Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004877-24 Uitspraak d.d.: 26 juni 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 28 oktober 2024 met parketnummer 16-090875-24 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), voor zover inhoudende, kort gezegd, een contact- en locatieverbod betreffende aangeefster, voor de duur van vijf jaren. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede tot het bepalen van de maximale vervangende gijzeling die kan worden opgelegd, indien volledig verhaal bij niet voldoen aan de betalingsverplichting aan de Staat niet mogelijk blijkt te zijn, op 100 dagen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.B. Venema, en de benadeelde partij naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte bij vonnis waarvan beroep veroordeeld ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis in combinatie met de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, voor zover inhoudende, kort gezegd, een contact- en locatieverbod met betrekking tot aangeefster, voor de duur van twee jaren. Van deze maatregel heeft de politierechter de dadelijk uitvoerbaarheid bevolen. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De maximale gijzeling die kan worden toegepast, indien volledig verhaal bij niet voldoen aan de betalingsverplichting aan de Staat niet mogelijk blijkt te zijn, heeft de politierechter bepaald op tien dagen. Voor het overige heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij afgewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks 9 maart 2024 tot en met 14 maart 2024 te [pleegplaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door - één of meer mails te versturen en/of - één of meer Whatsappberichten te versturen en/of - eenmaal of meermaals voor haar deur te staan en/of - haar op te wachten en te proberen haar tegen haar wil uit een auto te laten stappen en/of - haar achterna te lopen/rennen terwijl zij niet met hem wilde spreken, met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Stanpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit nu er, gezien de korte duur waarin de handelingen van verdachte hebben plaatsgevonden, de geringe intensiteit ervan en de context waarbinnen dit handelen dient te worden geplaatst, namelijk na de breuk van een jarenlange relatie, geen sprake is van de voor een veroordeling voor belaging vereiste stelselmatigheid. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder op de navolgende wijze. Nu verdachte de ten laste gelegde handelingen ter terechtzitting in hoger beroep grotendeels heeft bekend, dan wel heeft verklaard dat hij “best degene zou kunnen zijn geweest” die deze handelingen heeft gedaan, dient het hof zich in hoger beroep enkel nog te buigen over de vraag of verdachte zich door dit handelen schuldig heeft gemaakt aan de belaging van aangeefster. Met betrekking tot het beantwoorden van deze vraag stelt het hof voorop dat bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Hierbij geldt dat ook sprake kan zijn van belaging in de zin van voornoemd artikel wanneer de gedragingen van de verdachte in een kort tijdbestek hebben plaatsgevonden, mits de aard, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van voldoende gewicht zijn. In dit kader is van belang dat uit het dossier en uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aangeefster en verdachte gedurende een aanzienlijke periode een (knipperlicht)relatie hebben gehad. Op 9 maart 2024 wilde aangeefster hier echter definitief een einde aan maken. Hiertoe heeft zij verdachte gebeld en hem verteld dat zij geen contact meer met hem wil. Vervolgens heeft aangeefster verdachte via verschillende sociale media geblokkeerd. Na dit moment bleef verdachte aangeefster echter, gedurende de ten laste gelegde periode en ook na het stopgesprek van de politie op 10 maart 2024, steeds meermalen per dag opzoeken of benaderen, zowel door haar anoniem of via Whatsapp en via verschillende telefoonnummers te bellen, door haar te berichten vanaf zijn e-mailadres, via Whatsapp met verschillende telefoonnummers of door middel van andere sociale media, door haar vriendin aan te spreken, door in de winkel langs te komen waar zij werkte en haar daar steeds aan te kijken, door op verschillende momenten, soms meermalen op één avond, voor haar huis te staan en haar daar op te wachten of haar naar buiten te trachten te laten komen zodat hij met haar kon praten, door haar op straat achterna te lopen en aan te spreken. Ook heeft hij haar bij de Albert Heijn op de parkeerplaats opgewacht en ingesloten met de auto om haar zo te proberen te bewegen uit te stappen om met hem te praten. Gelet op die gang van zaken is het hof, anders dan door de verdediging betoogd, van oordeel dat verdachte zich door zijn handelen in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de belaging van aangeefster. Uit het hiervoor overwogene volgt namelijk dat verdachte in de ten laste gelegde periode van zes dagen op een indringende en uiterst imponerende manier contact met aangeefster heeft opgezocht, soms meermalen op één avond. Hierbij heeft hij haar buitenshuis op verschillende plekken opgezocht, achternagelopen en/of aangesproken en stond hij eveneens meermalen voor haar voordeur. Dit terwijl hij er meermalen, door zowel aangeefster als de politie, op is gewezen dat aangeefster geen contact met hem wenste. Dat de handelingen van verdachte in een relatief korte periode hebben plaatsgevonden en dat verdachte en aangeefster hieraan voorafgaand een langdurige (knipperlicht)relatie hebben gehad, doet niet af aan de indringendheid, de frequentie van de handelingen binnen de tenlastegelegde periode, aan de intensiteit van de handelingen van verdachte en het effect daarvan op het persoonlijke leven vaan aangeefster. Het geheel daarvan maakt dat sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op aangeefsters persoonlijke levenssfeer. