← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:4468

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001744-24 Uitspraak d.d.: 4 juli 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 april 2024 met het parketnummer 18-323386-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de rechtbank; veroordeling van verdachte ten aanzien van het (in hoger beroep primair) tenlastegelegde tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis; toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 1.175,57, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.D. van Essen, en de partner van de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank: verdachte ten aanzien van het (in hoger beroep subsidiair) tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis; de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 1.175,57, bestaande uit € 675,57 materiële schade en € 500,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is, na schriftelijke wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 10 november 2021 te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] , door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(

  1. en)en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het (tijdens een massage) - betasten van en/of wrijven/masseren over de ontblote vagina/vulva/schaamlippen/schaamstreek van die [benadeelde partij] , - betasten van en/of wrijven/masseren over de borst(
  2. en)en/of tepel(
  3. s)van die [benadeelde partij] , terwijl verdachte zei: ‘’fijn he, een beetje lust bij de massage’’ en/of ‘’voel maar wat er is’’ en/of ‘’het gevoel van het sensuele’’, althans woorden van gelijke (seksuele) strekking, waarbij het geweld of een andere feitelijkhe(i)d(
  4. en)en/of de bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  5. en)er uit heeft/hebben bestaan dat: - hij die [benadeelde partij] naakt op een behandeltafel/massagetafel plaats heeft laten nemen en/of - hij voornoemde ontuchtige handeling(
  6. en)onverhoeds heeft uitgevoerd en/of - hij daarbij voortdurend en/of onophoudelijk het lichaam van die [benadeelde partij] is blijven aanraken en/of - hij als masseur een zeker (psychisch) overwicht over die [benadeelde partij] heeft gehad en/of - dientengevolge een situatie heeft (doen) laten ontstaan waartegen die [benadeelde partij] zich niet heeft kunnen verzetten en/of waaraan die [benadeelde partij] zich niet heeft kunnen onttrekken; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 10 november 2021 te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] , terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, als masseur ontucht heeft gepleegd met D. [benadeelde partij] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door - het (onverhoeds) met zijn handen en/of vingers betasten van en/of wrijven/masseren over de ontblote vagina/vulva/schaamlippen/schaamstreek van die [benadeelde partij] , - het (onverhoeds) met zijn handen en/of vingers masseren/betasten van de borst(
  7. en)en/of tepel(
  8. s)van die [benadeelde partij] , terwijl verdachte zei: ‘’fijn he, een beetje lust bij de massage’’ en/of ‘’voel maar wat er is’’ en/of ‘’het gevoel van het sensuele’’, althans woorden van gelijke (seksuele) strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Zij voert daartoe om te beginnen aan dat geen sprake is geweest van ontuchtig handelen. Het enkele feit dat degene die de handeling heeft ondergaan dat als ongewenst heeft ervaren, is onvoldoende voor het vaststellen van een ontuchtig karakter. In de context van een massage waarbij verdachte bovendien toestemming vroeg én kreeg voor het meenemen van de buik en de borsten, was er in de optiek van de verdediging sprake van handelingen die niet noodzakelijkerwijs een ontuchtig karakter hebben en waarbij de intentie van verdachte daarom een grotere rol speelt in de beoordeling daarvan. De door verdachte gegeven massage had enkel tot doel ontspanning te bieden aan aangeefster. Hetgeen verdachte achteraf per mail heeft geschreven aan aangeefster maakt niet dat de behandeling opeens als ontuchtig kan worden bestempeld. Volgens de verdediging is er bovendien onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de ontblote vagina en of schaamstreek heeft gemasseerd (het eerste gedachtestreepje onder het primair en subsidiair tenlastegelegde). Verder voert de verdediging aan dat geen sprake is van een feitelijkheid waardoor aangeefster gedwongen is tot het dulden van de handelingen. Verdachte heeft tijdens het geven van de massage meermalen gevraagd hoe aangeefster zich voelde, hoe zij erbij lag, of ze de massage prettig vond en bovendien toestemming gevraagd om haar borsten en buik ook mee te nemen in de behandeling, waarop zij instemmend reageerde. Verdachte heeft dan ook niet onverwachts of onverhoeds gehandeld. Voor het geval het hof toe zou komen aan het subsidiair ten laste gelegde - kort gezegd ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde - geldt dat ten aanzien van een masseur geen sprake is van een persoon werkzaam in de zorg en om die reden vrijspraak zou moeten volgen. