GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1208 uitspraakdatum: 17 juni 2025 Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 13 mei 2024, nummer AWB 23/1054, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Noordoostpolder (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 503.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikte waarde verminderd tot € 469.000, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en een kostenvergoeding toegekend. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard in verband met een gebrek aan belang, omdat de heffingsambtenaar de waarde van de woning verder had verlaagd dat belanghebbende in de bezwaarfase voorstond. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] , namens belanghebbende alsmede [naam2] , bijgestaan door [naam3] , taxateur, namens de heffingsambtenaar. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning met de volgende objectkenmerken: Type woning Vrijstaande woonboerderij Bouwjaar 1956 Oppervlakte 161 m2 Kavel 11.805 m2 Overig Schuur aangebouwd: 398 m2 Schuur vrijstaand: 144 m2 2.2. De Rechtbank heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep als volgt overwogen (waarbij voor ‘eiser’ belanghebbende moet worden gelezen): “6. Eiser heeft in de bezwaarprocedure een lagere WOZ-waarde bepleit van € 478.000,-. De heffingsambtenaar is aan dit bezwaar volledig tegemoetgekomen door de WOZ-waarde in de bestreden uitspraak vast te stellen op € 469.000,-. Dat is zelfs nog € 9.000,- lager dan de waarde die eiser bepleitte. Desondanks heeft eiser beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser aangevoerd dat de waarde nog steeds veel te hoog is. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van misbruik van recht. Aangezien de heffingsambtenaar volledig tegemoet was gekomen aan eisers bezwaar, kan niet worden ingezien waarom eiser nog beroep moest instellen. Uit het beroepschrift kan dit ook niet worden afgeleid. Daaruit blijkt veeleer dat (de gemachtigde van) eiser bij het opstellen van het beroep niet helder had wat hij in bezwaar had aangevoerd en wat de heffingsambtenaar daarmee had gedaan. Vervolgens komt de gemachtigde van eiser pas op de zitting met de stelling dat zijn cliënt na de bestreden uitspraak is geconfronteerd met nieuwe feiten en omstandigheden, namelijk ‘de energiekwestie’ die weer is veranderd, mede omdat niet één energieleverancier eiser een lager energiecontract dan € 510,- per maand wil aanbieden. Deze manier van procederen kan naar het oordeel van de rechtbank niet door de beugel en moet dan ook leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.” 2.3. Ten aanzien van de verzochte immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank als volgt overwogen: “7. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de duur van de bezwaar- en beroepsprocedure. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar zijn meer dan twee jaar verstreken. Dit is langer dan in beginsel als redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep wordt aangemerkt. In dit geval is met de uitspraak op bezwaar volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser. Het instellen van beroep was daarom niet nodig en van enige spanning en frustratie aan de zijde van eiser na de uitspraak op bezwaar kan daarom in redelijkheid geen sprake zijn geweest. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.” 3Geschil 3.1. In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep. 3.2. Voorts is in geschil de waarde van de woning per de waardepeildatum, na vermindering naar aanleiding van het bezwaar, te hoog is vastgesteld. 3.3. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en bepleit een waarde van € 449.000. De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend. 3.4. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn algemeen geformuleerde grieven in zijn hogerberoepschrift uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen en het geschil met betrekking tot de waarde van de woning beperkt tot de invloed van het energiecontract zoals dat is afgesloten per augustus 2023 op de waarde van de woning per waardepeildatum. 3.5. Daarnaast heeft belanghebbende, evenals voor de Rechtbank, verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 4Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid beroep 4.1. De Rechtbank heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep omdat hij bij dat beroep geen belang zou hebben gehad. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Niet-ontvankelijkverklaring moet weliswaar volgen als de indiener van het beroep geen belang heeft, maar dat is slechts het geval indien het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. In dit geval heeft belanghebbende in zijn beroepschrift gesteld dat de waarde – na vermindering daarvan in bezwaar – te hoog is vastgesteld. Nu belanghebbende door die eventuele vermindering in beroep in een (nog) betere positie zou kunnen komen te verkeren ten aanzien van de bestreden beschikking, is sprake van een belang bij belanghebbende. Daarbij is niet relevant dat de heffingsambtenaar de waarde in bezwaar verder heeft verlaagd dan belanghebbende op dat moment voorstond. Evenmin is, enkel vanwege het feit dat in beroep een verdergaande stelling wordt ingenomen dan in bezwaar, sprake van misbruik van procesrecht. Het beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 4.2. Partijen hebben voor dat geval nadrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen gegeven dat zij wensen dat het Hof op de zaak beslist. Het Hof zal aan dat verzoek gehoor geven. De waarde van de woning 4.3. In hoger beroep bepleit belanghebbende voor de woning een lagere waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is. 4.4. De waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". 4.5. Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning gemotiveerd betwist. Daarom rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Bij beantwoording van de vraag of hij daarin slaagt zijn niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang, maar ook de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt. 4.6. Indien belanghebbende beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de woning leidt, zoals vervuiling of veroudering, is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. 4.7. Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen. Dat betekent niet meer dan dat de rechter de waarde van de woning alleen op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. 4.8. Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatierapport van 6 september 2023, opgesteld door [naam4] , taxateur. Hierin is de waarde van de woning op € 469.000 getaxeerd aan de hand van verkoopcijfers van vijf woningen die omstreeks de waardepeildatum zijn verkocht. 4.9. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting, in het licht van hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning per de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Gezien het soort object (vrijstaande woonboerderij), het bouwjaar (omstreeks 1956), de inhoud (124 m3 tot 161 m3), de kavel (6.450 m2 tot 9.635 m2) en de overige kenmerken, zijn de vergelijkingsobjecten goed genoeg vergelijkbaar met de woning om hieruit conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de gezochte waarde. Bij de herleiding van de waarde van de woning uit de (gecorrigeerde) verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten, heeft de taxateur voldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen. Het door belanghebbende naar voren gebrachte argument dat de energiemaatschappijen minimaal € 510 per maand in rekening brengen voor de leveringen van gas en elektriciteit doet hier niet aan af, nu dat tarief pas in augustus 2023 bij belanghebbende in rekening werd gebracht en niet rond de waardepeildatum. Daar komt bij dat de e-mail waarin belanghebbende daarover zijn beklag doet aan de gemachtigde ziet op een bezwaar tegen de aanslag OZB 2024 en op geen enkele wijze refereert aan de aanslag OZB 2022. De taxatiematrix biedt naar het oordeel van het Hof voldoende steun aan de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde. Redelijke termijn beroep 4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn waarbinnen op het bezwaar- en beroepschrift had moeten worden beslist is overschreden. De Rechtbank heeft ook dienovereenkomstig beslist. Zij heeft aan belanghebbende geen immateriële schadevergoeding toegekend, omdat reeds volledig tegemoet was gekomen aan het bezwaar van belanghebbende (zie 2.3). Het instellen van beroep was daarom – aldus de Rechtbank – niet nodig en daarom kon geen sprake zijn van enige spanning en frustratie. Belanghebbende heeft tegen dit oordeel van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 4.11. Nu het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende wel een belang had met het instellen van het beroep (zie 4.1), houdt het oordeel van de Rechtbank dat het instellen van het beroep niet nodig was reeds om die reden geen stand. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden bij overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Dat beginsel vindt uitzondering voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat geringe financiële belang werd gesteld op € 15. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 4.12. Op 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad de bagatelgrens verhoogd, naar € 1.000 financieel belang bij de procedure. De Hoge Raad heeft ook bepaald dat de wijzigingen uit zijn arrest van 14 juni 2024 niet gelden voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.