Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001514-22 Uitspraak d.d.: 11 juli 2025 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2022 met parketnummer 18-172418-21 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, wonende te [adres] . Hierna ‘betrokkene’. Het hoger beroep De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens betrokkene door zijn raadsman, mr. A.M.J. Comans, naar voren is gebracht. De beslissing waarvan beroep De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beslissing van 31 maart 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 31.183,-. De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de rechtbank op datzelfde bedrag vastgesteld. Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw recht wordt gedaan. Vordering De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 31.816,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie de vordering vanwege een herberekening verlaagd tot een bedrag van € 26.233,-, met de verplichting tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 29.633,- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De hoofdzaak De betrokkene is bij vonnis van rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2022 met parketnummer 18-172418-21 veroordeeld voor medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; oplichting, meermalen gepleegd; medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd; poging tot oplichting; en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij hij het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 15.783,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting. De wijze van vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof, evenals de rechtbank, als uitgangspunt voor de berekening het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e lid 2 Sr van 28 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.