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later indien cassatie wordt ingesteld in de op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Feiten en omstandigheden Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Aangeefster is op 10 november 2021 samen met een vriendin naar het [wellnessresort] in [pleegplaats] gegaan en heeft bij de receptie een zogenoemde ‘India-massage’ geboekt. Verdachte was daar op dat moment werkzaam als masseur en heeft aangeefster gemasseerd. Tijdens deze massage heeft verdachte aangeefsters ontblote borsten, tepels en schaamstreek gemasseerd en daarbij de woorden ‘sensueel’ en ‘lust’ gebruikt. Na afloop heeft aangeefster telefonisch een klacht ingediend bij het [wellnessresort] . Verdachte heeft daarop in een e-mailbericht rechtstreeks aan aangeefster aangegeven dat hij tijdens de massage ‘te veel de zinnenprikkelende kant op is gegaan’ en heeft hiervoor zijn excuses aangeboden. Ontuchtige handelingen Verdachte erkent dat hij de borsten, tepels en schaamstreek (liezen) van aangeefster heeft gemasseerd. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de handelingen van verdachte zijn aan te merken als ontuchtige handelingen. Onder ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden verstaan handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of de handelingen als ontuchtig moeten worden aangemerkt is afhankelijk van de omstandigheden waaronder die handelingen zijn verricht, de aard van de handelingen, de betrokken lichaamsdelen, de context waarbinnen de handelingen plaatsvinden en de verhouding tussen betrokkenen. De door verdachte verrichte handelingen, te weten het masseren van de ontblote borsten, tepels en de schaamstreek van aangeefster, in combinatie met de begeleidende woorden van verdachte ten tijde van deze handelingen, zoals ‘sensueel’ en ‘lust’, hebben naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm een seksueel karakter en zijn in de setting van de door aangeefster geboekte ontspanningsmassage objectief gezien zozeer in strijd met de sociaal-ethische norm dat sprake is van ontuchtige handelingen. De stelling van verdachte dat er in zijn optiek geen sprake is van handelingen met een ontuchtig karakter, nu hij aan aangeefster tijdens de massage heeft gevraagd of zij het goed vond dat hij haar (buik
  9. en)borsten mee zou masseren en daarvoor toestemming had gekregen, volgt het hof niet. Daarbij is het volgende van belang. Aangeefster had die dag een afspraak gemaakt voor de India-massage. Het masseren van de borsten, tepels en schaamstreek is volgens de omschrijving van dit type massage op de website van het [wellnessresort] geen onderdeel daarvan. Door deze lichaamsdelen mee te masseren heeft verdachte dus een andersoortige massage gegeven dan die aangeefster had geboekt. Nu verdachte, als professional, afweek van de door aangeefster geboekte massage, was het zijn verantwoordelijkheid om aangeefster nadrukkelijk en specifiek te informeren over wat zij dan vervolgens kon verwachten zodat zij wist waarmee zij instemde. Daarvan was in de onderhavige situatie geen sprake. Aangeefster was, in het licht van de geboekte India-massage, in de veronderstelling dat de vraag van verdachte, of hij haar borsten mee mocht nemen, betrekking had op haar decolleté ‘net zoals ze dat bij de schoonheidsspecialiste doen’. Het hof vindt deze gedachte niet onbegrijpelijk. Verdachte had er - zonder nadere uitleg - niet zomaar vanuit mogen gaan dat aangeefster zou begrijpen dat dan vervolgens ook haar borsten en tepels gemasseerd zouden worden. Ook om een andere reden mocht verdachte er niet zonder meer vanuit gaan dat aangeefster met deze uitbreiding van de massage instemde. Verdachte bemerkte immers zelf al dat aangeefster zich ongemakkelijk voelde tijdens de massage en dat de spanning met name te merken was nadat verdachte de woorden ‘sensueel’ en ‘lust’ had uitgesproken. Dat extra zorgvuldigheid moet worden betracht bij de keuze om ook de tepels mee te masseren, blijkt ten slotte uit de verklaring van verdachte zelf tijdens de terechtzitting in hoger beroep. Daarin geeft hij aan dat tepels eigenlijk nooit worden gemasseerd, ook niet bij een Ayurvedische massage, omdat het veel te prikkelend en privé is. Nu verdachte heeft nagelaten om bij de aangeefster - die op dat moment al op zijn behandeltafel lag - uit te leggen