GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.353.095 en 200.354.257 zaaknummer rechtbank Gelderland 448513 beschikking van 19 juni 2025 over de voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)uithuisplaatsing van [de minderjarige] in de zaak van [verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. F.R.G. Drenth en Raad voor de kinderbescherming (de raad)die is gevestigd in Arnhem en [de vader] (de vader) die woont op een bij het hof bekend adres en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, handelend onder de naam Jeugd Veilig Verder (de GI) 1Samenvatting 1.1. De raad heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een (netwerk)pleeggezing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft dat verzoek toegewezen 1.2. Het hof vindt dat de kinderrechter de juiste beslissing heeft genomen en legt hierna uit waarom. 2De feiten 2.1. De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2019 geboren. 2.2. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . 2.3. [de minderjarige] woonde bij haar moeder. Sinds maart 2025 verblijft [de minderjarige] bij oma (vaderszijde, hierna: vz). 3De procedure bij de kinderrechter 3.1 De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, (de kinderrechter) heeft [de minderjarige] in de beschikking van 5 maart 2025 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden (tot 5 juni 2025) en een spoedmachtiging verleend om haar uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg voor de duur van vier weken (tot 2 april 2025) en iedere verdere beslissing aangehouden. 3.2. Vervolgens heeft de kinderrechter in de beschikking van 14 maart 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verleend tot 5 juni 2025. 4De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt. 4.2. De vader is het wel eens met de beslissingen van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter in stand laat. 4.3. De raad wil dat de beslissingen in stand blijven. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.4. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: in zaaknummer 200.353.095 (die gaat over de beschikking van 5 maart 2025): het beroepschrift, ingediend op 28 maart 2025 de stukken van de moeder ingediend op 12 mei 2025 het verweerschrift/de pleitnotitie van de raad ingediend op 20 mei 2025 in zaaknummer 200.354.257 (die gaat over de beschikking van 14 maart 2025): het beroepschrift ingediend op 29 april 2025 de stukken van de moeder ingediend op 12 mei 2025 het verweerschrift/de pleitnotitie van de raad ingediend op 20 mei 2025 4.5. De zitting bij het hof was op 22 mei 2025. Aanwezig waren: de advocaat van de moeder de vader een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad) een vertegenwoordiger van de GI 5Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? Wettelijk kader ondertoezichtstelling 5.1. Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:257 BW kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling voor de duur van ten hoogste drie maanden indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond zoals genoemd in artikel 1:255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. 5.3. Op grond van artikel 807 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat, voor zover hier van belang, tegen een beschikking als bedoeld in artikel 1:257 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Volgens vaste rechtspraak is ondanks een appelverbod hoger beroep wel mogelijk, indien erover wordt geklaagd dat de eerste rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Wettelijk kader uithuisplaatsing 5.4. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van deze minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.5. Op grond van artikel 800, derde lid, Rv kunnen beschikkingen tot machtiging van de GI om een minderjarige uit huis te plaatsen alleen dan onmiddellijk worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen hun kracht na afloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken. Standpunten 5.6. De moeder is het niet eens met de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Zij vindt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de zorgen die de raad over [de minderjarige] heeft. Er is volgens de moeder nooit afgesproken dat [de minderjarige] bij de oma (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.