← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2025:4888

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.345.911 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 11154582 arrest van 5 augustus 2025 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] hierna: [appellant] advocaat: mr. A. Coskun en [geïntimeerde] die is gevestigd in Maarssen niet verschenen 1Het verloop van de procedure in hoger beroep [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kantonrechter) op 31 juli 2024 tussen [appellant] enerzijds en [bestuurder] en [gevolmachtigde] anderzijds heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven. 2De kern van de zaak 2.

  1. [appellant] heeft [geïntimeerde] , een advocatenkantoor, opdracht gegeven tot het uitbrengen van twee dagvaardingen in hoger beroep tegen uitspraken van kantonrechters. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] te veel in rekening gebracht en is door [geïntimeerde] (onder andere) onrechtmatig gehandeld. [appellant] heeft daarvoor ook [bestuurder] en [gevolmachtigde] als bestuurder respectievelijk gevolmachtigde van [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld en is een kortgedingprocedure gestart tegen hen. Daarvóór was [geïntimeerde] al een kort geding gestart tegen [appellant] , waarbij aan [appellant] een procedeerverbod tegen [bestuurder] en [gevolmachtigde] is opgelegd. Na de mondelinge behandeling heeft [appellant] , vanwege de intussen aan hem opgelegde procedeerverboden, de kantonrechter verzocht om doorhaling van de zaak. [bestuurder] en [gevolmachtigde] hebben niet ingestemd met het verzoek om doorhaling en hebben verzocht om een reële proceskostenveroordeling. Die is toegewezen. Volgens de kantonrechter had [appellant] op voorhand moeten begrijpen dat zijn vorderingen geen kans van slagen zouden hebben en had hij het instellen daarvan achterwege moeten laten. Het desondanks toch starten van de procedure levert volgens de kantonrechter misbruik van procesrecht op. 2.
  2. [appellant] is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter en heeft hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft echter mede gelet op de procedeerverboden, niet [bestuurder] en [gevolmachtigde] gedagvaard, maar [geïntimeerde] 2.
  3. Aangezien [appellant] een andere, niet bij de kantonrechter in eerste aanleg betrokken, procespartij heeft gedagvaard in hoger beroep, zal het hof beslissen dat [appellant] niet-ontvankelijk is in hoger beroep. Het hof legt die beslissing hierna verder uit. 3De toelichting op de beslissing van het hof De feiten 3.
  4. [geïntimeerde] exploiteert een advocatenkantoor. In maart 2022 heeft [appellant] [geïntimeerde] de opdracht gegeven tot het instellen van hoger beroep in twee zaken door het uitbrengen van dagvaardingen. Deze werkzaamheden zijn verricht. 3.
  5. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is discussie ontstaan over de hoogte van de in rekening gebrachte kosten voor de uitgevoerde werkzaamheden. Volgens [appellant] is sprake van oplichting omdat hem meer in rekening is gebracht dan was afgesproken. 3.
  6. Volgens [appellant] zijn de handelingen van [geïntimeerde] (onder andere) structureel onrechtmatig, ernstig schadelijk en benadelend voor hem. [appellant] heeft [bestuurder] en [gevolmachtigde] als bestuurder respectievelijk gevolmachtigde van [geïntimeerde] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de schade die hij daardoor leidt. 3.
  7. Op het moment dat [appellant] de onderhavige procedure startte, was er al een kort geding aanhangig bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, waarin [geïntimeerde] . onder meer procedeerverboden vorderde. 3.
  8. Deze kantonrechter heeft bij vonnis van 2 juli 2024, [appellant] verboden te procederen tegen [bestuurder] en [gevolmachtigde] en hem veroordeeld lopende procedures tegen hen in te trekken op straffe van een dwangsom. 3.
  9. Gelet op de procedeerverboden heeft [appellant] na de mondelinge behandeling van onderhavige zaak de kantonrechter bericht dat hij de zaak wil intrekken. [appellant] heeft verzocht om doorhaling van de zaak met compensatie van de proceskosten. [bestuurder] en [gevolmachtigde] waren het niet eens met de gevraagde doorhaling en compensatie van de proceskosten en bleven bij de door hen gevorderde reële proceskostenveroordeling. 3.
