GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 23/2806 uitspraakdatum: 27 mei 2025 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 augustus 2023, nummer LEE 22/4114 V, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, toezicht bezwaar en beroep, kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. 1.2 Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het daartegen gerichte bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 april 2023 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 22 augustus 2023 het verzet gegrond verklaard en met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. 1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2025 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Inspecteur [naam1] en [naam2] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. 1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is geboren [in] 1975 en is gehuwd geweest met mevrouw [naam3] . De echtelieden zijn in 2019 gescheiden. 2.2 In 2022 is belanghebbende verhuisd van [plaats1] naar [woonplaats] . Zijn adreswijziging is per 1 september 2022 geregistreerd in de Basisregistratie Personen. 2.3 De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, waarbij is afgeweken van de door hem ingediende aangifte door een bedrag van € 145.898 aan onderhoudsverplichtingen niet in aftrek toe te laten. 2.4 Belanghebbende heeft tegen die aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op 29 september 2022 afgewezen. In die uitspraak op bezwaar is een rechtsmiddelverwijzing opgenomen waaruit blijkt dat binnen zes weken na de datum van de uitspraak op bezwaar beroep kan worden ingesteld bij de Rechtbank. De uitspraak op bezwaar is geadresseerd aan het nieuwe adres van belanghebbende in [woonplaats] . 2.5 Belanghebbende heeft zich op 1 november 2022 vervoegd aan de balie van een steunpunt van de Belastingdienst in Assen. Hij heeft daar verklaard dat hij de hiervoor – onder 2.4 – bedoelde uitspraak op bezwaar heeft ontvangen en heeft verzocht om uitstel van betaling in elk geval tot hij beroep bij de Rechtbank zou hebben aangetekend. Daarop is hem voor 21 dagen uitstel van betaling verleend. 2.6 Belanghebbende heeft vervolgens op 18 november 2022 tegen de hiervoor – onder 2.4 – bedoelde uitspraak op bezwaar op digitale wijze een beroepschrift ingediend bij de Rechtbank. 2.7 De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 april 2023 met toepassing van artikel 8:54 van de Awb (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. 2.8 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. Belanghebbende is door de Rechtbank uitgenodigd ter zitting en is daarbij gewezen op de mogelijkheid dat de Rechtbank ook uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 22 augustus 2023 het verzet gegrond verklaard, omdat de niet-ontvankelijkheid van het beroep niet kennelijk was, en vervolgens met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. 2.9 Bij brief, door het Hof ontvangen op 29 september 2023, heeft belanghebbende op digitale wijze hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. 2.10 Bij bericht van 26 februari 2025, stuknummer 012-442-878-347, geplaatst in het webportaal Mijn Rechtspraak van belanghebbende, heeft de griffier van het Hof belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 2 april 2025 te Leeuwarden. 2.11 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2025 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Inspecteur [naam1] en [naam2] . Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en, zo dat niet het geval is, of de bestreden aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslag tot een opgelegd overeenkomstig de door hem ingediende aangifte. 3.3 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. 4Beoordeling van het geschil Vooraf en voor eerst 4.1 Indien partijen langs elektronische weg procederen, zijn de bepalingen van afdeling 8.1.6a Awb van toepassing. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling blijkt dat als een van de partijen een stuk heeft ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van het gerecht (hierna: het digitale systeem) of de bestuursrechter een bericht in dat systeem heeft geplaatst, partijen hiervan een in beginsel elektronisch notificatiebericht krijgen. 4.2 In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb dat het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde een notificatiebericht stuurt waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, het tijdstip is waarop de geadresseerde dat bericht heeft ontvangen. 4.3 Van de ontvangst van notificatieberichten kan desgewenst worden afgezien. Indien een betrokkene daarvoor kiest, geldt op grond van artikel 8:36c, lid 4, Awb als tijdstip van ontvangst van een bericht, het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160). 4.4 Belanghebbende heeft niet afgezien van de ontvangst van notificatieberichten. 4.5 Het Hof heeft bij de beheerder van het digitale systeem van het Hof loggegevens van de uitnodiging voor de zitting van het Hof opgevraagd. Van die gegevens is een afschrift bij het proces-verbaal van de zitting gevoegd. 4.6 Volgens de hiervoor - onder 4.5 - bedoelde gegevens is van de uitnodiging voor de zitting van het Hof bij bericht met het stuknummer 016-929-237-267 op 26 februari 2025 om 12:02:42 uur een notificatie verzonden aan [belanghebbende] @hotmail.com; dit is het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. 4.7 Uit het vorenoverwogene volgt dat de griffier van het Hof op 26 februari 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende heeft geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting van het Hof van 2 april 2025, en dat van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier eveneens op 26 februari 2025 een kennisgeving (notificatie) is verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb, op 26 februari 2025 om 12:02:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.