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: verdachte in de periode van 9 maart 2024 tot en met 14 maart 2024 te [pleegplaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door - mails te versturen en - Whatsappberichten te versturen en - meermaals voor haar deur te staan en - haar op te wachten en te proberen haar tegen haar wil uit een auto te laten stappen en - haar achterna te rennen terwijl zij niet met hem wilde spreken, met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: belaging. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen. Verdachte heeft zich gedurende de periode van 9 maart 2024 tot en met 14 maart 2024 schuldig gemaakt aan belaging door in die periode stelselmatig en op verschillende manieren, zowel direct als indirect, contact te zoeken met aangeefster, zijn ex-vriendin, terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. Hierdoor heeft verdachte zich niet enkel ongepast en uitzonderlijk hinderlijk gedragen, maar heeft hij ook inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen, nu hij het stopgesprek en de overige inspanningen van de politie om zijn gedrag te stoppen heeft genegeerd, laten zien eveneens geen respect te hebben voor het openbaar gezag. Voor zijn handelen heeft verdachte, ook in hoger beroep, op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen. Ook heeft hij geen inzicht getoond in de schadelijke gevolgen die zijn handelen teweeg hebben gebracht voor aangeefster. Het hof heeft kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 mei 2025 van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Het hof heeft ook acht geslagen op de reclasseringsrapporten van 12 juli 2024 respectievelijk 25 oktober 2024 die met betrekking tot verdachte door Reclassering Nederland zijn opgemaakt. In laatstbedoeld rapport adviseert de reclassering onder andere een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38v Sr, in de vorm van een contact- en locatieverbod met betrekking tot aangeefster, en die maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Het hof heeft, bij het bepalen van de hoogte van de straf en de strafmodaliteit ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2025 naar voren zijn gebracht, in ogenschouw genomen. Verdachte heeft verklaard een eigen woonruimte te hebben. Verder is hij momenteel nog steeds bezig met zijn HBO-studie. Verdachte heeft verder verklaard dat hij goed kan rondkomen van zijn inkomen uit zijn studiefinanciering en zijn online handel in producten, en dat het verder goed gaat met hem. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een taakstraf van 160 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 80 dagen hechtenis, waarvan 80 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren. Verder ziet het hof in onderhavige zaak aanleiding om als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod te stellen op de in het dictum na te noemen wijze. De voorwaardelijk opgelegde taakstraf, alsmede de bijzondere voorwaarden, dienen als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer de fout in zal gaan, onder meer door wederom contact op te zoeken met aangeefster. De door de reclassering in haar advies van 25 oktober 2024 genoemde omstandigheden en de door de politierechter in het vonnis benoemde aanleiding tot oplegging van een dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel zijn in hoger beroep niet meer geactualiseerd. Gelet op de indringendheid van die maatregel en op het tijdsverloop sinds het opstellen van dat reclasseringsrapport en het vonnis zal het hof de tot oplegging van de maatregel strekkende vordering van de advocaat-generaal niet volgen. Het hof zal daarom de door de politierechter uitgesproken dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel opheffen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Hoewel invoelbaar is dat het gedrag van verdachte in de richting van aangeefster zonder meer onaangenaam is geweest, is het hof van oordeel dat binnen de gegeven context van beëindiging van een langdurige relatie door de benadeelde partij onvoldoende concrete gegevens zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval bij haar psychische schade is ontstaan, dan wel dat zij is aangetast in haar persoon op andere wijze, zodanig dat hiervoor compensatie op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW zonder meer aangewezen is te achten. Het hof is dan ook van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd waardoor zij thans niet in de vordering kan worden ontvangen en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is direct of indirect, op welke wijze dan ook, contact te leggen of te laten leggen met aangeefster [benadeelde] , geboren op [geboortedatum benadeelde] ; het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in de straat waar [benadeelde] woonachtig is, te weten de [woonadres benadeelde] . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Heft op het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij het vonnis waarvan beroep opgelegde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Aldus gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. G.A. Versteeg en mr. J. Hielkema, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier, en op 26 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.