Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005414-21 Uitspraak d.d.: 17 maart 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2021 met het parketnummer 18-297490-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-002404-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot: vernietiging van het vonnis van de politierechter; veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 dagen, met aftrek van het voorarrest; toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 21-002404-
- Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Schlepers, naar voren is gebracht. Omvang van het hoger beroep De verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Het vonnis waarvan beroep Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter: verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 dagen, met aftrek van het voorarrest; het tegen verdachte verleende bevel van voorlopige hechtenis opgeheven; de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 21-002404-17 toegewezen, in die zin dat de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 146 dagen is gelast. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde- tenlastegelegd dat:
- primairhij op of omstreeks 1 november 2021, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , medewerker van Politie Noord-Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] , meermalen, te slaan en te stompen en/of (hard) tegen diens hoofd te slaan/stompen;
- subsidiairhij op of omstreeks 1 november 2021, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] . zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van de politie Noord Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van de bediening (belast en/of doende met de aanhouding op heterdaad van verdachte en hiertoe verdachte had vastgegrepen)door met zijn lichaam te bewegen in een andere richting dan de richting waarin die [slachtoffer 1] hem gefixeerd wilde houden en/of -terwijl hij vast gehouden werd door die [slachtoffer 1] - zich los te trekken naar beneden en/of (snel) omhoog te komen naar boven waarbij die [slachtoffer 1] (hard) tegen/op zijn kin werd gestoten en/of geraakt tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel, te weten een wond aan de kin, heeft bekomen; 3.hij op of omstreeks 1 november 2021, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , een aantal sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak van feit 1 primair Feiten en omstandigheden Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 1 november 2021 is een conflict ontstaan tussen verdachte en zijn ex-partner, tevens aangeefster. Tijdens dit conflict heeft verdachte de autosleutels van aangeefster gepakt en is hij hiermee op zijn scooter weggereden. Naar aanleiding van dit conflict kreeg de politie een melding en zijn de verbalisanten [slachtoffer 1] en [verbalisant] richting dit incident gereden. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [verbalisant] volgt dat zij onderweg verdachte rijdend op zijn scooter aantroffen. Hoewel de verbalisanten verdachte een stopteken gaven, blauw licht en geluidsignalen voerden, verdachte hebben gesommeerd te stoppen en verdachte op enig moment achterom keek, bleef verdachte doorrijden. Daarop heeft verbalisant [verbalisant] verdachte met de dienstauto gedwongen naar de rechterzijde van de weg te rijden waardoor verdachte tegen de stoeprand reed en ten val kwam. Direct nadat verdachte ten val was gekomen stond hij op en heeft hij zich tegen de aanhouding verzet door zich zeer agressief op te stellen en door het openstaande bijrijdersraam slaande bewegingen te maken richting verbalisant [slachtoffer 1] . De verbalisanten hebben met behulp van het toepassen van pepperspray op verdachte afstand weten te creëren. Desondanks bleef verdachte zich verzetten door niet te luisteren naar de bevelen van de verbalisanten en zich los te rukken op het moment dat verbalisant [slachtoffer 1] hem probeerde vast te pakken teneinde hem onder controle te krijgen. Tijdens het losrukken, waarbij verdachte zijn lichaam naar onderen en vervolgens snel weer omhoog bewoog, voelde verbalisant [slachtoffer 1] een klap tegen zijn kin. Naar aanleiding hiervan heeft verbalisant [slachtoffer 1] een wond op zijn kin opgelopen. De verbalisanten hebben verdachte vervolgens van zich afgeduwd en hun vuurwapen getrokken. Omdat verdachte wederom niet luisterde naar de bevelen van de verbalisanten om op zijn knieën te gaan zitten en zijn armen te spreiden, hebben de verbalisanten een waarschuwingsschot gelost. Verdachte reageerde hier ook niet op en bleef zich verzetten. Pas toen er een andere, voor verdachte bekende, verbalisant ter plaatse kwam werd verdachte rustiger. Oordeel van het hof Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de mishandeling van verbalisant [slachtoffer 1] , zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken Het hof overweegt daartoe dat aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte terwijl hij nog in de auto zat het portier opende en met