GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1711 uitspraakdatum: 17 juni 2025 Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 16 september 2024, nummer AWB 22/1884, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Noordoostpolder (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 13 februari 2021 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 453.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard in verband met overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar had moeten worden gemaakt. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] , namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] , taxateur. Op de zitting heeft het Hof belanghebbende voorgehouden dat hij, volgens de gegevens van het Hof, het griffierecht niet tijdig heeft betaald. Het Hof heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Met partijen is ter zitting de afspraak gemaakt dat, na ontvangst van de stukken van belanghebbende, geen nadere zitting zou worden gehouden. 1.6. Belanghebbende heeft met dagtekening 9 mei 2025, door het Hof ontvangen op 13 mei 2025, gereageerd op de constatering van het Hof dat volgens zijn gegevens het verschuldigde griffierecht niet tijdig was betaald. 1.7. Het Hof heeft het onderzoek op 13 mei 2025 gesloten. 2Vaststaande feiten 2.1. Met dagtekening 3 oktober 2024 is aan de gemachtigde van belanghebbende, als indiener van het hogerberoepschrift, een nota griffierecht verzonden. De nota vermeldt het zaaknummer en de namen van de procederende partijen. In de nota wordt € 138 voor het hoger beroep in rekening gebracht, die volgens de nota uiterlijk 31 oktober 2024 moet zijn bijgeschreven op het rekeningnummer van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De nota vermeldt voorts: “Als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, kan uw beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard; dat wil zeggen dat uw beroepschrift niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.” 2.2. Met dagtekening 2 november 2024 is per aangetekende post een herinnering voor het betalen van het verschuldigde griffierecht aan de gemachtigde gezonden. In de herinnering is erop gewezen dat het verschuldigde griffierecht op dat moment nog niet is betaald. In de herinnering wordt – voor zover hier relevant – het volgende geschreven: “Ik deel u nu mee dat u het bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief moet hebben overgemaakt op rekening […]. Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid om het griffierecht te betalen.” 2.3. De gemachtigde heeft vaker ongemotiveerd een beroep gedaan op betalingsonmacht. Op 1 april 2022 heeft het Hof daarover een brief gestuurd aan de gemachtigde en aangegeven dat uitsluitend beroepen op betalingsonmacht in behandeling zullen worden genomen waarbij direct een voor de desbetreffende zaak ingevuld formulier wordt meegestuurd, dan wel waarbij direct de gegevens worden verstrekt die het Hof nodig heeft om het beroep op betalingsonmacht inhoudelijk te kunnen beoordelen. In de brief is ook aangegeven dat als de gemachtigde dit verzuimt, er geen acht op het verzoek wordt geslagen. 2.4. De gemachtigde heeft met dagtekening 4 november 2024, ontvangen door het Hof op 6 november 2024, een beroep op betalingsonmacht gedaan. Dat beroep heeft hij verder niet onderbouwd. Het Hof heeft er, gelet op de brief van 1 april 2022 (zie 2.3.) geen acht op geslagen. 2.5. Uit de door de gemachtigde overgelegde betalingsgegevens volgt dat het verschuldigde griffierecht op maandag 2 december 2024 om 22:27:37 is afgeschreven van de bankrekening van de gemachtigde. 3Ontvankelijkheid hoger beroep 3.1. Op grond van artikel 8:108 in verbinding met artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de indiener van het hogerberoepschrift griffierecht geheven. Artikel 8:108 in verbinding met artikel 8:41, leden vier en vijf, van de Awb regelt dat de griffier aan de indiener van het hogerberoepschrift mededeelt welk griffierecht is verschuldigd en wijst hij hem er voorts op dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling moet zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie moet zijn gestort. Uit artikel 8:108 jo. 8:41, lid zes, van de Awb volgt dat, indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het hoger beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 3.2. Belanghebbende is bij herinnering van zaterdag 2 november 2024 de termijn gegeven om binnen vier weken na dagtekening van de herinnering het verschuldigde griffierecht te betalen (zie 2.2.). De laatste dag van de termijn voor de betaling van het griffierecht was zaterdag 30 november 2024. Artikel 1, lid 1 van de Algemeen termijnenwet regelt dat een in de wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Dit houdt in dat het verschuldigde griffierecht op maandag 2 december moest zijn bijgeschreven op het rekeningnummer van het gerecht. Het verschuldigde griffierecht is afgeschreven en ontvangen op 2 december 2024. Daarmee is het verschuldigde griffierecht tijdig betaald. Redelijke termijn beroep 3.3. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 3 maart 2022. De uitspraak op bezwaar is van 11 maart 2022. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 16 september 2024. De Rechtbank is uitgegaan van een verlengde redelijke termijn van drie jaar voor de bezwaar- en beroepsfase samen, omdat de gemachtigde van belanghebbende een zeer groot aantal bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures heeft lopen “bij deze rechtbank”, dat hij geen personeel heeft en dat zijn handelwijze noodzakelijkerwijs leidt tot het oplopen van de duur van de behandeling van de door hem ingestelde beroepen en daarmee tot het overschrijden van de redelijke termijn en dat die handelswijze aan belanghebbende kan worden toegerekend. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden en heeft vergoeding van immateriële schade toegekend. Belanghebbende heeft tegen dit oordeel van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 3.4. Het beroepschrift van belanghebbende is door de Rechtbank ontvangen op 16 maart 2022. Een machtiging is door belanghebbende overgelegd bij brief van 17 mei 2022. Het verschuldigde griffierecht is door belanghebbende betaald op 12 juli 2022. Op 2 augustus 2022 is de heffingsambtenaar verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de Rechtbank te doen toekomen. Op 22 september 2022 is een rappel verzonden aan de heffingsambtenaar met het verzoek deze stukken binnen twee weken in te zenden. Het verweerschrift van de heffingsambtenaar – naar het Hof aanneemt zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken als bijlagen bij dit verweerschrift meegezonden – draagt de dagtekening 29 september 2022. Het stempel met de datum van ontvangst door de Rechtbank is onleesbaar, maar belanghebbende is bij brief van 30 september 2022 verwittigd dat het verweerschrift (met bijlagen) aan het dossier zijn toegevoegd, waarbij kopieën zijn meegezonden. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2022 te Haarlem. De uitnodiging voor de zitting is verzonden op 1 mei 2022. 3.5. Het Hof is van oordeel dat de algemene door de Rechtbank genoemde omstandigheden geen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. Gelet op het bovenstaande zijn er ook geen andere omstandigheden die een verlenging van die termijn rechtvaardigen. Uit het procesdossier blijkt niet dat het tijdsverloop tussen 30 september 2022 en 1 mei 2024 (een periode van 17 maanden) aan de proceshouding van belanghebbende of anderszins aan hem of zijn gemachtigde is te wijten, dan wel dat anderszins een verlenging van de redelijke termijn aan de orde is. 3.6. Dit betekent dat in de bezwaar- en beroepsfase de redelijke termijn met meer dan 6 maanden maar minder dan een jaar is overschreden. 3.7. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden bij overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Dat beginsel vindt uitzondering voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat geringe financiële belang werd gesteld op € 15. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 3.8. Op 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad de bagatelgrens verhoogd, naar € 1.000 financieel belang bij de procedure. De Hoge Raad heeft ook bepaald dat de wijzigingen uit zijn arrest van 14 juni 2024 niet gelden voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.