GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.350.228/02 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579782) beschikking van 15 april 2025 op het verzoek tot schorsing inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. S. Vermeule, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. M.V. de Nooijer. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang: - aan de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op basisschool [naam1] in [woonplaats2] ; - bepaald dat [de minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft; - een zorgregeling vastgesteld waarbij: - [de minderjarige] per vier weken drie weekenden bij de moeder en één weekend bij de vader verblijft; - de vader [de minderjarige] in de ene week op vrijdag direct uit school naar de moeder brengt, waarna de moeder [de minderjarige] op zondag om 18.00 uur bij de vader terugbrengt. In de opvolgende week dat [de minderjarige] in het weekend naar de moeder gaat, haalt de moeder [de minderjarige] direct uit school op, waarna de vader [de minderjarige] op zondag om 16.00 uur bij de moeder ophaalt, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2Het geding in hoger beroep met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 22 januari 2025; - het verweerschrift in de schorsing met producties; - een brief van mr. Vermeule van 7 maart 2025 met bijlagen. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad). 3De feiten 3.1 Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2020 in [plaats1] over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. 3.2 In de echtscheidingsbeschikking van 4 april 2023 heeft de rechtbank – voor zover van belang – bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben en dat de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling deel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan hebben de ouders afgesproken dat: - [de minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft en op dit adres ingeschreven staat. De ouders vinden dat het geen recht doet aan de situatie om het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij één van de ouders vast te stellen, omdat zij een gelijkwaardige rol als ouder vervullen binnen het co-ouderschap; - [de minderjarige] in de oneven weeknummers bij de vader verblijft en in de even weeknummers bij de moeder, zodat [de minderjarige] op jaarbasis evenveel tijd bij elke ouder doorbrengt; - de ouder bij wie [de minderjarige] het laatst verbleef, hem brengt naar de andere ouder wanneer er gewisseld moet worden. [de minderjarige] wordt wekelijks op zaterdagochtend naar de andere ouder gebracht; - de ouders gezamenlijk een keuze voor een (type) school maken. 4De motivering van de beslissing 4.1 Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissingen betreft. De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer. 4.2 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 4.3 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.