← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:2237

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001848-24 Uitspraak d.d.: 11 april 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2024 met parketnummer 96-133444-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003, wonende te [adres] Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.R. van der Pol, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 650,00, subsidiair dertien dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf maanden. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proces-economische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks 14 mei 2023 te [plaats 1] , [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 585 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot vrijspraak van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit. De advocaat-generaal voert hiertoe – kort samengevat – aan dat niet uitgesloten kan worden dat verdachte de geblazen hoeveelheid alcohol heeft genuttigd nadat het eenzijdige ongeval heeft plaatsgevonden. Standpunt van de verdediging Door de raadsman is bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het rijden onder invloed van alcohol. Hiertoe voert de raadsman – kort gezegd – het volgende aan. Er kan niet zonder twijfel worden vastgesteld dat verdachte heeft gereden met een ademalcoholgehalte van 585 microgram per liter uitgeademde lucht. Verdachte verklaart dat hij nadat het ongeval heeft plaatsgevonden alcoholhoudende drank heeft gedronken. Verdachte heeft hier in ieder geval 45 minuten de tijd voor gehad nu het zolang heeft geduurd voordat de verbalisanten bij verdachte aankwamen om hem te onderwerpen aan een blaas- en speekseltest, nadat verdachte samen met zijn moeder was thuisgekomen. Dit is voldoende tijd om behoorlijk wat alcohol te nuttigen. Verdachte heeft daarnaast een verlegen karakter en is communicatief niet heel sterk. Dit is dan ook de reden dat verdachte in eerste instantie niets over deze alcoholhoudende dranken tegen de verbalisanten heeft gezegd. Volgens de verdediging is het voorgaande geen onvoorstelbare gang van zaken. Er is daarom sprake van twijfel en bij twijfel dient verdachte vrijgesproken te worden. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Feiten en omstandigheden Vaststaat dat een eenzijdig ongeval heeft plaatsgevonden waarbij verdachte met zijn auto in de sloot is beland. Verdachte was ten tijde van het ongeval aan te merken als een zogenoemde beginnend bestuurder. Na het ongeval is verdachte naar het huis van zijn (inmiddels) ex-vriendin gebracht. Verdachte is hier opgevangen door de ouders van zijn ex-vriendin. Zijn ex-vriendin kwam even later ook thuis. Omstreeks 01:12 uur kregen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding van een auto te water. De melding was afkomstig van de moeder van verdachte. Zij gaf aan dat haar zoon met zijn auto in de sloot was beland. Op dat moment zat verdachte naast zijn moeder in de auto onderweg naar huis. Gelet op de schade aan het voertuig en de aangetroffen sporen, zijn de verbalisanten naar het adres van verdachte gereden om verdachte te controleren op eventuele verwondingen en hem te onderwerpen aan een blaas- en speekseltest. In de woning troffen de verbalisanten verdachte liggend op de bank aan. Verdachte vond het geen probleem om mee te werken aan een blaas- en speekseltest, omdat hij, naar eigen zeggen, maar één biertje had gedronken en geen drugs had gebruikt. Verdachte blies “A/G” bij de blaastest. Het resultaat van de blaastest werd direct aan verdachte meegedeeld. Dat resultaat leidde tot een verdenking van rijden onder invloed. Verdachte werd vervolgens meegenomen naar het politiebureau voor een ademanalyse, waaruit bleek dat zijn ademalcoholgehalte 585 microgram per liter uitgeademde lucht betrof. Verwerping van het verweer Het hof acht de verklaring van verdachte, dat hij pas na het ongeval een aanzienlijke hoeveelheid wodka-cola zou hebben gedronken, op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, ongeloofwaardig. Toen de [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij verdachte thuis langskwamen om hem aan een blaas- en speekseltest te onderwerpen verklaarde verdachte in eerste instantie dat hij maar één biertje had gedronken. Vervolgens heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij het die dag gezellig heeft gehad bij de voetbalvereniging en dat hij geen idee had hoeveel hij had gedronken. Tijdens het OM-hoorgesprek verklaarde verdachte voor het eerst dat hij, naast één biertje bij de voetbalvereniging, na het ongeval alcohol heeft gedronken. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij in het huis van zijn ex-vriendin wodka met cola heeft gedronken en dat zijn ex-vriendin kan verklaren dat hij wodka met cola heeft gedronken bij haar ouders. Verder verklaarde verdachte dat hij in de voetbalkantine twee biertjes had gedronken en dat hij ook nadat hij door zijn moeder was thuisgebracht alcoholhoudende drank heeft gedronken. Tijdens de zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij wodka-cola bij de ouders van zijn ex-vriendin heeft gedronken, maar wel dat hij dit bij zijn moeder heeft gehad. Het hof stelt vast dat verdachte pas tijdens het OM-hoorgesprek met het alternatieve scenario van de ‘schrikborrel’ is gekomen. Toen de verbalisanten verdachte vroegen mee te werken aan een blaas- en speekseltest heeft verdachte niets gezegd over alcoholgebruik na het ongeval. Toen het resultaat van de blaastest