GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.346.983/01 CJIB-nummer : 249620607 Uitspraak d.d. : 20 januari 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 juli 2024, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 277,
- Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 370,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 11 april 2022 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 277,50, omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, terwijl het bedrag van de sanctie is gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Verder voert de gemachtigde aan dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, namelijk dat de betrokkene nog voordat hij de inleidende beschikking had ontvangen de tenaamstelling in het kentekenregister had geschorst, brieven van de RDW hem niet hebben bereikt en met het voertuig niet kon worden gereden, er ook aanleiding bestond het sanctiebedrag te matigen. De gemachtigde stelt zich daarom op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
- Gelet op wat de gemachtigde heeft aangevoerd, de foto’s in het dossier en uit coulance richting de betrokkene heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het sanctiebedrag met 50 procent moet worden gematigd (= € 370,- : 2 = € 185,-). Rekening houdend met de al door de kantonrechter toegepaste matiging stelt de advocaat-generaal voor het bedrag van de sanctie vast te stellen op € 92,50 (= € 277,50 - € 185,-).
- Dat de gedraging is verricht, wordt niet betwist en staat dan ook vast. Gelet op wat de gemachtigde aanvoert, dient het hof te beoordelen of er redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
- Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Als de betrokkene een voertuig op zijn naam laat overschrijven, is hij vanaf dat moment als kentekenhouder verantwoordelijk voor alle verplichtingen die dat met zich brengt, waaronder ook de verzekeringsplicht. Wat de betrokkene aanvoert betreft dan ook omstandigheden waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen. Voor een verdergaande matiging van het sanctiebedrag dan de kantonrechter heeft gedaan ziet het hof daarom geen aanleiding. Echter, in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie beschikt over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen als de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht dat rechtvaardigen, zal het hof het openbaar ministerie hierin volgen en het bedrag van de sanctie matigen naar € 92,
- De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De ambtenaar kan het bedrag van de sanctie niet matigen in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht of de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert zodat niet sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1012). Dit brengt mee dat de proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen.
- Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting in hoger beroep dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (zie de arresten van dit hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1133,75 (= (2,5 x € 907,- x 0,5)). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt vastgesteld op € 92,50; bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1133,
- Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.