GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.299.529/02 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 132462 arrest van 27 mei 2025 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [appellant], advocaat: mr. A.J. Boonstra te Groningen, tegen Staatsbosbeheer, die is gevestigd in Amersfoort, en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie, hierna: Staatsbosbeheer, advocaat: mr. M.F. Mesu-Abbekerk te 's-Gravenhage. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Naar aanleiding van het arrest van 3 december 2024 heeft op 9 mei 2025 een (tweede) mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling bevindt zich bij de processtukken. Op 16 februari 2023 had een eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarna de zaak is aangehouden voor onderhandelingen tussen partijen. Toen partijen uiteindelijk geen overeenstemming bleken te hebben bereikt, heeft het hof in genoemd arrest een nieuwe mondelinge behandeling bepaald. Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling hebben beide partijen producties ( [appellant] de producties 32 t/m 36 en Staasbosbeheer de producties 51 en 52) in het geding gebracht. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum bepaald waarop arrest zal worden gewezen. 2Waar gaat het in deze zaak (nog) om?2.1 Tussen partijen bestaat een erfpachtovereenkomst op grond waarvan [appellant] percelen van Staatsbosbeheer mag gebruiken voor zijn rundveebedrijf. De overeenkomst van erfpacht bevat ook een bepaling die erop neerkomt dat Staatsbosbeheer jaarlijks verplicht is een hoeveelheid ruwvoer aan [appellant] te leveren, die [appellant] vervolgens van Staatsbosbeheer moet afnemen (het ruwvoerbeding). 2.2 Partijen hebben al geruime tijd een verschil van mening over de uitleg van het ruwvoerbeding. Zij menen over en weer dat de andere partij de overeenkomst niet nakomt en hebben daarover bij de rechtbank vorderingen ingesteld. Volgens [appellant] heeft Staatsbosbeheer bovendien in het jaar 2000 ruwvoer met daarin Jacobskruiskruid geleverd, waardoor een groot deel van zijn veestapel ziek is geworden en/of dood is gegaan. Hij heeft schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd. 2.3 De rechtbank heeft de vordering van Staatsbosbeheer gedeeltelijk toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. 2.4 Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een regeling getroffen voor hun geschillen over de uitleg en de nakoming van het ruwvoerbeding. Zij blijven van mening verschillen over de vordering van [appellant] betreffende het voer met Jacobskruiskruid, zodat het hof nog op deze vordering moet beslissen.2.5 Het hof zal beslissen dat deze vordering verjaard is en om die reden moet worden afgewezen. Deze beslissing zal hierna worden uitgelegd. 3De relevante feiten3.1 Partijen hebben op 8 juni 1995 een erfpachtovereenkomst gesloten. In artikel 1 van deze overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat [appellant] de in erfpacht gegeven percelen uitsluitend mag gebruiken met inachtneming van de beheersbepalingen zoals die betreffende het recht van erfpacht zijn overeengekomen. Artikel 2 van deze beheersbepalingen bevat het ruwvoerbeding, dat er in het kort op neerkomt dat Staatsbosbeheer verplicht is jaarlijks maximaal 250 ton droge stof ruwvoer te leveren aan [appellant] , die verplicht is het geleverde ruwvoer af te nemen.3.2 In het jaar 2000 heeft Staatsbosbeheer ruwvoer geleverd dat Jacobskruiskruid bevatte. Veel runderen van [appellant] zijn ziek geworden en zijn dood gegaan. Volgens [appellant] zijn ze ziek geworden door het eten van het ruwvoer van Jacobskruiskruid. Staatsbosbeheer heeft dat bestreden.3.3 De verzekeraar van [appellant] , Univé, heeft een deel van de schade van [appellant] vergoed op grond van de door [appellant] bij Univé afgesloten verzekering voor schade aan of verlies van de verzekerde dieren door ongeval of ziekte. Univé heeft jegens Staatsbosbeheer op grond van subrogatie aanspraak gemaakt op vergoeding van het door haar aan [appellant] uitgekeerde bedrag. Staatsbosbeheer heeft aansprakelijkheid afgewezen, waarna Univé omstreeks 2007 een procedure aanhangig heeft gemaakt tegen Staatsbosbeheer. Nadat de rechtbank Assen de vordering van Univé in 2012 had afgewezen, heeft dit hof (na een aantal tussenarresten) op 2 februari 2021 uiteindelijk geoordeeld dat Staatsbosbeheer aansprakelijk is voor tweederde deel van de schade en heeft het hof Staatsbosbeheer veroordeeld om ruim € 580.000,- met rente en kosten aan Univé te betalen.3.4 [appellant] zelf heeft Staatsbosbeheer ook aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van de levering van ruwvoer met Jacobskruiskruid. 