Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005902-23 Uitspraak d.d.: 11 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2023 met parketnummer 18-323580-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis; gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.968,18, bestaande uit € 968,18 materiële en € 6.000,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Knol, en namens de benadeelde partij door haar raadsman, mr. C.J. Nierop, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte bij vonnis waarvan beroep veroordeeld ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.170,00, bestaande uit € 1.170,00 materiële en € 5.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging en beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 3 juni 2022 te [plaats 1] [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij] met de (gebalde) vuist in het gezicht en/of de keel althans tegen het lichaam te slaan, waardoor deze [benadeelde partij] ten val kwam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten - ( een) kaakfractu(u)r(en) en/of - sneeën in het gezicht ten gevolge heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde feit vrijgesproken dient te worden. Hiertoe heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die aangeefster heeft geraakt waardoor zij viel. Nu aangeefster heeft verklaard op haar strottenhoofd te zijn geraakt en zij, zoals op de beelden is te zien, met haar rug richting verdachte staat, heeft hij niet degene kunnen zijn die haar op het strottenhoofd heeft geraakt. Het zou namelijk ook zo kunnen zijn dat zij is geraakt door [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ). Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde vereiste (voorwaardelijk) opzet aan de kant van verdachte niet bewezen kan worden. Verdachte heeft immers [getuige 1] , waarmee hij in gevecht was, willen raken en niet aangeefster. Op het moment dat hij richting [getuige 1] uithaalde, sprong aangeefster er echter plotseling tussen. Dit heeft verdachte niet kunnen weten en hij heeft er ook geen rekening mee kunnen en moeten houden. Het ertussen springen van aangeefster ging zo snel en abrupt dat verdachte geen kans had om zijn al ingezette gedrag daarop aan te passen. De verdachte heeft in het verlengde hiervan verklaard dat [getuige 1] en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) de aanstichters van het gevecht waren. Zij zouden dingen naar hem hebben geroepen waardoor hij verhaal is gaan halen. Hij is niet degene geweest die is begonnen met slaan, maar juist [getuige 1] en [getuige 2] . Hierdoor is hij op enig moment ook op de grond terecht gekomen. De manier waarop [getuige 1] en [getuige 2] hem aanvielen, rechtvaardigt volgens verdachte een beroep op noodweer. Oordeel van het hof Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
- De eigen waarneming van het hof, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025, voor zover inhoudende: De beelden uit het dossier, die betrekking hebben op het voorval van 3 juni 2022 bij het [locatie 1] , worden ter terechtzitting in hoger beroep afgespeeld. Bij het bekijken van de beelden constateert het hof dat op deze beelden allereerst te zien is dat verdachte met dreigende lichaamstaal dicht op [getuige 1] gaat staan waardoor deze een stap achteruit doet. Vervolgens vindt er een knip in de beelden plaats, waarna te zien is dat er een gevecht is ontstaan tussen verdachte en [getuige 1] . Aangeefster probeert de twee vechtende mannen uit elkaar te halen. Hierbij is onder andere te zien dat verdachte en aangeefster elkaar kort over en weer duwen. Vervolgens staan verdachte en [getuige 1] tegenover elkaar en staat aangeefster naast verdachte. [getuige 1] loopt achteruit en verdachte doet stappen vooruit in zijn richting. Ook aangeefster doet stappen vooruit en beweegt zich daarbij tussen de twee mannen in. Zij staat op dat moment met haar zijkant richting verdachte. Tegelijkertijd haalt verdachte hard uit met zijn vuist. Vrijwel meteen daarna valt aangeefster voorover op de grond, terwijl het gevecht tussen verdachte en [getuige 1] wordt voortgezet. Hierdoor verplaatsen zij zich waardoor aangeefster, tijdens haar val, met haar rug richting verdachte staat.