  10. De kantonrechter heeft bij vonnis van 31 juli 2024 [appellant] veroordeeld tot betaling van de reële proceskosten van [bestuurder] en [gevolmachtigde] van € 4.495,-. De beoordeling door het hof [appellant] kon [geïntimeerde] in deze procedure niet dagvaarden 3.
  11. Het wettelijk uitgangspunt is dat de procespartijen in hoger beroep dezelfde zijn als de procespartijen uit de vorige instantie. Hoger beroep kan dus in beginsel alleen worden ingesteld door/tegen een partij die in de voorafgaande instantie bij de procedure als procespartij betrokken was. Dit is anders als een procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt en een verschenen partij wijziging verzoekt van een partijaanduiding op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden. Het verzoek tot wijziging is toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad. 3.
  12. In onderhavige zaak is het hoger beroep gericht tegen een partij ( [geïntimeerde] ) die geen procespartij was in eerste aanleg. Beoordeeld moet daarom worden of van het hiervoor genoemde uitgangspunt afgeweken kan worden. Het hof overweegt allereerst dat geen sprake is van een vergissing. [appellant] heeft in zijn appeldagvaarding en in zijn memorie van grieven namelijk toegelicht dat hij er bewust voor heeft gekozen om niet [bestuurder] en [gevolmachtigde] , maar [geïntimeerde] te dagvaarden. Ook van een partijwisseling (wegens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel of wijziging van persoonlijke staat) is geen sprake. Een wijziging van de partijaanduiding op een van deze gronden is dus niet aan de orde. [appellant] is dan ook in beginsel niet-ontvankelijk in dit hoger beroep. 3.
  13. In zijn appeldagvaarding heeft [appellant] het volgende, voor zover van belang, opgenomen: “Aangezien een kortgedingrechter (…) ten onrechte appellant heeft verboden om oorspronkelijke gedaagden te dagvaarden op straffe van heftige dwangsom, is [geïntimeerde] als schadeveroorzakende en dit toelatende partij gedagvaard in hoger beroep, tenzij het hof zulk verbod ambtshalve opheft en het toestaat om oorspronkelijke gedaagden alsnog te dagvaarden". [appellant] voert verder in zijn memorie van grieven aan dat hij [bestuurder] en [gevolmachtigde] niet kon dagvaarden aangezien zij beschermd worden door de opgelegde procedeerverboden. De verboden creëren volgens hem een juridische dwangpositie, waardoor hij gedwongen is om zijn vorderingen tegen [geïntimeerde] voort te zetten. Daarnaast stelt [appellant] dat zijn keuze gerechtvaardigd is omdat [geïntimeerde] de formele rechtspersoon is namens wie [bestuurder] en [gevolmachtigde] hebben gehandeld. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] uiteindelijk verantwoordelijk voor de verplichtingen en gedragingen van haar bestuurders en is [geïntimeerde] financieel aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit hun handelen. Het belang van een effectieve rechtsgang vereist dat de juiste partij wordt aangesproken, aldus [appellant] . 3.
  14. Naar het oordeel van het hof kan de verklaring die [appellant] geeft voor zijn keuze om [geïntimeerde] te dagvaarden, er niet toe kan leiden dat hij alsnog ontvankelijk is in zijn beroep. Zoals uit rechtsoverweging 3.8 volgt, biedt het procesrecht daarvoor geen ruimte. Het feit dat [appellant] is geconfronteerd met een procedeerverbod tegen zijn processuele wederpartijen in eerste aanleg, rechtvaardigt niet dat hij in hoger beroep de procedure vervolgt tegen een andere (niet bij de procedure in eerste aanleg betrokken) partij. Het hof merkt daarbij nog op dat er voor [appellant] andere mogelijkheden waren om op te komen tegen de opgelegde procedeerverboden. Zijn stelling dat hij door de procedeerverboden in een juridische dwangpositie terecht is gekomen en anders geen effectieve rechtsbescherming meer zou hebben, gaat daarom ook niet op. De conclusie 3.
  15. [appellant] zal niet-ontvankelijk verklaard worden. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep, die aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op nihil omdat zij in hoger beroep niet is verschenen. 4De beslissing Het hof: 4.
  16. verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep; 4.
  17. veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep, begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, B.J. Engberts en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 augustus
  18. Hoge Raad 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.