3.5 Op 13 augustus 2009 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [appellant] en diens advocaat en vertegenwoordigers van Staatsbosbeheer, de heren [naam1] en [naam2] en mevrouw [naam3] . Van dit gesprek heeft [naam3] van Staatsbosbeheer een verslag gemaakt. Partijen zijn het niet eens geworden over de inhoud van het verslag. In het begin van het verslag is het volgende vermeld:‘Allereerst geeft [naam1] aan op welke onderwerpen dit gesprek volgens hem betrekking dient te hebben. Hij noemt daarbij achtereenvolgens: - de levering van ruwvoer; - de waterschapslasten; - het gebruik van de percelen te Rolde; - en tot slot een blik op eventuele oplossingen. Boonstra geeft aan dat [appellant] voorts de wens heeft om in te gaan op de schade die [appellant] heeft geleden doordat Staatsbosbeheer hem ruwvoer met daarin Jacobskruiskruid heeft geleverd, namelijk op het deel van de schade dat niet door Univé is vergoed. [naam1] geeft aan dat deze vraag dermate samenhangt met de procedure die thans aanhangig is bij de rechter, dat Staatsbosbeheer hier op dit moment geen uitspraken over wil doen en dit wil laten rusten tot na de uitspraak van de rechter.’Dit deel van het verslag is door [appellant] niet ter discussie gesteld. 4De beoordeling van het geschil Strijd met artikel 21 Rv? 4.1 [appellant] stelt dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat zij de kwestie van de schade door het geleverde voer met Jacobskruiskruid zouden laten rusten totdat daarover door de rechter in het geschil tussen Univé en Staatsbosbeheer definitief zou zijn beslist. Hij beroept zich daartoe op het in 3.5 aangehaalde verslag. 4.2 De advocaten van Staatsbosbeheer hebben tijdens de eerste mondelinge behandeling bestreden dat een afspraak is gemaakt tussen partijen over het laten rusten van de zaak. Eén van hen heeft aangegeven dat hij ook geen informatie heeft gezien over een dergelijke afspraak en dat de naam [naam1] - tijdens de mondelinge behandeling noemde de advocaat van [appellant] die naam - hem niets zegt. 4.3 Volgens [appellant] heeft Staatsbosbeheer artikel 21 Rv geschonden, door te bestrijden dat de door hem gestelde afspraak is gemaakt. Het hof volgt [appellant] daarin niet. Het stelt vast dat [appellant] het concept-verslag ten tijde van de eerste mondelinge behandeling niet had overgelegd. Dat de advocaten van Staatsbosbeheer dat verslag niet kenden, is niet verwonderlijk. Het was niet eens vastgesteld, omdat [appellant] zich niet in de inhoud ervan kon vinden. Het had dan ook op de weg van (de advocaat van) [appellant] gelegen om het over te leggen als hij zich erop wilde beroepen. Van een schending van artikel 21 Rv door Staatsbosbeheer is alleen om die reden al geen sprake. Verjaring - algemeen 4.4 Tussen partijen staat niet ter discussie dat op de vordering van [appellant] de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing is. Dat betekent dat de vordering verjaart door verloop van vijf jaren nadat [appellant] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke partij bekend is geworden en in elk geval door verloop van 20 jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De verjaring wordt (onder meer) gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een mededeling waarin [appellant] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (3:317 lid 1 BW). Na de stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen (art. 3:319 lid 1 BW). 4.5 Tijdens de tweede mondelinge behandeling heeft Staatsbosbeheer aangevoerd dat [appellant] in de periode tot 13 augustus 2009 de verjaring enkele malen heeft gestuit, voor het laatst op 17 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.