- De verklaring van verdachte zoals deze is afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik was op 3 juni 2022 bij het [locatie 1] . Ik zag daar aangeefster, [getuige 1] en [getuige 2] . Er ontstond een woordwisseling en daarna een gevecht. Op enig moment stonden twee personen voor mij, te weten aangeefster en [getuige 1] . [getuige 2] stond er niet meer bij. Aangeefster kwam tussen mij en [getuige 1] staan. Ik heb haar toen weggeduwd. Dat is ook op de beelden te zien. Daarna stond [getuige 1] alleen voor mij. Ik zag dat aangeefster toen naast mij stond. Ik heb toen uitgehaald met mijn vuist omdat ik [getuige 1] wilde raken. Er zijn beelden van het voorval, maar daarin is geknipt. Op deze beelden ben ik te zien. Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, worden hiermee, tenzij anders aangegeven, bedoeld paginanummers van een in wettelijke vorm, door de daartoe bevoegde ambtena(a)r(e)n, opgemaakt proces-verbaal uit het politiedossier met nummer: PL0100-2022139924 van Politie [locatie 2] , op ambtsbelofte opgemaakt en afgesloten door [verbalisant] , hoofdagent bij Politie-eenheid [locatie 2] , op 10 november
- Het proces-verbaal van aangifte van 3 juni 2022, opgenomen op pagina 16 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde partij] , zakelijk weergegeven: Ik was vanavond (het hof begrijpt: op 3 juni 2022 in de namiddag) met mijn vriend [getuige 1] en onze gezamenlijke vriend [getuige 2] bij [locatie 1] . Op een gegeven moment komt er een bekende van [getuige 1] naar ons toe. Dit was [verdachte] . Ik sprong ertussen en op dat moment werd ik heel hard geslagen op mijn strottenhoofd. Ik voelde een hevige pijn in mijn keel en ik kon op dat moment ook moeilijker ademhalen. Uit verder onderzoek bleek dat mijn kaak zowel links als rechts gebroken is. Verder zijn er stukjes van mijn kiezen afgebroken.
- Het proces verbaal van verhoor getuige van 12 juli 2022, opgenomen op pagina’s 49 tot en met 51 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), zakelijk weergegeven: Het klopt dat ik getuige ben geweest van de mishandeling welke gepleegd is op vrijdag 3 juni 2022 bij het [locatie 1] aan de [straat] te [plaats 1] . Toen ik op voornoemde datum rechts uit het raam van de auto keek, zag ik drie mannen en een vrouw staan. Zij stonden eerst te praten. Vervolgens zag ik dat een man uit dat groepje een andere man sloeg, welke meerdere klappen met de vuist in het gezicht kreeg en ook werd geschopt. Ik zag dat de vrouw, die erbij stond, ertussen ging staan. Ik zag vervolgens dat deze vrouw een klap met de vuist in haar gezicht kreeg. Deze vrouw kreeg de klap van de manspersoon die als eerste begon te slaan (het hof begrijpt: verdachte).
- Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van [geneeskundige] , MKA-chirurg bij [locatie 3] , van 10 juni 2022, los bij voornoemd dossier gevoegd, voor zover inhoudende als verklaring van de chirurg, zakelijk weergegeven: Anamnese 3/6 slachtoffer van mishandeling, meerdere klappen in aangezicht gehad. Bewustzijnsverlies. Gisteren opvang en triage op SEH [plaats 2] . Normale sensibiliteit nervus alveolaris inferior rechts. Lichamelijk onderzoek Crustae en reeds verzorgde laceraties peri-oraal rechts. Beet links fractie open en midline shift naar rechts. Tandboog congruent, geen mobiliteit fractuurdelen 4e kwadrant. Haematoom(pje) mondbodem rechts. Aanvullend onderzoek 04-06-2022: x-opg/ collum md fractuur links. Niet gedislokeerde corpus md fractuur rechts. Conclusie Collum md fractuur links. Niet gedislokeerde corpus md fractuur rechts.