wat de voorgestelde uitbreiding van de massage concreet inhield en door niet te verifiëren of zij daarmee nadrukkelijk instemde, is hij een grens overgegaan. Het hof is gelet op al het voorgaande, anders dan de verdediging stelt, van oordeel dat sprake is van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 Sr. De omstandigheid dat enige seksuele intentie (lust) bij verdachte ontbrak, zoals uitdrukkelijk door verdachte is aangevoerd, doet niet af aan het ontuchtige karakter van de handelingen. Dwang Het hof is verder van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen om deze ontuchtige handelingen te dulden. Verdachte heeft aangeefster naakt op de behandeltafel plaats laten nemen en haar vervolgens met een (hand)doek toegedekt. Verdachte had in die situatie als masseur een zeker psychisch overwicht, nu aangeefster zich zo bezien in een kwetsbare en afhankelijke positie bevond ten opzichte van verdachte. Zij heeft zich immers, terwijl zij grotendeels ontbloot was, overgegeven aan verdachte’s massage en mocht daarbij op zijn professionaliteit vertrouwen. Tijdens de massage is verdachte voortdurend het lichaam van aangeefster blijven aanraken en heeft hij haar borsten, tepels en schaamstreek onverhoeds aangeraakt. Verdachte heeft aangeefster hier vooraf immers niet expliciet (duidelijk en concreet) over geïnformeerd. Aangeefster hoefde deze handelingen bovendien niet te verwachten, nu zij geen onderdeel uitmaakten van de door haar geboekte massage. Als gevolg hiervan is aangeefster ‘bevroren’ en heeft zij zich in die toestand dan ook niet kunnen verzetten tegen of onttrekken aan de ontuchtige handelingen. Dit betekent dat zij - door het onverwachte handelen van verdachte - tegen haar wil de ontuchtige handelingen heeft moeten dulden. Verdachte had dit niet alleen kunnen, maar ook moeten hebben geweten. Te meer nu hij zelf al bemerkte dat aangeefster zich tijdens de massage ongemakkelijk voelde en gespannen was. Conclusie Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen. Partiele vrijspraak Met de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte aangeefsters vagina en of schaamlippen heeft gemasseerd, zodat hij van dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 10 november 2021 te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] , door andere feitelijkheden [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het tijdens een massage - betasten van en masseren over de ontblote schaamstreek van die [benadeelde partij] , - betasten van en masseren over de borst(
  10. en)en tepel(
  11. s)van die [benadeelde partij] , terwijl verdachte zei: ‘’fijn he, een beetje lust bij de massage’’ en ‘’voel maar wat er is’’ en ‘’het gevoel van het sensuele’’, althans woorden van gelijke strekking, waarbij de feitelijkheden eruit hebben bestaan dat: - hij die [benadeelde partij] naakt op een massagetafel plaats heeft laten nemen en - hij voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft uitgevoerd en - hij daarbij voortdurend het lichaam van die [benadeelde partij] is blijven aanraken en - hij als masseur een zeker psychisch overwicht over die [benadeelde partij] heeft gehad en - dientengevolge een situatie heeft laten ontstaan waartegen die [benadeelde partij] zich niet heeft kunnen verzetten en/of waaraan die [benadeelde partij] zich niet heeft kunnen onttrekken. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich tijdens de uitoefening van zijn werk als masseur gedurende een ontspanningsmassage op 10 november 2021 schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen. Daarmee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en gebruik gemaakt van zijn overwicht als masseur en de kwetsbare positie van aangeefster toen zij ontkleed op de massagetafel lag. De relatie tussen een professionele masseur en een aan hem toevertrouwde klant schept voor de masseur een bijzondere verantwoordelijkheid, die verdachte heeft miskend. Het handelen van verdachte heeft lang een grote impact op aangeefster gehad, zo blijkt ook uit de in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring. Zij schaamde zich ervoor dat zij, in plaats van verdachte direct op zijn gedrag aan te spreken, ‘bevroor’. Verder heeft zij als gevolg van de ontuchtige handelingen onder andere ook lichamelijke spanningsklachten gehad en daarvoor verschillende soorten therapie gevolgd. Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft het hof gekeken naar de Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 16 mei 2025. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld en zijn strafblad dus geen strafverzwarende omstandigheid oplevert. Verder heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 september 2023. Daaruit komt als conclusie naar voren dat op de leefgebieden van verdachte (huisvesting, relatie en sociaal netwerk) stabiliteit heerst. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Verdachte heeft verder aangegeven gepensioneerd te zijn, maar nog wel vaste klanten uit het verleden te masseren. Alhoewel hij dit ook in dienstverband zou willen doen, is dit in verband met de gevolgen van het onderhavige incident niet langer mogelijk. Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede met de consequenties die het incident in deze zaak voor verdachte zijn huidige functioneren als masseur al heeft gehad, is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.441,86, bestaande uit € 1.941,86 materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.175,57, bestaande uit € 675,57 materiële schade en € 500,00 immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.175,57, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw verzoekt het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren van wege de bepleite vrijspraak. Voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de negen coachingsgesprekken stelt de verdediging dat deze post reeds betaald is door de werkgever van de partner van de benadeelde partij. De verdediging verzoekt dan ook om deze schadepost af te wijzen. Ten aanzien van de overige materiële schade vraagt de verdediging zich af in hoeverre alle gevolgde therapieën het rechtstreekse gevolg zijn van het tenlastegelegde feit, nu aangeefster ook voorafgaand aan november 2021 al (relatie)therapieën volgde. Voor de vaststelling van de immateriële schade verzoekt de verdediging het hof om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid en hierbij rekening te houden met bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Oordeel van het hof Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 427,05 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, zal worden toegewezen. Het hof komt op grond van het volgende tot dit oordeel. Het hof is van oordeel dat de door de benadeelde partij gemaakte kosten voor de intake van de psychosomatische fysiotherapie van € 92,65 en haptonomische fysiotherapie van € 240,00, inclusief de hierop betrekking hebbende reiskosten van € 94,40, rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Haptonomische fysiotherapie richt zich immers op het ervaren van veilige aanraking in een veilige setting. Het hof zal die kosten daarom toewijzen. Voor wat betreft de kosten die zien op de negen coachingsgesprekken ter hoogte van € 980,10 en de psychosociale therapie ter hoogte van € 255,00, inclusief de hierop betrekking hebbende reiskosten van € 279,71, oordeelt het hof dat het onvoldoende duidelijk is geworden dat sprake is van een rechtstreeks verband nu de benadeelde partij dit onvoldoende heeft onderbouwd. Deze kosten zullen daarom worden afgewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij is tijdens een massage, in een kwetsbare positie, bij haar borsten, tepels en schaamstreek betast, waardoor haar lichamelijke integriteit en gevoel van veiligheid is aangetast. Gelet hierop en op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering en hetgeen de partner van de benadeelde partij tijdens de zitting in hoger beroep heeft aangevoerd (onder meer moeite met aanrakingen door partner dan wel therapeut, moeite met borstvoeding geven en veel spanning de afgelopen jaren in haar lijf) acht het hof voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij psychische schade heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De psychische schade is hiermee voldoende aangetoond evenals de stelling dat deze een gevolg van de door verdachte gepleegde handelingen is. Daarmee is sprake van een wettelijke grondslag voor een vergoeding van ander nadeel als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW. Gelet op alle omstandigheden van dit geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op € 500,00. Het hof heeft hierbij gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend. Het verzoek ten aanzien van de overige immateriële schade zal het hof afwijzen. Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 927,05 (negenhonderdzevenentwintig euro en vijf cent) bestaande uit € 427,05 (vierhonderdzevenentwintig euro en vijf cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 927,05 (negenhonderdzevenentwintig euro en vijf cent) bestaande uit € 427,05 (vierhonderdzevenentwintig euro en vijf cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 november 2021. Aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. A.F. van Kooij en mr. R. Godthelp, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier, en op 4 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.