanslagen cluster 1 Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een vrijspraak van de ten laste gelegde uitlokking van een poging tot moord/doodslag/zware mishandeling in Rosmalen (feit 1 onder parketnummer 05/780001-21). Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op het uitlokken van de woningaanslagen die deel uitmaken van cluster 1. Het betreft de volgende onderdelen van de tenlastelegging: ‒ onder parketnummer 05/780001-21: feit 2 en ‒ onder parketnummer 05/780029-21: feit 2, 3, 4 en 5. Woningaanslagen cluster 2 Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op het uitlokken van de woningaanslagen die deel uitmaken van cluster 2. Het betreft de volgende onderdelen van de tenlastelegging: ‒ onder parketnummer 05/780001-21: feit 3, 4, 5 en 6. Met betrekking tot het onder 3 en 5 tenlastegelegde heeft het openbaar ministerie het standpunt ingenomen dat de woningaanslag in zowel Kerkdriel (van 23 november 2020) als Hedel (van 25 november 2020) moet worden aangemerkt als een poging tot moord, waarvan [verdachte] telkens de uitlokker is geweest. Verijdelde woningaanslagen aan de [straat 2] in Hilversum Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 7 onder parketnummer 05/780001-21, voor zover inhoudend dat: ‒ [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een poging heeft gedaan tot het uitlokken van een aanslag op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum en ‒ [verdachte] de voorbereiding van een aanslag op het adres [straat 2 huisnummer D] in Hilversum heeft uitgelokt. 3.4.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van deze feiten verschillende (bewijs)verweren gevoerd en geconcludeerd dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Waar nodig zal het hof op die verweren hieronder ingaan. 3.4.3. Oordeel van het hof 3.4.3.1. Inleiding Zowel parketnummer 05/780001-21 als parketnummer 05/780029-21 heeft betrekking op incidenten die deel uitmaken van het onderzoek Panter 1. In het kort gaat het om een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021. Die poging tot afpersing bestond uit de combinatie van (dreigende) telefoonberichten en woningaanslagen, waaronder twee woningaanslagen die verijdeld zijn. De woningaanslagen zijn uitgevoerd door grofweg twee verschillende dadergroepen, waardoor de aanslagen als volgt kunnen worden geclusterd (met daarbij de pleegdatum en het (beoogde) pleegadres). Cluster 1 (uitvoerders: onder meer [medeverdachte 3] ) ‒ 5 oktober 2020 : [adres 4] in Tiel ‒ 8 oktober 2020 : [adres 7] in Breda ‒ 11 oktober 2020 : [adres 1] in Rosmalen ‒ 28 oktober 2020 : [adres 6] in Tiel ‒ 4 november 2020 : [adres 5] in Vlijmen ‒ 20-21 december 2020 : [straat 2 huisnummer D] in Hilversum (verijdeld) Cluster 2 (uitvoerders: onder meer [naam 13] en [medeverdachte 5] ) ‒ 23 november 2020 : [straat 1 huisnummer B] in Kerkdriel ‒ 25 november 2020 : [adres 3] in Hedel ‒ 16-17 december 2020 : [straat 2 huisnummer D] in Hilversum (verijdeld) 5 oktober 2020: aanslag in Tiel, [adres 4] (05/780029-21, feit 2) Op 5 oktober 2020 heeft een ontploffing plaatsgevonden bij de woning op het adres [adres 4] in Tiel. Aangever [slachtoffer 3] lag in die woning te slapen en werd omstreeks 01.15 uur wakker door een harde knal. De aangever is gaan kijken bij zijn auto (kenteken: [kenteken 5] ) en zag dat de kentekenplaat eraf was en dat de bumper aan de onderzijde loshing. Op beelden van een camera bij de voordeur van de woning zag de aangever een explosie voor zijn auto. De auto van de aangever stond op de oprit naast de schuur, met de achterzijde van de auto in de richting van de woning. De auto had schade bij de bumper aan de linker voorzijde. Ook was de voorruit van de auto gebarsten. Op de deur van de schuur is een beschadiging aangetroffen die er volgens de eigenaar van de woning nooit had gezeten. Op camerabeelden is het volgende te zien. Om 01:11:39 uur passeerden twee personen de oprit van de woning, lopend in de richting van het aangrenzende perceel ( [adres] ). Om 01:16:40 uur kwamen deze personen vanuit die richting (opnieuw) in beeld van de camera bij de voordeur van de woning van de aangever. Om 01:17:20 uur vond een explosie plaats onder de voorzijde van de auto op de oprit. Het adres van de aangever komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd. Uitvoerders ( [medeverdachte 3] , [naam 3] en [medeverdachte 4] ) [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 3] en [naam 3] , alias ‘ [bijnaam] ’ (het hof begrijpt: [naam 3] ) betrokken is geweest bij deze aanslag. [medeverdachte 4] heeft verklaard bijna zeker te weten dat daar een ‘shell 3’ is gebruikt (het hof begrijpt: een mortierbom van drie inch). [medeverdachte 4] was door [medeverdachte 3] gevraagd en zou € 150,- krijgen voor zijn bijdrage aan de aanslag. [naam 3] is ook meegegaan. [medeverdachte 3] en [naam 3] hebben in de buurt van de woning gekeken, kwamen terug naar de auto en hebben de shell gepakt. Ze gaven aan waar [medeverdachte 4] met de auto moest wachten. Na het afsteken van de shell kwamen ze terug gerend en zijn ze ervandoor gegaan. In de auto onderweg naar Tiel spraken [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [naam 3] af hoe ze het zouden doen, hoe ze terug zouden rijden. [medeverdachte 3] was altijd degene die de shell aanstak en [naam 3] hield de buurt in de gaten. Aan [medeverdachte 4] zijn camerabeelden getoond die zijn gemaakt door de camera bij de voordeur van de woning en waarop twee personen te zien zijn. [medeverdachte 