leidde tot een verdenking van rijden onder invloed en verdachte door de verbalisanten werd meegenomen naar het politiebureau voor een ademanalyse heeft hij hier ook niets over gezegd. Vervolgens bleek uit de ademanalyse dat verdachte meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol had geblazen. Ook toen heeft hij hier niets over gezegd en evenmin tijdens het daaropvolgende verhoor, waarin hij veeleer lijkt te bevestigen te hebben gedronken. Vermelding van zijn alcoholgebruik na het ongeval zou, juist gelet op zijn gestelde onschuld, op al deze momenten in de rede hebben gelegen. Dat verdachte toen niets heeft gezegd over eerder alcoholgebruik en daar pas tijdens het OM-hoorgesprek melding van heeft gemaakt, doet ernstig afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen daaromtrent. Dat verdachte een verlegen karakter heeft en communicatief niet heel sterk is waardoor hij volgens de raadsman het drinken van de ‘schrikborrel’ niet meteen heeft vermeld, acht het hof onvoldoende redengevend. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het bevreemdt dat de moeder van verdachte, die bij de raadsheer-commissaris weliswaar heeft bevestigd dat verdachte thuis drie a vier wodka-cola heeft gedronken en dat zij hem die drank heeft aangeboden, daar niet eerder melding van heeft gemaakt, bijvoorbeeld op het moment dat de blaastest thuis werd afgenomen of toen verdachte naar aanleiding van de uitslag van die test werd meegenomen naar het politiebureau voor nader onderzoek. Het hof neemt verder in aanmerking dat verdachte sterk wisselend heeft verklaard over waar, wanneer en hoeveel alcohol hij zou hebben gedronken, zoals hiervoor is weergegeven, hetgeen verder afbreuk doet aan zijn geloofwaardigheid. Wat betreft verdachtes verklaring dat hij wodka-cola heeft gedronken bij de ouders van zijn ex-vriendin komt daarbij dat opmerkelijk is dat verdachte dit bij de politierechter naar voren heeft gebracht en stelde dat zijn ex-vriendin dit zou kunnen bevestigen, maar het zich tijdens de zitting bij het hof niet meer kon herinneren. Bovendien heeft de moeder van zijn ex-vriendin bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij verdachte zeker geen sterke alcoholhoudende drank heeft aangeboden. Dit wist zij zo zeker, omdat zij nooit sterke drank in huis heeft. Ook de ex-vriendin van verdachte verklaarde bij de raadsheer-commissaris dat haar ouders nooit sterke drank in huis hebben. Het verbaasde haar dan ook toen zij hoorde dat verdachte had verteld dat hij bij haar ouders wodka-cola zou hebben gedronken. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, hecht het hof geen waarde aan de verklaring van verdachtes moeder bij de raadsheer-commissaris en acht het hof verdachtes verklaringen over alcoholgebruik na het ongeval ongeloofwaardig. Het verweer wordt in alle onderdelen verworpen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 14 mei 2023 te [plaats 1] , [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig, te weten: personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 585 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (585 microgram). Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezenverklaarde delict heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte als beginnend bestuurder van een auto heeft gereden onder invloed van alcohol en een eenzijdig verkeersongeval heeft veroorzaakt. Verdachte is daarbij met zijn auto over de kop in de sloot terecht gekomen. Hij heeft daarmee de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht. Verdachte heeft tot in hoger beroep op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 februari 2025, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een overtreding in het kader van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte is na het bewezenverklaarde feit onherroepelijk veroordeeld voor een andersoortig feit. Gelet hierop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Het hof houdt bij de strafoplegging ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door hem en zijn raadsman naar voren gebracht op de terechtzitting in hoger beroep. Verdachte verklaart dat hij op dit moment als timmerman werkt in [plaats 2] en dat hij geen alcohol meer drinkt. Dit heeft te maken met het ongeval, maar ook het onderzoek bij het CBR geeft verdachte de motivatie om niet te drinken. Het hof heeft verder gelet op de oriëntatiepunten voor de straftoemeting die zijn opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ter zake van het als beginnend bestuurder rijden in een motorvoertuig met een ademalcoholgehalte tussen 571 – 650 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Hieruit volgt dat een geldboete van € 650,00, alsmede de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden het uitgangspunt is. De politierechter heeft een geldboete van € 650,00, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf maanden, passend en geboden geacht. Het hof kan zich met dit oordeel verenigen en zal eenzelfde straf opleggen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, namelijk dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, acht het hof onvoldoende zwaarwegend om hiervan af te wijken. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis. Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) maanden. Aldus gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. M.B. de Wit, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier, en op 11 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.