gebalde vuist op zijn benen begon te slaan. Verbalisant [verbalisant] heeft over dit moment en deze specifieke handelingen niet verklaard en ook overigens biedt het dossier geen ondersteuning voor de verklaring van aangever op dit punt. Dat [slachtoffer 1] door deze handelingen pijn of letsel heeft ondervonden volgt evenmin uit het dossier. Het hof is daarom van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastegelegde gedragingen niet bewezenverklaard kan worden. Ook voor het slaan of stompen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Dat aangever [slachtoffer 1] door toedoen van verdachte gewond is geraakt aan zijn kin toen verdachte tijdens het losrukken een beweging omhoog maakte volgt wel uit de verklaring van [slachtoffer 1] , maar niet dat dit ten gevolge van een slaande of stompende beweging is geweest. Uit de verklaring van aangever [slachtoffer 1] blijkt dit niet en ook anderszins kan dit niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. De verklaring van verbalisant [verbalisant] , inhoudende dat hij op een gegeven moment een hand zag ter hoogte van de keel van [slachtoffer 1] acht het hof in dit verband onvoldoende ondersteunend, omdat onduidelijk is of dit betrekking heeft op het moment dat [slachtoffer 1] gewond is geraakt. Gelet op het voorgaande zal het hof verdachte daarom van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijspreken. Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 3 Het hof is op grond van de hiervoor beschreven, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden van oordeel dat de onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zullen worden opgenomen in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Wederspannigheid Onder feit 1 subsidiair is – kort gezegd – tenlastegelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verzet bij de aanhouding door een ambtenaar waarbij de ambtenaar letsel heeft opgelopen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verbalisanten, door foutieve informatie in het politiesysteem dat zij vooraf hebben geraadpleegd, verdachte op een verkeerde manier hebben bejegend en dat het optreden van de verbalisanten niet was gebaseerd op het gedrag van verdachte ten tijde van de staande houding. Verdachte kreeg geen kans om zijn scooter te stoppen of te parkeren en de verbalisanten hebben tijdens de benadering van verdachte niet de-escalerend opgetreden. Volgens de verdediging heeft verdachte de verbalisanten niet aangeraakt en moet er net zoveel waarde worden gehecht aan de verklaring van verdachte als aan de verklaringen van de verbalisanten. Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat een politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte in beginsel werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, maar dat zich omstandigheden kunnen voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is. Bij de beoordeling of dit laatste het geval is, kan de noodzaak en proportionaliteit van het optreden van de politieambtenaar worden betrokken. Het hof is op grond van hetgeen uit het dossier en op het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen van oordeel dat het optreden van de verbalisanten in de onderhavige zaak in verhouding stond tot het gedrag van verdachte ten tijde van zijn aanhouding. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [verbalisant] volgt op welk moment en waarom de verbalisanten verdachte gedwongen hebben te stoppen, de pepperspray hebben toegepast en besloten hun vuurwapen te trekken. De handelingen van de verbalisanten waren daarbij een reactie op de gedragingen van verdachte. Het hof acht het toepassen van de pepperspray en trekken van het vuurwapen noodzakelijk en proportioneel gezien de agressiviteit waarmee verdachte zich gedroeg en zijn gedrag dat daaraan vooraf was gegaan, namelijk slaande bewegingen maken richting verbalisant [slachtoffer 1] en zich met geweld losrukken waardoor verbalisant [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van de verdediging dat de bejegening van de verbalisanten niet gebaseerd was op het gedrag van verdachte op dat moment. Het hof is hierbij uitgegaan van de inhoud van de door de verbalisanten op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, die consistent zijn en elkaar op essentiële punten ondersteunen. In de verklaringen van verdachte noch anderszins ziet het hof aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het relaas van de verbalisanten. Resumerend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zich met geweld verzetten tegen zijn aanhouding waardoor verbalisant [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen. Diefstal Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, waarbij verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan diefstal van een aantal sleutels, stelt de verdediging zich op het standpunt dat het niet de bedoeling was van verdachte om als heer en meester te beschikken over de sleutels. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de autosleutels van aangeefster heeft gepakt en daar vervolgens mee is weggereden. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij de sleutelbos in haar hand had en dat verdachte deze sleutelbos afpakte. Zij heeft tegen verdachte geroepen dat ze de sleutels terug wilde en hoorde verdachte roepen dat hij haar sleutels niet terug zou geven. Verdachte heeft de autosleutels, door deze te pakken en daarmee weg te rijden, aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken. Het handelen van verdachte kan, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan en zijn mededeling dat hij ze niet terug zou geven niet anders worden opgevat dan te zijn verricht met het oogmerk om als heer en meester over de autosleutels te beschikken. Het hof gaat dan ook voorbij aan het verweer van de raadsvrouw dat verdachte niet de bedoeling heeft gehad om als heer en meester te beschikken over de autosleutels en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.subsidiairhij op 1 november 2021, te [plaats] , zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van de politie Noord Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van de bediening (belast en doende met de aanhouding op heterdaad van verdachte en die hiertoe verdachte had vastgegrepen) door met zijn lichaam te bewegen in een andere richting dan de richting waarin die [slachtoffer 1] hem gefixeerd wilde houden en -terwijl hij vast gehouden werd door die [slachtoffer 1] - zich los te trekken naar beneden en (snel) omhoog te komen naar boven waarbij die [slachtoffer 1] (hard) tegen zijn kin werd geraakt ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel, te weten een wond aan de kin, heeft bekomen; 3.hij op 1 november 2021, te [plaats] , een aantal sleutels toebehorende aan [slachtoffer 2] heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op: wederspannigheid. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich op 1 november 2021 schuldig gemaakt aan diefstal van de sleutels van aangeefster. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangeefster. Naast dat feit heeft verdachte zich kort daarna in diezelfde nacht schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Door aldus te handelen heeft verdachte de verbalisanten niet alleen vrees aangejaagd, maar verdachtes handelen getuigt bovendien van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – ongehinderd hun werk kunnen doen, hetgeen door de verdachte is bemoeilijkt. Bovendien heeft verbalisant [slachtoffer 1] letsel opgelopen tijdens het verzet van verdachte. Het hof heeft wat betreft de persoon van verdachte gelet op het uittreksel uit het Justitiële Documentatie van 27 januari 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor zowel soortgelijke als andersoortige strafbare feiten. Na de onderhavige feiten heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Gelet hierop houdt het hof rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof weegt voorts mee dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan terwijl hij zich nog in de proeftijd bevond van een eerdere straf. Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft aangegeven dat hij samenwoont met zijn huidige partner en momenteel geen betaald werk verricht. Hij helpt zijn partner met haar werkzaamheden in de schoonmaak. Alles afwegende acht het hof – evenals de advocaat-generaal – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 56 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat het niet de eerste keer is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter, blijft het gevolg van het handelen van verdachte, namelijk het door verbalisant [slachtoffer 1] opgelopen letsel aan zijn hoofd, hetzelfde. Dit leidt dan ook niet tot een andere straf dan de straf die de politierechter heeft opgelegd. Vordering tenuitvoerlegging Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 mei 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 146 dagen, parketnummer 21-002404-
- Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 146 dagen bevelen. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat de voorwaardelijk opgelegde straf ziet op een feit met een pleegdatum in 2016 leiden het hof niet tot een ander oordeel. Deze voorwaardelijke veroordeling was onder meer - evenals in de onderhavige zaak - terzake van wederspannigheid, waarbij het misdrijf lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging heeft in 2019 geleid tot verlenging van de proeftijd. Verdachte was een gewaarschuwd mens. Voor omzetting in een taakstraf, zoals door de raadsvrouw verzocht, zie het hof geen aanleiding. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 180 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 mei 2019, parketnummer 21-002404-17, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 146 (honderdzesenveertig) dagen. Aldus gewezen door mr. M.C. van Linde, voorzitter, mr. G.A. Versteeg en mr. M.B. de Wit, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier, en op 17 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.