← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:3024

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.352.163 zaaknummer rechtbank Gelderland 444117 beschikking van 15 mei 2025 over de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), in de zaak van [verzoeker] (de vader), die woont in [woonplaats1] , advocaat: mr. R.M. Bissumbhar, en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI), die is gevestigd in Ede, en [de pleegouders] (de pleegouders), wonende in [woonplaats2] . 1Samenvatting De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van [de minderjarige] verlengd tot 9 augustus 2025 (meerderjarigheid). Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.1 De vader is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , geboren [in]

  1. De moeder van [de minderjarige] is [in] 2012 overleden. 2.2 [de minderjarige] verblijft sinds 27 oktober 2023 bij [de pleegouders] . 2.3 Op verzoek van de raad heeft de kinderrechter bij de beschikking van 29 december 2023 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 29 december
  2. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3De procedure bij de kinderrechter 3.1 De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van en machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot [de minderjarige] 18 jaar is ( [in] 2025). 3.2 De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft op 11 december 2024 een beslissing genomen over het verzoek van de GI. De kinderrechter heeft: de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 9 augustus 2025; beslist dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld. 4De procedure bij het hof 4.
  3. De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt voor zover dit ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing. 4.2 De GI wil dat de beslissing in stand blijft. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.3 Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het verweerschrift van de GI 4.4 [de minderjarige] heeft schriftelijk aan het hof haar mening gegeven over het hoger beroep. 4.5 De zitting bij het hof was op 10 april
  4. Aanwezig waren: de advocaat van de vader twee vertegenwoordigers van de GI 5Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1 De GI of de raad kunnen de kinderrechter verzoeken aan de GI een machtiging te geven een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van het kind. De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken. Wat vindt het hof? 5.2 De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] loopt tot 9 augustus
  5. 5.3 De machtiging aan de GI is naar het oordeel van het hof terecht gegeven, omdat [de minderjarige] niet thuis kan wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). 5.4 Het hof overweegt daarover het volgende. De vader is het niet eens met het overheidsingrijpen in zijn (gezins)leven. De vader vindt het belangrijk om zijn waarden over het geloof en spiritualiteit aan [de minderjarige] mee te geven. Hoewel de vader in zijn beroepschrift nu aangeeft dat hij met de GI wil samenwerken om [de minderjarige] thuis de benodigde rust, stabiliteit en regelmaat te bieden, gaat de samenwerking met de GI niet goed. Het hof leest in de stukken dat de vader na de laatste zitting bij de kinderrechter heeft gezegd dat de GI en [de minderjarige] niet meer welkom bij hem zijn. Bij de mondelinge behandeling heeft de GI verteld dat, ondanks uitnodigingen daartoe van de GI, de vader weigert om in contact te komen met de GI. De houding van de vader richting de GI is vanaf het begin van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet gericht op samenwerking. De vader heeft altijd aangegeven geen hulp te willen accepteren en niet open te staan voor structureel contact met de GI. Hierdoor is er nooit voldoende basis geweest voor de GI om met de vader het opvoedperspectief en de voorwaarden voor een eventuele thuisplaatsing te bespreken. Dit is sinds de bestreden beschikking niet veranderd waardoor niet eens een begin gemaakt kan worden daarmee. Thuisplaatsing van [de minderjarige] is daarom al niet mogelijk. [de minderjarige] wil zelf graag, in ieder geval tot haar meerderjarigheid, bij de pleegouders blijven wonen. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] zal het hof ook met haar mening rekening houden. Daar komt bij dat de relatie tussen [de minderjarige] en haar vader al langere tijd complex is. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat zij toekomt aan haar eigen ontwikkeling en daarvoor zijn rust en duidelijkheid over haar woonplek belangrijk. Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij in het pleeggezin blijft wonen en vanuit daar kijkt naar de vervolgstappen voor de toekomst. 6De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 december
  6. Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, S. Kuijpers en K. Hermsen, bijgestaan door de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 mei
  7. Vragen? Het hof mag u niet adviseren over wat u met deze beslissing kunt doen, omdat het hof onpartijdig en onafhankelijk is. Heeft u naar aanleiding van deze beslissing vragen? Dan kunt u contact opnemen met uw advocaat.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.