- Een schriftelijk bescheid, te weten de slachtofferverklaring van aangeefster, als bijlage gevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De arts heeft mij verteld om de zwelling in mijn gezicht een week lang rust te geven om vervolgens brackets te plaatsen met elastieken. Er werd mij gelijk verteld dat ik de komende zes weken geen vast voedsel mocht eten en ik alleen vloeibaar mocht eten. Na een kaak correctie die ik heb gehad in 2017 ben ik het gevoel in mijn linker onderlip verloren. Dat was al heel vervelend maar door dit incident ben ik het gevoel in mijn linker bovenlip ook kwijt geraakt. En is heel de operatie in 2017 voor niks geweest aangezien ik weer opnieuw een overbeet (wat betekent dat je onderkaak naar achteren staat) heb gekregen door dit incident. Hierdoor heb ik altijd het gevoel dat ik scheef praat. Nadat ik de 6 weken lang elke week in [plaats 3] ben geweest om de brackets te controleren en kijken hoe de breuken aan het helen waren. En dus 6 weken vloeibaar voedsel te hebben gehad. Mochten ze er na 6 weken uit. Na die 6 weken had ik nog steeds veel pijn aan mijn kaakgewrichten en stonden mijn tanden en kiezen niet op een passende manier op elkaar. Na het horen van mijn klachten en met betrekking tot de splint heeft de kaakchirurg mij doorgestuurd naar de bijzondere tandheelkunde in [plaats 3] . Daar ben ik op dit moment nog steeds onder behandeling. Ik heb voor een week terug na al die tijd eindelijk mijn splint ontvangen, die ervoor zorgt dat ik in de nachten een enig sinds fijne manier heb om dicht te bijten. Maar nog steeds ervaar ik elke dag last van mijn linker kaakgewricht. Bewijsoverweging Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hierboven zijn opgenomen en uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder op de navolgende wijze. Vaststelling slaan door verdachte Het hof is van oordeel dat, in tegenstelling tot het standpunt van de raadsvrouw, op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vastgesteld kan worden dat verdachte degene is geweest die aangeefster heeft geraakt met zijn vuist en dat het door die klap is geweest dat aangeefster ten val is gekomen. Zo is op de beelden te zien dat er maar door één persoon wordt uitgehaald wanneer aangeefster tussen verdachte en [getuige 1] staat, te weten door verdachte. Vrijwel direct na deze uithaal valt aangeefster op de grond. Hetgeen op de beelden te zien is, wordt verder ondersteund door de rest van het dossier, waaronder begrepen de verklaring van [getuige 3] die op geen enkele wijze betrokken was bij het voorval en die verklaart dat zij zag dat aangeefster een klap van verdachte kreeg met de vuist in het gezicht. Het hof volgt de raadsvrouw daarmee ook niet in haar lezing van de feiten voor zover zij stelt dat verdachte aangeefster niet op het strottenhoofd heeft kunnen raken, omdat zij met de rug naast verdachte stond, nu uit voornoemde verklaring van [getuige 3] blijkt dat aangeefster (mede) op haar gezicht is geraakt en uit de beelden naar voren komt dat aangeefster met haar zijkant richting verdachte stond ten tijde van de uithaal en pas later, ten tijde van (het einde) van haar val, met haar rug richting verdachte stond. Opzet Nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte degene is geweest die aangeefster met de vuist heeft geraakt waardoor zij ten val is gekomen, dient het hof de vraag te beantwoorden of verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Hierbij geldt dat voorwaardelijk opzet, in die zin dat vastgesteld kan worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster zou raken en haar pijn en/of letsel zou toebrengen, voldoende is. In het algemeen geldt hierbij dat of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. In tegenstelling tot het standpunt van de raadsvrouw is het hof van oordeel dat voornoemde vraag bevestigend kan worden beantwoord. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt namelijk dat verdachte, hoewel hij wellicht primair de bedoeling had om met zijn harde uithaal [getuige 1] te raken, op de koop toe heeft genomen dat hij daarbij (ook of slechts) aangeefster zou raken. Hij bevond zich immers in een gevecht waarbij meerdere personen een rol speelden, terwijl hij zich bewust ervan was dat één van die personen aangeefster betrof. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij wist dat zij hem en [getuige 1] uit elkaar probeerde te halen en dat zij zich daartoe tussen hen twee bewoog en verdachte (kort voor diens uithaal) duwde, dat hij haar ook nog zelf heeft geduwd en dat hij zag dat zij naast hem stond vlak voordat hij zou gaan uithalen. Onder deze omstandigheden, waarvan hij zich bewust was, alsmede in aanmerking genomen dat in het algemeen in een dergelijke gevechtssituatie niet ervan uitgegaan kan worden dat de omstandigheden en personen rondom het gevecht onder controle kunnen worden gehouden, te meer nu aangeefster zich eerder tussen de twee vechtende mannen had bewogen, en het gevecht duidelijk niet statisch was, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat verdachte, door onder voornoemde omstandigheden hard uit te halen op de manier waarop hij dat heeft gedaan, (mede) aangeefster zou raken (al dan niet in plaats van [getuige 1] ) en haar pijn en letsel zou toebrengen, alsmede dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Ten gevolge van de klap die aangeefster van verdachte heeft gehad, is zij vervolgens op de grond gevallen en heeft zij meerdere kaakbreuken opgelopen en meerdere sneeën. Uit de slachtofferverklaring volgt dat aangeefster zes weken lang vloeibaar voedsel moest eten, dat zij zes weken lang elke week voor controle moest om te kijken of de breuken goed heelden, dat zij na die zes weken nog steeds veel pijn had aan haar kaakgewrichten en haar tanden en kiezen nog niet op een passende manier op elkaar stonden, dat zij nog steeds elke dag last heeft van haar linker kaakgewricht en dat zij het gevoel in haar linker bovenlip kwijt is. Dit letsel dient naar het oordeel van het hof gezien de aard en de gevolgen ervan voor aangeefster naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr te worden aangemerkt. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat hij handelde uit noodweer. Het hof is echter van oordeel dat verdachtes beroep op noodweer niet kan slagen nu op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachte op dat moment aangevallen werd en zich in een noodweersituatie bevond. Zo blijkt uit de beelden dat verdachte degene is geweest die met dreigende lichaamstaal dicht op [getuige 1] is gaan staan. Het gevecht dat direct daarna is ontstaan, mist weliswaar in de beelden, maar een omstander die niks met het gevecht te maken had, namelijk [getuige 3] , heeft verklaard dat verdachte degene is geweest die als eerste heeft geslagen. Uit het deel van het gevecht dat wel te zien is op de beelden blijkt ook dat verdachte degene is die het initiatief neemt tot het slaan. Het hof is gezien het hiervoor overwogene van oordeel dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 3 juni 2022 te [plaats 1] [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij] met de vuist in het gezicht en tegen de keel te slaan, waardoor deze [benadeelde partij] ten val kwam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten - een kaakfractuur, en - sneeën in het gezicht ten gevolge heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangeefster, terwijl dit voor haar zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Door aldus te handelen heeft verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Door de val ten gevolge van de harde klap die verdachte haar met de vuist gaf, heeft zij meerdere kaakbreuken en sneeën opgelopen. Eén van deze sneeën heeft geleid tot een blijvend litteken in het gelaat van aangeefster, dat zij elke dag nog in de spiegel zal moeten zien. Verdachte heeft voor zijn handelen en de gevolgen daarvan voor aangeefster slechts in beperkte mate verantwoordelijkheid genomen. Het hof houdt er evenwel ook rekening mee dat nergens uit is gebleken dat verdachte heeft gehandeld met het doel om dusdanig ernstig letsel bij aangeefster te veroorzaken. Het hof weegt bij de strafoplegging mee dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 mei 2025 van verdachte blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het hof heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf ook meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2025 naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft een eigen woning. Verder was hij enige tijd bezig met het opzetten van zijn eigen bedrijf, maar dat is uiteindelijk niet gelukt. Momenteel werkt verdachte niet en ontvangt hij een bijstandsuitkering. Hij wil in de toekomst graag aan werken in de zorg en is van plan daarvoor te gaan studeren. Hiervoor heeft hij momenteel nog geen stappen ondernomen. Ook heeft verdachte schulden die hij probeert af te betalen. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van een taakstraf van 40 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 20 dagen hechtenis. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.500,00, bestaande uit € 1.500,00 materiële en € 20.