Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001601-24 Uitspraak d.d.: 4 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 maart 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-102019-21 en 18-142845-21, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, wonende te [adres 1] . Het hoger beroep Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de rechtbank; veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 (openlijke geweldpleging) en 2 (beïnvloeding van een getuige) tenlastegelegde; toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zonder oplegging van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr zoals door aangever [slachtoffer] is verzocht; toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 3.116,85, bestaande uit € 1.116,85 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadslieden, mr. C.T. Pittau en mr. D.S. de Waard, de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] , mr. E.G. ten Have, en de advocaat van aangever [slachtoffer] , mr. N. Schaap, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank: verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld en toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 9a Sr; de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 3.501,85, bestaande uit € 1.501,85 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de gevorderde immateriële schade voor het overige deel afgewezen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafmaat op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis in zoverre bevestigen. Wel zal het hof, gelet op het door mr. N. Schaap namens aangever [slachtoffer] verzochte contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr, de gronden ten aanzien van de strafmaat aanvullen. Het hof komt ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij tot een andere beslissing, zodat het hof het vonnis in zoverre zal vernietigen en opnieuw recht doet. Aanvullende overweging in verband met de strafmaat Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank onder het kopje ‘strafmotivering’ als volgt. Contact- en locatieverbod Aangever [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een verzoek ingediend tot het opleggen van een locatieverbod ten aanzien van verdachte voor het gebied van een straal van 800 meter rondom zijn woning aan de [adres 2] [plaats] en een contactverbod. Door de raadsvrouw van aangever is verzocht de verboden op te leggen op grond van artikel 38v Sr. De rechtbank is niet tot oplegging van beide verboden overgegaan en heeft aangever [slachtoffer] op dit punt niet-ontvankelijk verklaard. Aangever heeft de beide verzoeken in hoger beroep gehandhaafd omdat hij verwacht dat een uitspraak in hoger beroep aanleiding zal zijn voor nieuwe contactmomenten geïnitieerd door verdachte. Het hof stelt vast dat de genoemde verzoeken niet onder de reikwijdte van een vordering tot schadevergoeding vallen, maar verzoeken betreffen tot het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Om die reden gaat het hof – anders dan de rechtbank – op beide verzoeken in onder de motivering van – kort gezegd – de strafmaat en vult de motivering van de rechtbank op dit punt aan. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat aangever [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Sinds de behandeling van de zaak bij de rechtbank in het voorjaar van 2024 hebben zich geen incidenten voorgedaan tussen aangever en verdachte. Een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr is dermate ingrijpend dat de huidige motivering tekortschiet en nadere onderbouwing vereist. Oordeel van het hof Het hof ziet, net als de advocaat-generaal en de verdediging, geen aanleiding voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod als maatregel in de zin van artikel 38v Sr. Er is een aanzienlijke tijd verstreken sinds het incident in 2020 heeft plaatsgevonden en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat verdachte de afgelopen periode rechtsreeks contact heeft gezocht met aangever [slachtoffer] of zich in de buurt van zijn woning heeft opgehouden. De angst van aangever [slachtoffer] dat dit na onherroepelijk worden van de uitspraak van dit hof mogelijk anders kan zijn, acht het hof onvoldoende om tot oplegging van voornoemde maatregel over te gaan. Er zijn dan ook onvoldoende redenen voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod in de vorm van een maatregel in de zin van artikel 38v Sr, zodat het hof daartoe niet over gaat. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Ter achtergrond Op 16 augustus 2020 heeft aan de [adres 2] bij de woning van [slachtoffer] een geweldsincident plaatsgevonden. Het hof bevestigt in dit arrest de bewezenverklaring van de rechtbank dat verdachte zich daar samen met zijn vader schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [benadeelde] . Als gevolg van de geweldsexplosie aldaar is verdachte’s vader - [naam] – overleden. Onder andere en zijn zoon [slachtoffer] zijn hiervoor vervolgens vervolgd. [benadeelde] is in hoger beroep uiteindelijk vrijgesproken, [slachtoffer] is veroordeeld voor doodslag. De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding in verband met de onder 1 aan verdachte ten laste gelegde openlijke geweldpleging (parketnummer 18-102019-21). Deze bedraagt in totaal € 6.501,85, bestaande uit € 1.501,85 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.501,85. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Standpunt verdediging De verdediging heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Aangezien er veel onduidelijkheid bestaat over het incident, zou een beoordeling van het verzoek tot schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Subsidiair is verzocht om het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen en gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid en daarnaast de gestelde kosten in het kader van de hersenscan af te wijzen, nu daarvan geen bewijs is overgelegd. Oordeel hof Met de verdediging is het hof van oordeel dat er veel onduidelijkheid bestaat ten aanzien van het aandeel van de verschillende betrokken personen bij het op 16 augustus 2020 gepleegde geweld. De zoon van de benadeelde partij, [slachtoffer] , is veroordeeld voor het neersteken van [naam] . Vast staat dat [naam] ook met een honkbalknuppel is geslagen, maar geen van de aanwezige personen, waarvan [benadeelde] er één was, is hiervoor uiteindelijk veroordeeld. Het hof dient de vordering van de benadeelde partij juridisch te beoordelen. Daarbij wordt gekeken naar de rechtsregels in het civiele recht. Daarin wordt bij het bepalen van de hoogte van de schade onder meer rekening gehouden met de mate van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde. Naar het oordeel van het hof kan vanwege verschillende aanwijzingen in het dossier niet worden uitgesloten dat de benadeelde partij zelf een aandeel heeft gehad bij het feit waarvoor door hem ook schade wordt gevorderd. Niet duidelijk is echter geworden of en wat voor bijdrage dit dan is geweest. Voor een feitelijke vaststelling en eventuele verdiscontering daarvan in een toe te wijzen schadebedrag, zou nader onderzoek nodig zijn. Het hof acht het verrichten van zulk nader onderzoek in deze procedure echter niet op zijn plaats, nu dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Gelet op voorgaande overwegingen zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht. Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-102019-21 en in de zaak met parketnummer 18-142845-21 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit zoals door de rechtbank in het vonnis vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Bepaalt dat ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-102019-21 en in de zaak met parketnummer 18-142845-21 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Aldus gewezen door mr. R. Godthelp, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. A.F. van Kooij, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier, en op 4 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.