4] heeft die twee personen herkend als [medeverdachte 3] , op basis van de houding en schoenen, en [naam 3] , op basis van de jas. Deze verklaring van [medeverdachte 4] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten. ‒ Op de beelden van de camera bij de voordeur van de woning is te zien dat een [bijnaam 4] zes minuten vóór de ontploffing twee personen de oprit van de woning passeerden en dat een halve minuut vóór de ontploffing twee personen bij diezelfde oprit waren. Dit past bij de verklaring van [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] en [naam 3] eerst de omgeving hebben verkend en daarna een shell tot ontploffing hebben gebracht. ‒ De Audi A1 met het kenteken [kenteken 6] , dat op naam stond van [medeverdachte 4] , is op 5 oktober 2020 om 01.40 uur geregistreerd door een ANPR-camera op de A27 bij Nieuwegein. De reistijd van de plaats van het misdrijf naar de locatie van die ANPR-registratie is ongeveer 24 minuten. Naar het oordeel van het hof komt dat grofweg overeen met de tijd tussen de aanslag en de ANPR-registratie. ‒ De telefoon van [naam 3] maakte op 5 oktober 2020 om 01.26 uur verbinding met de zendmast bij de locatie [adres] in Kapel-Avezaath. De afstand tussen die zendmast en het adres [adres 4] in Tiel was hemelsbreed ongeveer 3,94 kilometer. Mede op basis van de kaart op pagina 595 van procesdossier Panter 1 (map 3), waarop de locatie van die zendmast is weergegeven, en op basis van informatie ontleend aan Google Maps, is het hof van oordeel dat deze bevinding past bij het scenario waarin de uitvoerders van de aanslag direct daarna zijn vertrokken en over de A15 en de A2 naar de A27 zijn gereden. Tussenconclusies Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 3] , [naam 3] en [medeverdachte 4] tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg hebben gebracht op het adres [adres 4] in Tiel en dat daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. Met het openbaar ministerie acht het hof niet bewezen dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest. 8 oktober 2020: aanslag in Breda (05/780029-21, feit 5) Op 8 oktober 2020 omstreeks 00.44 uur ging het alarm af in de woning op het adres [adres 7] in Breda. Op dat moment waren de volgende personen in die woning aanwezig: [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . [slachtoffer 6] (zijnde de moeder van [slachtoffer 5] ), had (direct) voordat het alarm af ging twee knallen gehoord. [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zagen iets roods flikkeren in de tuin. De politie heeft ter plaatse forensisch onderzoek verricht, dat onder meer de volgende bevindingen heeft opgeleverd. Achter de achtertuin van de woning lag een brandgang met daarachter braakliggend terrein. In de brandgang lagen (stukken van) een label met daarop de tekst ‘SHELL DANGEROUS EXPLOSIVES’. Ook werd in de brandgang een deel van een shell aangetroffen. In de tuin van de woning lag een zeil van kunststof, dat gedeeltelijk verbrand was. De politie verbond aan haar bevindingen de conclusie dat een shell is afgestoken die deels in de brandgang en deels in de achtertuin terecht is gekomen. [slachtoffer 5] is een dochter van [slachtoffer 1] , die directeur was van [fruitbedrijf] . Het adres [adres 7] in Breda staat niet op de eerder genoemde personeelslijst van [fruitbedrijf] . Op 3 december 2019 is tijdens een doorzoeking van de cel van [verdachte] in [P.I. 3] een boek aangetroffen waarop met pen het volgende is aangetekend. [adres 7] Breda [verdachte] heeft verklaard dat hij dat adres daar zelf op heeft geschreven. Uitvoerders ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ) [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij bij de locatie is geweest waar de aanslag heeft plaatsgevonden. Hij was daar samen met [medeverdachte 3] , die daar een shell in de achtertuin heeft laten ontploffen. Verder was er niemand bij. Het betrof een shell van 6 inch. [medeverdachte 4] heeft toen gereden. [medeverdachte 3] is via een gat in de muur via een braakliggend terrein bij de achtertuin gekomen. Zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 3] zou € 150,- krijgen voor de aanslag. [medeverdachte 3] had een briefje ontvangen met daarop het adres waar de aanslag moest plaatsvinden. [medeverdachte 3] had ook de shell ontvangen. Deze verklaring van [medeverdachte 4] vindt naar het oordeel van het hof steun in de volgende onderzoeksresultaten. ‒ Wat betreft het gebruikte explosief: op de plaats van het misdrijf is een deel van een shell aangetroffen, alsmede (stukken van) een label met daarop de tekst ‘SHELL DANGEROUS EXPLOSIVES’. ‒ Wat betreft de plaats van het misdrijf: achter de achtertuin van de woning lag een brandgang en daarachter braakliggend terrein. ‒ Getuige [getuige 1] was kort na de explosie nabij de plaats van het misdrijf en vernam daar van een man dat diegene een jongen had zien rennen en zien instappen in een zwarte Audi die hard wegreed. Deze waarneming past bij de verklaring van [medeverdachte 4] dat de aanslag door één persoon is gepleegd (en dat [medeverdachte 4] zelf als chauffeur betrokken is geweest). Daar komt bij dat [medeverdachte 4] gebruikmaakte van een zwarte Audi. ‒ De auto van [medeverdachte 4] is op 5 oktober 2020 om 01.07 uur geregistreerd door een ANPR-camera op de A27 bij Meerkerk. De reistijd van de plaats van het misdrijf naar de locatie van die ANPR-registratie is ongeveer 29 minuten. Naar het oordeel van het hof ko

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.