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.170,00, bestaande uit € 1.170,00 materiële en € 5.000,00 immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd in het strafproces. Zij heeft de oorspronkelijke vordering echter verlaagd naar een bedrag van € 8.968,19, bestaande uit € 968,16 materiële en € 8.000,00 immateriële schade. Eigen schuld De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat aan de kant van de benadeelde partij sprake is van dusdanige eigen schuld, in de zin van artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), dat haar vordering op voorhand dient te worden afgewezen, dan wel dat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdeling van een eventuele vergoedingsplicht gezien haar eigen schuld een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij is immers degene geweest die de doelbewuste keuze heeft gemaakt om tussen verdachte en [getuige 1] te springen waardoor zij kon worden geraakt en schade heeft geleden. Het hof volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt. Voor een geslaagd beroep op de eigen schuld van de benadeelde partij op grond van artikel 6:101 lid 1 BW is vereist dat de ontstane schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Hierbij dient te worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van de benadeelde partij en anderzijds het gedrag van de verdachte tot de schade heeft bijgedragen. Het handelen van de benadeelde partij tijdens het voorval, zoals dit hierboven uiteen is gezet en dat vooral de-escalerend van aard is geweest, rechtvaardigt op geen enkele wijze de conclusie dat dit heeft bijgedragen aan de ontstane schade. Derhalve is hier geen sprake van een situatie waarin de billijkheid een afwijzing, dan wel een vermindering op welke wijze dan ook, van de vergoedingsplicht van de verdachte eist en daarmee geen sprake van een situatie waarin er een verdeling van een eventuele vergoedingsplicht zou moeten plaatsvinden waarvan gezegd zou kunnen worden dat het een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Materiële schade De door de benadeelde partij gevorderdere materiële schade bestaat voor € 500,00 uit reis- en verletkosten en voor € 468,16 uit kosten betreffende het eigen risico. Voor wat betreft deze laatste kostenpost, die inhoudelijk niet door de verdediging is betwist, geldt dat het hof van oordeel is dat, gelet op de onderbouwing van de benadeelde partij en de overige inhoud van het dossier, voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Ten aanzien van de gevorderde reis- en verletkosten is het hof van oordeel dat op grond van het dossier de acht door het slachtoffer benoemde bezoeken aan het ziekenhuis en één bezoek aan bijzondere tandheelkunde kunnen worden vastgesteld in verband met behandeling voor het zware letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen. Nu de kosten per reis op € 22,40 zijn gesteld door de verdediging en deze kosten als zodanig niet zijn betwist, komen voor vergoeding in aanmerking reiskosten tot een bedrag van (9 x € 22,40) € 201,
- De benadeelde partij heeft de overige reis- en verletkosten onvoldoende onderbouwd. Derhalve is verdachte tot vergoeding van € 669,76 aan materiële schade (bestaande uit € 201,60 aan reiskosten en € 468,16 uit kosten betreffende het eigen risico) gehouden zodat de vordering ten aanzien van de materiële schade tot dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Immateriële schade Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, BW meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij en de rest van het dossier voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden doordat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit letsel bestaat onder meer uit meerdere kaakbreuken en sneeën. Eén van deze sneeën heeft bovendien geleid tot een blijvend litteken in het gelaat van aangeefster. Hoewel de benadeelde partij haar vordering, naast het lichamelijke letsel, ook gestoeld heeft op psychisch letsel, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij hiervoor onvoldoende concrete gegevens, zoals bijvoorbeeld een verklaring van een psycholoog, heeft aangevoerd. Gelet op het letsel dat bij de benadeelde partij is ontstaan en mede gelet op wat rechters in vergelijkbare gevallen aan schadevergoeding toewijzen, acht het hof een bedrag van € 5.000,00 ter vergoeding van de immateriële schade van de benadeelde partij billijk, waardoor de vordering ter zake van de immateriële schade tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Niet-ontvankelijkverklaring voor het overige Voor zover het hof de vordering van de benadeelde partij niet heeft toegewezen, zal het hof de benadeelde partij, conform hetgeen door de raadsman van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts nog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Schadevergoedingsmaatregel Om te bevorderen dat de toe te wijzen schadevergoeding door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.669,76 (vijfduizend zeshonderdnegenenzestig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 669,76 (zeshonderdnegenenzestig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.669,76 (vijfduizend zeshonderdnegenenzestig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 669,76 (zeshonderdnegenenzestig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 63 (drieënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 juni
- Aldus gewezen door mr. T.H. Bosma, voorzitter, mr. L.G. Wijma en mr. A.H. toe Laer, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier, en op 11 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.